Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS Les 53.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE DORDTSE LEERREGELS Les 53.

7 minuten leestijd

HOOFDSTUK III/IV.

Artikel 11 (slot).

We willen nu nog stilstaan bij de DERDE weldaad in de waarachtige bekering des mensen, namelijk: DE VERNIEUWING VAN DE WIL en van het wilsleven.

Is het „verstand” van de mens verduisterd, het „hart” gesloten en onbesneden, zo is de WIL „dood” en „boos”, zo zegt artikel XI. „Dood”. Ja, dat is begrepen in hetgeen de apostel schrijft in Efeze 2:1b: „Daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.”

Daarom moet onze wil levend gemaakt worden.

De Heilige Geest neemt, met eerbied gezegd, de oude wil niet weg en geeft in de plaats daarvan een „nieuwe”, maar Hij stort „nieuwe hoedanigheden” in de verdorven wil, zoals we lezen in het artikel XI.

En dat schrijven de Dordtse vaderen tegenover de leer der Remonstranten. Want in de „verwerping der dwalingen”, artikel VI, leren zij: „Dat in de ware bekering des mensen geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven, in de wil door God kunnen ingestort worden.”

Zij leren, dat de genade en de wil samenwerken en dat de wil werkt vóór de genade. De genade is dan een „meehelpen van God”. (Artikel IX der „dwalingen”).

Wat strijdt zulks geheel tegen Gods Woord. Lezen we niet in Romeinen 9 : 16: „Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods.” En in Filipp. 2 : 13: „Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

Nu zou men hier kunnen opmerken, dat de Heere toch duidelijk zegt in Openb. 22 : 17b: „En die wil, neme het water des levens om niet”.

Maar wanneer de Heere hiermee zou bedoeld hebben, dat de wil van de mens nu nog „vrij” is, namelijk nu ook nog tot het doen van het goede, dan zou dat toch geheel strijden tegen Zijn eigen Woord op andere plaatsen, waarvan wij genoemd hebben uit Rom. 9 en Filipp. 2. Zo ook tegen Psalm 110 : 3a: „Uw volk zal zeer gewillig zijn, op de dag Uwer heirkracht.”

En heeft Christus Zelf ook niet duidelijk gezegd tot de Joden in verband met de genezing van de 38-jarige zieke man bij het badwater van Bethesda: „En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

Ja, zo is onze wil van nature boos en zo wederstrevig. We zijn gelijk een kind, dat niet wil. Het schopt en het slaat tegen hetgeen ouders willen, dat het zal doen of niet zal doen.

Heeft Stefanus niet tot de Joodse raad gezegd: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart, gij wederstaat altijd de Heilige Geest, gelijk uwe vaderen alzo ook gij !”

O, wat zal dat erg zijn, wanneer eens de Heere zal zeggen tot hen, die in hun onbekeerdheid hebben geleefd: „En gijlieden hebt niet gewild !” Veelal wil men zijn schuld wel eens trachten te verbergen achter z’n ONMACHT. Dan is ’t: „Ik kan mij niet bekeren !”

Dit is zeer zeker waar. Dat leert de Bijbel duidelijk. De Heere zegt in Jeremia 13 : 23: „Zal ook een Moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken ? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.”

Maar anderzijds wijst Gods Woord ook heel duidelijk op het gebruik der middelen. „Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.” (Jes. 55 : 6).

„Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. (Rom. 10 : 17). Ja, dan moge het „niet kunnen” uitdrijven tot de bede: „Heere, bekeer GIJ mij, dan zal ik bekeerd zijn.”

Dat men het bedenke, dat de Heere straks niet zal zeggen: „En gijlieden hebt niet gekund”, maar: „Gijlieden hebt niet GEWILD !”

Beide zaken: niet te hebben gekund en niet te hebben gewild, zullen onze schuld voor God moeten worden.

Onze wil is van nature „dood”, zo merkten we reeds op.

Nu wil dat niet zeggen, dat de mens in zijn doodstaat gelijk is aan „een stok en een blok”. Ook niet zijn boze wil.

De apostel tekent de doodstaat van de mens in Efeze 2 : 2 als een „wandelen” daarin. We lezen daar:

„In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht der lucht, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil des vleses en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.” (Efeze 2 : 2 en 3).

We hebben het voorbeeld van een tegenstribbelend kind gebruikt. O, wat is de mens van nature ! Welk een tegenstand biedt hij, wanneer de Heere hem vriendelijk nodigt en bidt ! Ontroerend zegt de Heere van Jacob’s huis in Jes. 48 : 4:

„Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw hoofd koper.”

Welnu, daarom is het zo zeer noodzakelijk, dat onze „wil” levendgemaakt wordt, zoals ons artikel IX aangeeft.

We lezen: „In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt, dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt.”

Dat alles bewerkt de Heilge Geest. Vijanden van God worden vrienden, weerspannigen worden als een lam. Zij leren:


„Leer mij naar Uw wil te hand’len,
’k Zal dan in Uw Waarheid wand’len;
Neig mijn hart en voeg het saâm
Tot de vrees van Uwe Naam !”


Is zo de afkerige en boze wil bij u, lezer(es), gewillig en gehoorzaam geworden ? Kent u ’t:


„Mijn hart, o Hemelmajesteit,
Is tot Uw dienst en lof bereid.”


Dat zo „de dag van God’s heirkracht” moge aanbreken in ons leven.

„Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ?” Dan worden we bearbeid „tot de gehoorzaamheid des geloofs”, waarvan de apostel schrijft in Rom. 16 : 26.

Wat een last is voor de natuurlijke mens, wordt dan een lust, namelijk om de Heere te vrezen als „’t allerhoogst en eeuwig Goed.” Dan wordt het: „Henen uit” tot de afgoden. Dezulken worden „dwazen” in het oog van de „wereld” en van de „vrome uitwendige godsdienst”, die het zo maar voor het pakken heeft. Ja, de remonstrant is nog niet uitgestorven in dit opzicht.

O, zeker ! De aanbieding van het heil door het Evangelie moet ruim geschieden, maar mag toch niet zonder meer bevatten „een zo maar lichtvaardig aannemen” van de boodschap van het Evangelie, zoals helaas maar al te veel geschiedt vanaf kansels en katheders ! Zeer duidelijk zal ook het ZALIGMAKEND WERK van de Heilige Geest moeten verklaard worden uit de Schrift, ook ten opzichte van „levendmaking” van de zondaar, dus ook van zijn „wil”.

Leert Gods kind zich na ontvangen genade nooit meer als een „wederspannige” kennen ? O ja! En dàt zal hem of haar juist doen nodig hebben en doen vragen om de genade der „verzoening” !

Maar dan mag het ook door het geloof ervaren:


„Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.”


En wat is ’t rijk vertroostend voor een volk, dat zijn wederspannigheid betreurt en belijdt, dat Christus „gaven heeft genomen om uit te delen onder de mensen.........

ja ook de WEDERHORIGEN, om bij U te wonen, o Heere God !” (Psalm 68 : 19 onber.)

Dr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981

Bewaar het pand | 6 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS Les 53.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken