Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rechtvaardig voor God

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rechtvaardig voor God

9 minuten leestijd

In onze Heidelbergse catechismus komen treffende vragen voór. Eén daarvan is de volgende: “hoe zijt gij rechtvaardig voor God?” Deze vraag heeft een historische en praktische achtergrond. Zo rond 31 oktober, de dag van de kerkhervoming, is het niet overbodig hier aandacht aan te besteden. Want in het algemeen kerkelijk leven kan dit zijn óf een achterhaalde vraag, óf een vraag die niet zo aan de orde behoeft te komen. Daar echter de vraag en ook het antwoord behoren tot het belijden van de kerk moeten beide gehonoreerd worden. En waar heel bijzonder aan dient gedacht te worden, want beide zijn schriftuurlijk. God Woord verkondigt het ons. Wat nu het historisch gegeven van de vraag betreft. De bijbelse verkondiging van de rechtvaardiging des zondaars voor God in Christus door het geloof kwam in de prediking niet aan de orde. De prediking was door het geestelijk klimaat van de middeleeuwen sterk moralistisch. De hoofd-nadruk viel op wat de mens moest doen in de vorm van goede werken. Dat doen van de mens was beslissend voor de dood, oordeel en hel. In afschrikwekkende beelden werden oordeel, hel en ook het vagevuur getekend. Hierdoor ontstond er grote angst onder de vele mensen. Die angst meenden mannen als Tetzel door hun aflaat handel te kunnen wegnemen. We kennen het steeds terugkerende refrein: “als het geld in het kistje klinkt, zieltje in de hemel springt”. Goede zaken werden door deze handel gedaan, maar de verwachte vrede bracht zij niet. Men werd niet rechtvaardig voor God. God de Heere gaf in die tijd de herontdekking van het evangelie. Bij die herontdekking gaf Hij de beleving. De geschriften der reformatoren spreken daarvan en bij velen na hen. Denk aan ons kostelijke leerboek de Heidelbergse catechismus. Daarin staat de schone, rijke, inhoudvolle zin “in Christus voor God rechtvaardig en zo een erfgenaam van het eeuwige leven”.

En dan als de vraag wordt gesteld: “hoe zijt ge rechtvaardig voor God?”, dan volgt een antwoord de moeite waard te overdenken. Rechtvaardig voor God door een oprecht geloof in Jezus Christus. Door niets anders rechtvaardig dan alleen door het geloof. Alles wat daarbuiten wordt aangegrepen of gezien wordt als grond valt weg. Is gelijk aan hooi en stoppelen. Komt het maar even met vuur in aanraking: het verdwijnt geheel. Het in zichzelf rechtvaardig voor God te zijn is ook geheel uitgesloten want niemand wordt rechtvaardig in Gods oog. Het komt op geloof aan. Op geloof alleen! Er staat immers geschreven: “zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen”. Nu spreekt de catechismus van een waar geloof. Er kan dus surrogaat zijn. Namaak geloof. Gelijk er doublé naast goud is.

Nu kan de vraag leven: “is mijn geloof wel echt?” Geen onbelangrijke vraag in het geestelijke leven. Een vraag echter, die men niet geregeld tegenkomt. Dit komt door een eenzijdige prediking en eenzijdig pastoraat. Nu geeft echter de Heidelberger op deze vraag een afdoend antwoord. Graag wil ik u dat antwoord doorgeven: “alzo dat al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomen genoegdoening gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem”. Uit dit antwoord, wat voluit bijbels is, blijkt ons dus dat het geloof zich ook openbaart in de taal van het geweten. De taal van zelfbeschuldiging en zelfmishaging, die we in het antwoord horen, wordt door geen schijnge-lovige uitgesproken. Hier spreekt het hart, dat een door Gods Geest geopend geweten heeft. Hier spreekt een mens, die gedaagd is geworden voor de vierschaar van het geweten. Men moet het hoofd buigen voor de drievoudige aanklacht. En dat geschiedt door het geloof. Het geloof gelooft de aanklacht, aanvaardt de aanklacht. Vandaar het belijden: “ik heb tegen al de geboden Gods gezondigd, zwaarlijk gezondigd, geen daarvan is gehouden en ik ben nog steeds tot alle boosheid geneigd. Ik sta schuldig, diep schuldig. “Ik heb tegen U, o Heere, zwaar en menigmaal misdreven“. Ik heb gedaan wat God de Heere verboden heeft en nagelaten wat Hij geboden heeft. En ik ben nog steeds, elk ogenblik, tot alle boosheid geneigd. En daarom dagelijks strafwaardig. Ik verdien de eeuwige straf. Dat belijdt het geloof. Voor de Heere en de mensen. Ditzelfde vinden we in zondag 33 als het gaat over de waarachtige bekering. Als eerste kenmerk van de bekering wordt gesteld: een hartelijk leedwezen, dat men God door zijn zonden vertoornd heeft. En in het avondmaalsformulier staat: “en een iegelijk bedenke zijn zonden en vervloeking”.

Maar het geloof gaat verder, mag verder gaan. Moet verder gaan. Wanneer het daartoe niet komt, dan is het geloof geen geloof. Immers het geloof kent het “nochtans”. De grond voor en van dit “nochtans” ligt niet in het schepsel, maar in het werk van Christus naar Gods eeuwig welbehagen. God de Heere doet een daad. Een souvereine daad. Een daad, waarvoor men eeuwig Hem zal loven en prijzen. God de Heere schenkt en rekent toe. Tegenover de drievoudige aanklacht, de drievoudige heilsdaad. Heil door Christus verworven door Zijn schuldbetalend en verzoenend lijden en sterven. Door Zijn leven vol van gerechtigheid en heiligheid. Door Zijn volkomen gehoorzaamheid. Hij heeft waargemaakt, wat Hij gesproken heeft: “Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen”. In alles heeft Hij des Vaders wil volbracht. Nu wordt Christus genoegdoening, Zijn gerechtigheid en heiligheid door God geschonken en toegerekend. Schenking en toerekening spreken van Gods hartelijke liefde. Van het “God door God bewogen” te zijn. Nergens heeft een zondaar recht op. Alleen op de eeuwige verwerping, maar nu door God de Heere beweldadigd. Uit louter genade. Zonder enige verdienste van de kant van de zondaar. Wat wordt dit laatste ook hartelijk beleden. Wie dit doet, wil God de Heere alleen kronen. Wil Christus alleen kronen. Het Soli Deo Gloria is dan geen leus, maar een levenslied. Tegen dat “zonder enige verdienste mijnerzijds” druist van nature heel het bestaan van de mens in. Het “nergens recht op hebben” kan staan in het leerboek, maar niet in het levensboek. Men wil ook niet geregistreerd staan als een goddeloze, als een doodschuldige. Men is immers een verbondskind. Men is rechtzinnig. Men is voor de oude waarheid. Men doet veel voor de naaste. En daarmee houdt men zich op de been. Men maakt dit alles tot grond. Men meent dat het een beweegoffer kan zijn voor Gods aangezicht. Door het ontdekkende licht van Gods Geest leert men zichzelf doemwaardig kennen voor God. Alle eigen dunk, alle eigen waarde gaat er aan. Men wordt zondaar voor de Heere en de mensen. Vleselijk, verkocht onder de zonde. Nergens te goed voor. Overal te slecht voor. En geen enkel uitzicht op verbetering. Levensverbetering is onbegonnen werk. Is totaal uitgesloten.

Schuldig, schuldig! Naar het rechtvaardig oordeel Gods de tijdelijke en eeuwige straf verdiend. Maar nu voor God rechtvaardig, omdat God rechtvaardigt. En God rechtvaardigt niet de besten en de braven, die eerst dit of dat gepresteerd hebben. Niet de beginselvasten, gereformeerd of rechtzinnig, verbonds-kinderen rijk en verrijkt en geendings gebrek, worden door God gerechtvaardigd maar goddelozen. Mensen, die zich op de borst slaan en bidden met de tollenaar: “o God, wees mij de zondaar genadig!” Wat wordt Christus dan ook groot en goed. Hij is immers de verdienende oorzaak van alles. Tegen Hem is de toorn Gods ontstoken. De last van die toorn heeft Hij gedragen. Hij werd afgesneden uit het land der levenden. God was vergramd op Hem. Hij werd van God verlaten. Van Hem eist de hemelse Rechter voldoening. Het vloekvonnis der wet en des doods werd over Hem uitgesproken en in Hem voltrokken. Door Hem werd aan Gods recht voldaan. Daardoor stilde de hitte van Gods toorn en gramschap. Door het geschonken geloof in Hem en door de geloofsvereniging met Hem is er vrede.

Vrede die alle verstand te boven gaat. Vrede met God. Ja, God de Heere Zelf laat zien en bemerken, dat er bij Hem gedachten des vredes zijn. Hij laat in Zijn vrede delen. Verzoening met God door Christus Jezus. Vrijspraak door God in Christus Jezus. Vrede met God in de geloofsvereniging met Christus Jezus. En dat wordt iedere keer bevestigd en verzegeld. Want men wordt niet rechtvaardig gemaakt in dit leven, maar rechtvaardig verklaard. Een gerechtvaardigde is en blijft zondaar, zondaar voor God. Steeds groter zondaar. Met de jaren groter zondaar worden. Dus niet zo, zoals wel eens gezongen wordt: “verlost en nu geen zondaar meer!” Het laatste zal men eenmaal niet meer zijn. Op de grote dag des Heeren, wanneer het lichaam gelijkvormig zal zijn aan het verheerlijkt lichaam van Christus. Op aarde blijft men zondaar. Ik denk aan een uitdrukking van Luther: “tegelijk rechtvaardig, tegelijk zondaar”. Opvallend is ook in ons leerboek dat in vraag en antwoord 60 de werkwoorden staan in de tegenwoordige tijd. Dus het blijft zo. Het blijft zo staan. Het blijft zo gelden tot het laatste moment van het leven toe. De drievoudige aanklacht, maar ook het drievoudige heil. De aanklacht wordt almeer aanvaard, geloofd, want hoe dieper ik poog te delven hoe meer verderf ik ontmoet. Hoe meer ik zie in de spiegel van Gods wet, hoe groter mijn zonde en schuld worden. Maar God de Heere schenkt en rekent steeds toe de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus en door de genade des geloofs wordt het aangenomen, mag men het zich toeëigenen. En die toeëigenende daad neemt niet af, maar wordt sterker door de genade des Geestes. Die genade des Gees-tes verbindt zich aan de levende verkondiging van Gods Woord. Vandaar dat in Zondag 25 staat, dat de Heilige Geest het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie en het sterkt door het gebruik van de sacramenten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Rechtvaardig voor God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken