Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„TOEN KWAM DE HEERE EN STELDE ZICH DAAR”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„TOEN KWAM DE HEERE EN STELDE ZICH DAAR”

6 minuten leestijd

Toespraak van Ds van Leeuwen op de Ontmoetingsdag te Kampen, 25 aug. 1979.

„Toen kwam de Heere en stelde zich daar”. Wáár was dat ? Wel, te Silo.

Dáár openbaarde Zich de Heere, want dáár stond de tabernakel met de ark. En dáár riep de Heere in de nacht de jonge Samuël tot zijn dienst.

Ja, dat was een ondoorgrondelijk wonder van Gods genade en trouw ! Want het was toen een zeer donkere tijd.’t Was met recht nacht over Israël’s volksbestaan, zowel staatkundig, maatschappelijk als godsdienstig. Israël’s staatkundig leven was zodanig, dat er geen centraal gezag meer was. Een krachtige Godvrezende leiding ontbrak. Een ieder deed wat goed was in zijn ogen. De priester Eli was oud en hoewel hij de Heere vreesde, was hij toch slap in zijn optreden. Zie’t bij zijn zonen Hofni en Pinehas.

Het was ook droef gesteld met Israël’s maatschappelijk leven. Vanwege de roofinvallen van de vijandelijke volken was het land zeer verarmd.

Maar vooral was het verval groot ten opzichte van Israël’s godsdienstig leven. Wat werd de „tabernakel-dienst” sterk ontheiligd door de zedeloze praktijken van Eli’s zonen, welke daar plaats vonden. We lezen als gevolg hiervan: „En het Woord des Heeren was dierbaar in die dagen, er was geen openbaar gezicht”. „Dierbaar” wil zeggen: kostbaar, zeldzaam. „Geen openbaar gezicht” wijst op het gemis van profetische openbaring, zoals de Heere Zich openbaarde door Zijn spreken tot de profeten en priesters.

Wanneer wij lezen, dat de jonge Samuël de Heere niet kende, dan heeft dit dus betrekking op zulk een spreken Gods. Als zodanig kende Samuël Gods stem niet, al vreesde hij de Heere.

Zo hield de Heere Zich als het ware in die tijd veel verborgen.

Al met al was’t een zeer donkere tijd in het tijdperk van de richters.

Daarom zou men kunnen vragen: Had de tabernakeldienst nog zin ?

Konden de deuren van Gods heiligdom niet beter gesloten worden ? Te meer, toen een man Gods tot Eli kwam en hem het oordeel Gods over zijn zonen aankondigde, namelijk, dat zij beiden zouden sterven.

Dan waren er toch geen priesters meer, want Eli was oud.

Dan zou de dienst der verzoening dus daarmede beeindigd zijn !

Op dit alles zienae, was er dan ook geen verwachting meer en geen toekomst voor Israël.

„Toen kwam de Heere en stelde zich daar”. Wel een aanbiddelijk heerlijk wonder! Hij kwam daar met de openbaring van Zijn genade en trouw, met Zijn Verbonds-trouw! Het woord „Heere” staat met hoofdletters en dat betekent Zijn VERBONDSNAAM: „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal” „Ik ben, die Ik ben.” En omdat God van Zijn kant Zijn verbond houdt, daarom was er ondanks het diep verval toch nog de tabernakel en de ark en de lamp (de kandelaar).

Ja, dáárom (om Gods Verbondswil) was er ook een overblijfsel naar de verkiezing Zijner genade. Een biddende Hanna, een buigende Eli onder het oordeel Gods en een jonge godvrezende Samuël!

„Toen kwam de Heere en stelde Zich daar”. Waartoe? Wel, om deze jeugdige Samuël te roepen tot Zijn dienst.

Zo kon de dienst der verzoening doorgaan. In dit verband is het zo opmerkelijk, dat we in het 15e vers van I Sam. 10 lezen: „Toen deed hij de deuren van het Huis des Heeren open”. Maar hoe kon de Heere zo Zijn verbondstrouw betonen? Israël was dat toch niet waardig? Alleen toch Gods Verbondswraak? Zeer zeker. Maar nu had de Heere reeds beloofd, een GETROUW PRIESTER te verwekken, Die de Heere „een bestendig Huis zou bouwen”. Deze zou zijn: de beloofde Profeet, de komende en in de volheid des tijds de gèkomen Messias, Jezus Christus! Die zou onafgebroken de dienst der verzoening vervullen en Hij heeft dat gedaan. Aan het kruishout van Golgotha heeft Hij uitgeroepen: „Het is volbracht!”

Het is thans een niet minder donkere tijd dan in de dagen van Eli.

Zowel maatschappelijk (ondanks alle weelde), staatkundig als godsdienstig en kerkelijk. Hoe staat het met de prediking? Is zij veelal niet slechts een toespraak? Wordt het bestraffende element niet al te zeer gemist? Wordt er nog van schuld en oordeel gewaagd? Gods Wet nog gesteld als kernbron van onze ellende?

Wat is bij hen, die de Heere vrezen weinig doorbrekend geloof tot de kennis en omhelzing van Christus! En hoe staat het met de beleving van de heiligmaking bij Gods volk? Is er niet „een geest des diepen slaaps” bij hetzelve te constateren? Helaas, „hoe is het fijne goud verdonkerd”!

Al meer openbaart zich in het kerkelijk leven een koude vorm-dienst, een leven alleen bij de traditie, ja, van de rechtzinnige leer- en levensbeschouwing. Maar dit alles laat het hart leeg en hard!

Daarom: is er nog verwachting ten opzichte van de kerk?

Kunnen niet beter de deuren der kerken gesloten worden?

Neen! Gode zij dank, dat er ook nù nog is de „dienst des Woords en die der Sacramenten”, de bediening van de ambten van Christus. ondanks velerlei verval.

Dat er nog is een „overblijfsel naar de verkiezing der genade”, zoals dit in alle tijden gevonden werd. Denk aan een Daniël en zijn drie vrienden in Babel.

„Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; Die zullen op Mijn Naam betrouwen.” (Zefanja 3 : 12.)

„Toen kwam de Heere en stelde zich daar”. Dat was dus voor het overblijfsel des Heeren een verrassend en troostvol wonder!

Geve de Heere dit ook nu in deze hoogst ernstige tijd.

Zij Hij Zijn kerk en Sion genadig!

„En stelde Zich daar” Zij ’t ook hier op onze ontmoetingsdag.

Er is hier een zuchtend volk, dat uitziet naar ’s Heeren komst in het hart met de blijken van Zijn genade, liefde en trouw, maar bij wie het zalig-worden een onmogelijke zaak is geworden en bij wie er geen verwachting is overgebleven in zichzelf, ja, die ook moeten erkennen het niet waardig te zijn, dat de Heere onder hun dak zou inkomen; die’t in stilte vragen: zou het voor zulken nog kùnnen? Neen, niet om uwentwil, maar wel en volkomen om die „DIE GETROUWE PRIESTER”, Jezus Christus.

Hij heeft de schuld voor een doemwaardig volk betaald, hun oordeel uitgeboet. Hij heeft het Verbond der genade besloten, toen Hij uitriep: „Het is volbracht!”

En dit alles mag nu gelden voor een volk, dat met psalm 42, de verzen 3 en 5 mag instemmen:

„O, mijn ziel, wat buigt g’u neder?

Waartoe zijt g’in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in’s Hoogsten lof uw lust;

Want Gods goedheid zal uw druk

Eens verwiss’len in geluk.

Hoop op God, sla’t oog naar boven,

Want ik zal Zijn Naam nog loven.”

„Maar de Heer’ zal uitkomst geven,

Hij, Die’s daags Zijn gunst gebiedt;

’k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied.

’k Zal Zijn lof zelfs in de nacht

Zingen, daar ik Hem verwacht;

En mijn hart, wat mij moog’ treffen,

Tot de God mijns levens heffen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

Bewaar het pand | 6 Pagina's

„TOEN KWAM DE HEERE EN STELDE ZICH DAAR”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1979

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken