Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Boekbespreking

Uitgeverij T. Wever b.v. - Franeker

7 minuten leestijd

Uitgeverij T. Wever b.v. - Franeker

Het lege testament door Piet van der Ploeg. De ondertitel luidt: Een onderzoek onder jonge kerkverlaters.

De schrijver zegt in een inleiding: Dit onderzoek is een poging om in kaart te brengen waarom jongeren zich van de kerk afkeren en hoe zij stonden en staan tegenover kerk en geloven. Zestien (voormalig) gereformeerde jongere kerkverlaters worden uitgebreid aan het woord gelaten. Hun verhalen van vroeger en nu vormen de basis van dit godsdienstsociologisch onderzoek.

Van der Ploeg heeft dit onderzoek verricht in het kader van een hoofdvakstudie godsdienstsociologie. Het diende als basis voor de vervaardiging van een doktoraalskriptie. Hij heeft zestien jonge kerkverlaters van de Gereformeerde Kerk te Groningen geïnterviewd. De interviews staan in het boek.

Van der Ploeg heeft de gegevens die hij zo verkregen heeft verwerkt. We willen iets uit zijn conclusies weergeven, omdat deze ons veel hebben te zeggen.

We lezen op blz. 147/8: Hoezo “kerkverlaters”?

Vervreemding van de kerk is dus gevolg en uitdrukking van socialisering in een sekula-riserende samenleving, wanneer afgegaan wordt op de interviews met de zestien jongere kerkverlaters.

Een belangrijke konstatering was dat de sekularisatie niet pas een oorzakelijke rol begon te spelen tijdens de sekundaire socialisering, bijvoorbeeld na het uit-huis-gaan. Al tijdens de opvoeding stelde de sekularisatie een oorzakelijke rol.

Thuis was de inleiding in de “gereformeerde werkelijkheid” - op zijn zachts gezegd - niet optimaal geweest, en de aanvaarding van de “gereformeerde” betekenissen, normen en waarden was over het algemeen oppervlakkig en/of smal van aard. Deze konstatering wat betreft de opvoeding en primaire socialisering , wijst er op dat de meeste jongeren zich de “gereformeerde” werkelijkheid niet voldoende of nauwelijks eigen gemaakt hadden thuis. Verklaring hiervoor is de sekula-risatie. En dan niet de sekularisatie in de zin van de “de grote stad”, “de televisie”, “de slechte vrienden” of “de goddeloze studie”, dergelijke zondebokken hebben gereformeerde en met name verontruste ouders vaak wel paraat. Wij bedoelen hier met sekularisatie iets anders: hier gaat het om de sekularisatie binnen de “gereformeerde” wereld zelf. Aan de buitenkant te zien groeiden de jongeren op in een “gereformeerde” sfeer: een, naar de bedoeling, “gereformeerde” opvoeding, regelmatig naar de kerk, regelmatig bidden en bij bellezen, ingeschreven in de kerkelijke kaartenbakken enz. Maar wat stelde dat “gereformeerde” voor? Vaak niet zo veel, blijkbaar.

Laten we dit binnen-kerkeliike sekularisatie noemen. Sekularisatie houdt, zoals in par. 1, 3,2 gesteld, niet alleen in dat godsdienst voor steeds minder mensen relevant is, maar ook dat godsdienst voor steeds meer godsdienstige mensen minder relevant is. Sekularisatie houdt dus ook niet alleen in dat steeds minder mensen “gereformeerd” zijn, maar eveneens dat steeds meer “gereformeerden” minder “gereformeerd” zijn. Dit laatste, nu, is binnen-kerkelijke sekularisatie. De binnen-kerkelijke sekularisatie laat de kerkmuren staan, houdt de kaartenbakken gevuld, laat gebruiken als regelmatig bijbellezen en bidden en elke zondag ter kerke voortleven, laat de benaming “gereformeerd” voortbestaan, laaf het uiterlijke, laat de verpakking intakt. Het is alleen de inhoud die slinkt en krimpt: in steeds minder bereiken van leven en samenleven zij n de “gereformeerde” betekenissen, normen en waarden nog relevant en geldig.

Van de jongere kerkverlaters kan gezegd worden dat ze weliswaar binnen een “gereformeerde” sfeer zijn gesocialiseerd thuis, maar dat het veelal een gesekulariseerd “gereformeerde” sfeer was. Dit verklaart het gegeven dat zij zich de “gereformeerde” werkelijkheid niet voldoende of nauwelijks eigen gemaakt hadden.

Tijdens de sekundaire socialiseringen speelde het andere aspekt van de sekularisatie de oorspronkelijke rol. De afnemende invloed van de ouders, de andere sociale omgeving, de studie of het werk, de (nieuwe) vrienden en kennissen enzovoort, dit soort zaken droegen er toe bij dat de inleiding in de “gereformeerde” werkelij kheid, voorzover die plaatsgevonden had, weer ongedaan gemaakt werd. Gezien de kwaliteit en de kwantiteit van die inleiding was er ook niet veel voor nodig om haar weer ongedaan te maken.

Het geheel overziend dringt de vraag op of de term “kerkverlating”, net als “vervreemding”, geen vertekend beeld schept. Immers “kerkverlating” suggereert een overgang van binnen naar Duiten, terwijl gekonstateerd kan worden dat er veelal nauwelijks sprake is van zo’n overgang. De “gereformeerde” sfeer was veelal een gesekulariseerd “gereformeerde” sfeer. Het verlaten daar van is niet zo veel meer dan het afschaffen van uiterlijkheden, het wegwerpen van de verpakking. Het opzeggen van net formele lidmaatschap van de kerk is dan niets meer dan het weggooien van het laatste restje verpakking. Het gemak waarmee de jongere kerkverlaters dat deden, hun onverschilligheid, is hiervoor ook een duidelijke aanwijzing.

De term “kerkverlating” houdt de voorstelling in stand dat er een overgang zou plaatsvinden van binnen het “gereformeerde” naar buiten. Deze voorstelling van zaken ontkent of verbloemt de binnen-kerkelijke sekularisatie , die de scheiding tussen het “gereformeerde” en wat daar buiten is diffuus maakt en steeds verder opheft.

In het verlengde hiervan kan gesteld worden dat de meeste jongere kerkverlaters geen kerkverlaters zijn. Ze hebben weliswaar een formeel lidmaatschap opgezegd, maar zij hebben niets verlaten.

Op blz. 186/7 lezen we: A-religieus. Het tweede deel van de analyse van de verhalen van de jongere kerkverlaters moest antwoord geven op de vraag: Geloven de jongere kerkverlaters (nog) en zo ja: hoe? Deze vraag bleek niet eenduidig beantwoord te kunnen worden omdat “geloven” een begrip is dat voor velerlei uitleg vatbaar is. Het enige dat duidelijk werd in eerste instantie, was dat op een traditionele manier in God geloven in geen enkel geval voorkomt.

Vervolgens werd de vraag anders geformuleerd: Zijn de jongere kerkverlaters (nog) religieus en zo ja: hoe? Met behulp van moderne godsdienstsociologische inzichten is deze vraag verhelderd en toegespitst, hetgeen uitmondt in twee vragen: ten eerste of voor de jongere kerkverlaters een andere werkelijkheid - een boven-menselijke en boven-natuurlijke werkelijkheid - een rol speelt; ten tweede welke vormen van zingeving voor de jongere kerkverlaters een rol spelen.

Wat die eerste vraag betreft is het volgende antwoord gevonden. Het bestaan van een andere werkelijkheid wordt door de ene helft van de kerkverlaters uitgesloten. Door de andere helft wordt dat niet uitgesloten, maar voorstellingen van wat die andere werkelijkheid dan inhoudt heeft men niet, en de rol die die andere werkelijkheid speelt in het leven en samenleven is nihil of hooguit marginaal. Er is slechts één uitzondering: één kerkverlaatster heeft wel een min of meer duidelijke voorstelling van de andere werkelijkheid en voor haar speelt dat een niet onbelangrijke rol in het leven.

Wat die tweede vraag betreft is het volgende antwoord gevonden. Vragen aangaande de zin van het leven en samenleven, het doel en de waarde er van, vragen aangaande de dood en dergelijke, kortom: zin- of bestaans-of uiteindelijke vragen, zijn vragen waar de jongere kerkverlaters zich niet druk om maken. Het houdt hen niet of nauwelijks bezig. De waarde en betekenis van het bestaan ontleent men over het algemeen aan het hier-en-nu-en-ik-en-wij zelve.

Konklusie is dat religie - of het nu opgevat wordt als werkelijkheidsopvatting waarin verwezen wordt naar een andere werkelijkheid óf dat het opgevat wordt als het zingevende- in het bestaan van de jongere kerkverlaters geen of hooguit een zeer geringe plaats inneemt. Ze zijn betrekkelijk a-religi-eus.

Wanneer de terminologisch gebrekkig gebleken vraagstelling weer opgepakt wordt waar deel II van de analyse mee ingezet is, kan gesteld worden: de jongere kerkverlaters geloven niet of nauwelijks. Wordt de nadruk gelegd op de irrelevantie van een andere werkelijkheid en van zinvragen, dan kan tegelijkertijd gesteld worden: de jongere kerkverlaters geloven het wel.

Wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken