Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De orde des heils 4

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De orde des heils 4

De bekering

6 minuten leestijd

Wortel en vrucht

De derde weldaad van de orde des heils is de bekering.

Ten opzichte van de wedergeboorte ligt hier de verhouding van wortel en vrucht.

De wedergeboorte is de wortel, de bekering is de vrucht.

Zo noemen wij de bekering: de uiterlijke verandering des zondaars als vrucht van zijn innerlijke vernieuwing!

Buiten de innerlijke vernieuwing is er geen waarachtige bekering. Alleen schijnbekering is dan mogelijk.

Voorbeelden geeft de Schrift daarvan in de koningen Farao en Achab. Farao beleed zijn zonde, Achab scheurde zijn kleed. Beide koningen kwamen in de vernedering voor God, daar kwam een uiterlijke verandering, maar er was geen innerlijke vernieuwing. Zo spreekt men wel over: een „ziekbed-bekering”, een „gevangenis-bekering”, een bekering van „de zonde tot de deugd”. Allemaal bekeringen, die niet uit de wedergeboorte, maar uit bepaalde omstandigheden opkomen en met ’t veranderen van de omstandigheden ook weer verdwijnen.

Bij elke waarachtige bekering gaat het om de levende wortel, de wedergeboorte! Wordt deze levende wortel in het hart gevonden, dan kenmerkt dat leven zich door „beweging”, openbaring van dat leven!

Daar komt beweging der ziel in geestelijke werkzaamheden voor Gods troon. Beleving van wat het zeggen wil zondaar te zijn voor God, God te missen en Hem niet te kunnen missen. De Schrift spreekt in dit verband over een droefheid naar God en onze belijdenis spreekt over een hartelijk leedwezen, dat wij God, door onze zonden vertoornd hebben.

Daar komt openbaring van dat leven, niet alleen in de binnenkamer, maar ook buiten de binnenkamer. Daar komt een ander leven, een haten en vlieden van de zonde en een hartelijke lust en liefde om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te gaan leven! Daar komt lust tot heiligmaking, met een hartelijk begeren naar de beleving van de rechtvaardigmaking. Zo is de waarachtige bekering één grote worsteling om in Christus te komen tot verzoening met God, om als vrucht van vrije genade in handel en wandel in heiligmaking te leven tot eer en verheerlijking Gods.

Moment of proces

Houden wij bovenstaande voor ogen, dan zullen wij verstaan dat de waarachtige bekering geen kwestie is van het moment, maar veel meer een proces is te noemen. Een proces, dat heel het leven doorgaat tot aan de stervenssnik toe. Zo wordt wel gesproken over een dagelijkse bekering. Zo verstaan wij ook het woord tot Petrus gezegd: „Wanneer gij eens bekeerd zult zijn”. Petrus was bekeerd, maar moest elke dag weer bekeerd worden!

Het moment van de bekering kan niet altijd met zekerheid worden genoemd. Dag en uur van de bekering kan ieder niet aangeven. De Schrift legt daar de nadruk ook niet op. Zo weten wij wel, dat Abraham bekeerd was, Izak, Jacoo, David, Jesaja, Jeremia .... maar het moment, de wijze waarop deze bekering plaats vond valt moeilijk aan te geven.

’t Gaat ook niet om het moment of de wijze waarop, maar ’t gaat wel om het wezen van de waarachtige bekering!

Dat wezen van de bekering tekent Schrift en belijdenis ons als een proces!

De catechismus tekent dit proces als een afsterven van de oude mens en een opstanding van de nieuwe mens!

De oude mens moet sterven!

Hij krijgt bij de instorting van het nieuwe leven een dodelijke injectie en die dodelijke injectie veroorzaakt voor de oude mens een procesmatig sterven! De Schrift spreekt over een „met Christus gekruisigd worden”.

De nieuwe mens moet leven.

’t Leven uit Christus moet tot volle openbaring worden gebracht, zodat in de weg van afsterving en opstanding beleefd zal worden: „ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij”.

Dit wezenselement van de bekering is voor ieder gelijk!

Voor jongeren en ouderen, voor een wettische, en evangelische bekering, voor een Paulus- en een Timotheus-bekering!

’t Kan zijn, dat de bekering staat onder de beheersing van de veroordelende kracht der wet of dat de bekering plaats vindt onder zeer bijzondere schokkende omstandigheden.

’t Kan ook zijn, dat de bekering meer staat onder de beheersing van het liefelijk geklank des Evangelies en zeer geleidelijk tot openbaring komt van de dagen der jeugd af.

Hoe het ook zij, dit wezensmerk van de waarachtige bekering is voor ieder gelijk en komt op uit de verbrijzeling van het eigen Ik en in het gelovig toevlucht nemen tot Hem, die gezegd heeft: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen”.

Eis en belofte

Het moet ons duidelijk zijn, dat de Schrift steeds tot ons komt met de eis der bekering! Bekeert u, bekeert u!

Dit woord staat wel honderd maal in de Schrift aangetekend!

Is de bekering dan een werk van de mens? Is de mens dan niet onwillig en onmachtig? Wij antwoorden hierop: de Schrift spreekt terdege over de onwil en onmacht van de mens in het stuk van zijn bekering. In donkere, sombere kleuren worden deze twee loten uit de éne wortel van onze geestelijke doodstaat steeds voorgesteld. De Schrift spreekt zelfs van onze vijandschap! Anderzijds spreekt de Schrift toch duidelijk over de eis: bekeert u!

Hoe kan dat nu?

Deze eis moeten wij leren zien in het licht van het werkverbond en in het licht van het genadeverbond!

Het werkverbond predikt ons Gods scheppingsrecht!

God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen en daarom kan en mag God van de mens eisen, wat hij door eigen schuld niet meer doen kan.

Het genadeverbond predikt ons Gods ge- naderecht!

God heeft de mens, de gevallen mens, willen stellen in de sfeer van Zijn verbond, van het verbond der genade, en in die sfeer van het verbond geldt: „Al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij ’t smeekt, mild en overvloedig”.

In de sferen van dat verbond zijn Gods eisen tevens beloften!

Beleving van het gebroken werkverbond en beleving van het door God opgerichte genadeverbond moet ons alzo brengen op de knieën voor God met de bede: „Heere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn”. Iemand heeft eens gezegd: „Nog nooit heb ik zoveel om bekering gebeden als toen de Heere bezig was de bekering in mijn hart en leven uit te werken”.

Van Augustinus is bekend, dat hij uit kracht van zijn godsdienstige opvoeding, door Moeder Monica gegeven, altijd bad: Heere, bekeer mij, maar .... zo voegde hij er aan toe, vandaag nog maar niet! Toen God Augustinus op later leeftijd bekeerde, heeft hij over dat laatste deel van zijn gebed bitter geweend en heeft het uitgeroepen en zijn woord klinkt door, ook tot ons: Nooit, nooit is iemand te vroeg, maar altijd veel te laat bekeerd!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De orde des heils 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken