Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De prediking van Ds. H. de Cock 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De prediking van Ds. H. de Cock 1.

7 minuten leestijd

Alvorens iets te gaan schrijven over de prediking van Ds. H. de Cock zouden wij eerst iets willen schrijven over de toestand en de prediking in de Nederlandse Hervormde Kerk voor en tijdens het jaar 1834. De synode van Dordrecht gehouden in de jaren 1618 en 1619 heeft grote invloed uitgeoefend op het geheel van de kerk. Deze synode moest oordelen over gerezen verschillen in de leer. De formulieren der Kerk, de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus werden door haar onveranderd aangenomen en enige stukken der leer, waarover toen de strijd was ontstaan, nader verklaard in de Dordtse leerregels. Er werd ook een ondertekeningsformulier opgesteld voor leraren (predikanten) waarin de volgende zinsnede voorkwam: “dat de leraars verplicht zouden zijn, de formulieren der geref. Kerk, mitsgaders de verklaring over eenige punten der voorzeide leer in de Nationale Synode, Anno 1619 gedaan, te onderteekenen, als in alles met Gods Woord over een te komen en derhalve te beloven, dat zij de voorzeide leer naarstiglijk zouden leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder iets tegen dezelve leer, hetzij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven.”

Tot 1816 werd er geen synode gehouden zodat tot die tijd alle leraren bovengenoemd ondertekeningsformulier kregen voorgelegd en door hen getekend werd. Die ondertekening waarborgde echter niet dat er geen verbastering optrad in leer en zeden. Mr. Groen van Prinsterer schrijft terecht in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland “Rechtzinnigheid was bij een groot deel ook der leeraars van kracht en leven beroofd. De leer van genade en zaligheid was bij hun eene verzameling van wel gerangschikte begrippen, eigendom van het verstand, waaraan het hart geen deel had, dor geraamte, door geen levensgeesten bezield. Het getal van oprechte en nauwgezette belijders van het Evangelie, in woord en wandel, werd gering.” Er was veelal een toestemmen met het verstand, zonder een beleven met het hart. Door terzijdestelling van het Woord Gods werd Nederland vatbaar voor het overal indringend gif der ongeloofs theorieën.

In 1816 werd er door koning Willem I een vergadering bijeengeroepen, die synode werd genoemd. Toen werd het formulier ter ondertekening voor de leraren veranderd. De zinsnede uit 1618/1619 “dat al de artikelen en stukken der leere in de Belijdenis en Catechismus der Gereformeerde Nederlandsche kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over eenige punten der voorzeide leer, in de Nationale Synode 1619 tot Dordrecht gedaan, in alles met Gods Woord overeenkomen”, werd gewijzigd in: “dat wij de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene formulieren der eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk is vervat, ter goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven.”

Deze verandering had schrikwekkende gevolgen. De in 1816 aangenomen formulering opende de deur voor leervrijheid. Want er staat niet dat de formulieren onzer Kerk overeenkomstig Gods Woord zijn, maar er staat dat men DIE leer gelooft, welke overeenkomstig Gods Woord in de formulieren onzer Kerk vervat is. De ondertekening vindt dus niet plaats omdat men erkent dat de formulieren in overeenstemming zijn met Gods Woord, maar voor zo ver zij met Gods Woord overeenkomen. Ondertekening betekende dus niet een aanvaarden van het geheel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels, maar slechts een aanvaarden van de formulieren voor zo ver zij met Gods Woord overeenkomen. Ieder kon dus zelf bepalen wat hij al of niet aanvaardde uit de formulieren en predikte.

Opmerkelijk is dat in 1816 de Dordtse Leerregels in het geheel niet genoemd worden. Blijkt hieruit niet de ontrouw aan en de ondermijning van de leer der vaderen? De Dordtse Leerregels waren stil ter zijde geschoven.

Om een indruk te geven van wat allemaal mogelijk was geworden in de kerk wijzen wij u op een boek dat in 1816 verscheen dat heette: “Christendom en Hervorming vergeleken met den protestantschen kerkstaat bijzonder in de Nederlanden.” Daarin staat ondermeer: “blijf weg met uwe leer van drieëenheid.”

De belijdenisgeschriften der kerk worden genoemd: “allerellendigste formulieren.” De Catechismus wordt betiteld als “een oud schoolboek hetwelk zich noch door stijl noch door inhoud meer aanbeveelt.” De schrijver smeekt de koning toch “de Dordtsche kluisters te verbreken.” Er verschenen meer van dit soort werken. We denken aan een geschrift van Ds. Brouwer van Maassluis “Bijbelleer aangaande den persoon van Christus”, waarin de Christus verloochend wordt, door iemand beschreven als “dat Maassluische brouwsel, dat zoo een bedorven smaak en zulk een verstikkende kracht heeft, dat een iegelijk, die daarvan drinkt, zeker daaraan omkomt.”

Typerend is dat men in 1817 wel de Hervorming herdacht, maar dat men van synodewege in 1819 niets wilde weten van een herdenking van de Synode van Dordrecht. Een eeuw eerder werden er nog herdenkingen gehouden van de synode van Dordrecht. Maar in 1819 had de grote massa van de Ned. Herv. Kerk een afkeer van de Dordtse Leerregels. Evenwel verschenen er twee preken van Ds. N. Schotsman te Leiden als een gedenkbundel. Het bundeltje heette “Eerezuil ter nagedachtenis van de voor twee honderd jaren te Dordrecht gehouden Nationale Synode, opgericht door Nicolaas Schotsman.” Er kwam een stroom van kritiek tegen dit geschriftje los. Men sprak zijn afkeer uit van de strenge Dordtse Leerregels met hun strakke verkiezings- en verwerpingsleer.

In prediking en geschriften werd de Godheid van Christus geloochend. Men gaf blijk van kritiek op Gods Woord en de belijdenisgeschriften. Met name de Dordtse Leerregels moesten het ontgelden. De deur naar leervrijheid was in 1816 opengezet. Wat eerst niet toegestaan was kreeg een wettige plaats. De reine predikatie des Evangelies werd niet meer verplichtend gesteld. Een zeer ernstige zaak, want de reine predikatie des Evangelies is volgens art. 29 van de Ned. Gel. bel. één van de kenmerken van de ware Kerk. Er werd dan ook terecht in die dagen geschreven: “Aldus zijn de banden gebroken en onze Hervormde Kerk is onze Hervormde Kerk niet meer!”

De kennis van de Geref. leer ging meer en meer verloren. Slechts van weinige kansels werd de waarheid nog onverkort gepredikt. De meeste predikers spraken de waarheid tegen. Talrijker en driester werden de aanvallen op de Geref. leer en haar belijders. De geref. leer kon alleen in prediking en geschriften verdedigd worden, want de kerkelijke tucht kon niet meer worden aangewend. In 1834 was de toestand zo dat de leer der Geref. kerk door verreweg de meeste predikers werd bestreden, terwijl de prediking van de Geref. leer werd geduld. De voorstanders en belijders van de Geref. leer (de leer der vaderen) werden aan allerlei smaad en verguizing blootgesteld.

Wij willen nog een enkele opmerking maken. Wat eerst ondergronds en onwettig plaatsvond werd in 1816 gewettigd. Eerst was er immers leervrijheid tegen de geldende ondertekening in, later werd de deur voor leervrijheid opengezet. Zo is er altijd, ook in onze dagen, waakzaamheid nodig tegen het heimenjk en indirekt leren van onjuiste voorstellingen. De verwording vindt eerst min of meer in het verborgene plaats om later al meer openlijk aan het daglicht te treden. Laten we deze les der geschiedenis ter harte mogen nemen. We zeggen het met droefheid en smart dat er ook in onze kerken verontrustende tendenzen in de prediking zijn op te merken.

Voor ditmaal willen we besluiten met op te merken dat er in het verleden alsook in het heden juist kritiek gemaakt wordt op de Dordtse Leerregels. Die zijn blijkbaar steeds opnieuw een steen des aanstoots. Er zijn ten deze zeer verontrustende publikaties van de zijde van de Nederlands Gereformeerden geweest. Een felle aanval is gericht op de klassiek gereformeerde leer der uitverkiezing. In die kringen is geschreven: “Het is een onbijbelse leer dat God van voor de schepping een deel van het toekomstige menselijk geslacht voor eeuwig verdoemd zou hebben. Ze is nergens in de Bijbel terug te vinden.” Het behoeft dachten wij geen nader betoog dat wij met zulk een kerk waarin predikanten zulke standpunten huldigen geen eenwording dienen te zoeken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De prediking van Ds. H. de Cock 1.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken