Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS Les 50

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE DORDTSE LEERREGELS Les 50

8 minuten leestijd

HOOFDSTUK HI/IV.

Artikel 10.

We lezen:

„Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn, (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfde in de tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijk van Zijn Zoon overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische schriften telkens getuigen.”

Dit artikel vormt duidelijk de tegenstelling met het vorig artikel negen.

Het zaad des Evangelies is gezaaid op de akker, maar al het zaad brengt niet de gewenste vrucht voort, zo hebben we vernomen in de vorige les.

Wat op de weg terechtkomt, eten de vogels op wat het natuurlijk zaad betreft. Wat onder doornen valt, verstikt en wat op de rotsachtige plaatsen valt, schiet wel even op, maar spoedig verdort het, omdat het geen diepte van aarde heeft.

We zouden kunnen opmerken: is dan de gehele oogst mislukt ? En alzo toegepast op de verkondiging van het Evangelie, ook eens de oogst der wereld ? Neen, nooit is de prediking van het Evangelie tevergeefs. Zij heeft immers tweeërlei uitwerking, òf als een reuk des doods ten dode òf als een reuk des levens ten leven !

Zal dit laatste het geval mogen zijn, dan is het zaad van Gods Woord gevallen in een weltoebereide aarde, zodat het door de Goddelijke wasdom 100-, 60- of 30-voudige vrucht voortbrengt.

En zo gaat het hier in dit tiende artikel ook over het vrucht-voortbrengende zaad van het Evangelie. We zeiden: door Goddelijke wasdom. Dat is door de krachtige toepassing van het Woord Gods door de Heilige Geest. En alzo is dat vruchtdragen van het Evangelie geen werk van de mens zélf, afhangend van zijn vrije wil. Want dat leerde Pelagius !

Ons artikel verklaart dit aldus.

Pelagius leerde, dat allen, die het Woord Gods horen éénzelfde en genoegzame genade ontvangen, zowel zij die Het door het geloof aannemen als zij, die Het verwerpen.

Die genade is genoeg om te komen tot het geloof en de bekering. Ten deze beslist de mens zèlf, want zijn wil is vrij, ook om het goede te willen, zich te bekeren.

Zo ligt het dus aan de mens zelf, of hij geloven wil en bekeerd wil worden. Pelagius en al zijn volgelingen doen hiervoor een beroep op de tekst van I Tim. 2 : 4: „God wil dat alle mensen zalig worden.”

Men zal zeggen: zo staat het er toch duidelijk ! Maar men onderscheidt dit Woord van God niet. Het gaat hier om Gods geopenbaarde wil, als dus ook om het brengen van Gods Woord aan alle rangen en standen der mensheid. De gezaligden komen immers uit alle geslachten, talen, volken en natiën !

In feite komt nu de Pelagiaansche leer hierop neer, dat God de mogelijkheden (namelijk als die éne genoegzame genade) tot zalig-worden heeft gegeven en dat de mens die kansen moet grijpen om te geloven en zalig te worden.

Zo wordt dus het geloven en zalig-worden helemaal in de handen van de MENS gelegd. Daarom is het zo zeer gevaarlijk om de tweeërlei roeping, de algemene en de bijzondere roeping niet zuiver te onderscheiden. De algemene alleen door het Woord en de bijzondere roeping door Gods Woord èn Geest, zoals onze vaderen dit deden. Nu is het echter niet zò bedoeld met deze onderscheiding, dat er naast de algemene roepstem van Gods Woord nog een apart Evangelie komt, dat door de Heilige Geest wordt toegepast. Het is één Evangelie, waardoor God zondaren roept en nog wel èrnstig roept, zoals artikel VIII zegt.

De onderscheiding ligt dus hierin, dat de BIJZONDERE roeping is: de KRACHTDADIGE, ONWEDERSTANDELIJKE werking van de Heilige Geest, waardoor Hij het Woord des Heeren toepast aan het hart.

Ons artikel schrijft: „met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk van Zijn Zoon overbrengt.” (Over de verhoudingen tussen geloof en wedergeboorte en bekering D.V. later bij de behandeling over artikel 11 en 12).

We dienen er thans wel op te letten, dat toch het „genade-begrip” zuiver worde gesteld, juist in verband met de hedendaagse theologische beschouwingen erover, waarbij de oude Pelagiaansche dwalingen als schier onmerkbaar worden ingedragen ! Maar ook veelal praktisch in het godsdienstig leven.

Ach, wat wordt het principiële verschil gaandeweg verdonkerd tussen wat de Schrift aangeeft als ALGEMENE genade en BIJZONDERE genade. Dat komt o.i. door het feit, dat velen een uiterlijke verstandelijke kennis van Gods Woord houden voor ware geestelijke, zaligmakende kennis, zoals dit ook geldt van het geloven. Paulus zei tot Agrippa: „Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten ? Ik weet, dat gij ze gelooft.” En Agrippa miste toch het „oprechte” geloof.

En om de kring wat kleiner te zien, denken we hierbij aan hen; die op z.g.n. „voorkomende” of „invallende” waarheden hun zalig-worden bouwen.

Ook zijn de voorbeelden als van Orpa en Demas altijd weer ingrijpend. Zij werden toch ook geroepen, maar misten „het komen en bekeerd worden”, „het begiftigd worden met geloof en bekering”, waarvan ons artikel spreekt. Zeker, de eis des geloofs laat Gods Woord duidelijk horen als het noodzakelijk middel tot zaligheid. Immers: „Zonder geloof is het onmogelijk, God te behagen”, zo lezen we in Hebreën 11:6.

Maar de Heere bedoelt daarmede toch niet, dat het aan de mens zelf ligt om te geloven. Lezen we niet in Efeze 2 : 8 en 9:

„Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” „Geloven” is dan ook niet „het grijpen van de kansen”, hoe groot en ruim de aanbieding van het Evangelie ook is.

„Uit genade !”

Dat is Gods souvereine, vrijmachtige genade, voortvloeiende uit en rustende op Gods eeuwige verkiezende liefde. „Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook krachtiglijk roept.” Zo lezen we in ons artikel.

„Krachtdadiglijk roept”. Dat is de onwederstandelijke roeping van de Heilige Geest. „En die wil, neme het water des levens om niet”. Zo staat er in Openb. 22 : 17b.

Dus toch: die wil, door de Heilige Geest in Zijn wederbarend werk omgebogen. Zo maakt Hij onwilligen...............gewillig !

„Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht.” Psalm 110 : 3a.

Wanneer zo de Heilige Geest met geloof en bekering begiftigt, worden zondaren „uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk van Zijn Zoon overgebracht.” Zij worden „uit de duisternis geroepen tot Zijn wonderbaar licht”. Aldus lezen we.

Ja, zo mogen we straks D.V. weer herdenken, wat Zacharias bezong in zijn lofzang:

„Met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Om te verschijnen degenen, die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijn; om onze voeten te richten op de weg des vredes.” (Lukas 1 : 78b en 79.)

Lezer(es) kent u die onmisbare en heerlijke gave van het zaligmakend geloof ? Iets van die noodzakelijke en rijke verlossing uit de macht der duisternis ? Het is een beeld van verlossing uit een gevangenis, zoals dat oudtijds plaats had. Kuilen met modder en slijk werden als gevangenissen gebruikt.Men zonk daarin weg, ja, al dieper als met doodsangst vervuld.

Dat zijn zij, die in geestelijk opzicht „met vreze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren.” (Hebr. 2 : 15).

O, smeek om die krachtdadige werking en roeping van de Heilige Geest, ja, dat het zò nog eens in de weg van ontdekking waarlijk „kerstfeest” mag worden !

Voor het eerst of bij vernieuwing. En waartoe ? Wel, wat ons artikel aangeeft:

„Opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij r niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische schriften telkens getuigen.”

Ja, want in de weg van Christus’ vernedering tot de dood des kruises zijn al Gods geschonden deugden heerlijk opgeluisterd ! Nu kan een volk zalig worden „uit genade”,verheerlijkt in recht !

Zo mag de Kerk ook zingen:


„Door al Uw deugden aangespoord,
Hebt Gij Uw Woord en trouw verheven.”


En daarom: „Die roemt, roeme in de Heere !”

Dr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1980

Bewaar het pand | 4 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS Les 50

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1980

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken