Bekijk het origineel

Hindernissen voor ons om te geloven dat God is een God van vertroosting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hindernissen voor ons om te geloven dat God is een God van vertroosting

12 minuten leestijd

Wanneer de zon helder schijnt doen haar warme stralen de vochtige mist van de aarde opdrogen, en dikwijls verduistert zij haar glans. Wanneer een lamp is aangestoken, hoe helderder zij schijnt, des te meer vergaderen de insecten zich er omheen. En hoe helderder enige waarheid van God is, des te meer doet Satan pogingen om er zulke mistdampen om te vergaderen, die haar moeten verduisteren, als hij haar werkelijk niet helemaal kan vernietigen.

En zo mogen wij verwachten dat we zullen ontdekken, dat er vele hindernissen zijn voor een vast geloof dat God is een God van vertroosting. Ik ben er op geen enkele wijze over verwonderd, dat het zo is en ik zou een instrument van de zegen Gods willen zijn in het wegnemen daarvan. Maar voor we deze hindernissen kunnen verwijderen moeten we ze zien. En wat zijn ze?

Eén grote hindernis is ons gevoel ze niet verdiend te hebben - hoe zeer onwaardig wij geheel en al de vertroosting zijn, en in het bijzonder van zulk Eén als God, Die het ter hand neemt om ons te vertroosten. Wat betreft die onwaardigheid, er kan niet een zweem van twijfel zijn. Het is helemaal terecht, dat u zou gevoelen dat u enig goed van God hoegenaamd ook niet waardig is. Zo ver het er van af is het gevoel verkeerd te vinden, is het een zegen om er mee te beginnen; en wanneer u het ongelukkig genoeg niet had, zou ik genoodzaakt zijn te zeggen: “We kunnen zelfs niet de eerste stap naar de vertroosting van God zetten als we dit niet krijgen te zien en te geloven. Want God wil niet hebben, dat iemand spreekt van of denkt over verdienst”.


“Verdienste heb ik geen enkele te brengen,
Slechts aan Uw kruis klem ik mij vast.”


Dit zijn de gevoelens van dezulken die geschikt zijn voor vertroosting en er zeker van zijn deze te zullen krijgen.

Zo nu, allereerst: wees zeer dankbaar dat u gevoelt enige vertroosting onwaardig te zijn of iets anders dat goed is. Dat op zichzelf moet u enige vertroosting brengen. Want als u dit gevoelt, hebt u niet te doorzoeken al de vernederende en onderwijzende bedoelingen van God, waardoor Hij de hoogmoed uit mensen wegneemt. Als gij reeds ledig zijt behoeft God u niet te ontledigen. En laat mij u verder vertellen, dat wanneer u niet gevoeld had vertroosting zo onwaardig te zijn, er niet te zeggen is welke tuchtiging u nodig zou hebben gehad. U zou tienmaal meer ongetroost zijn geworden dan gij nu zijt. De wet van God als verbroken en u als de verbreker zou u kunnen zijn getoond in zulke verschrikkelijke kleuren met het doel om u geheel te verbreken. U zou kunnen zijn gebracht in dieper wateren in de weg van ziekte, zelfs dan die waarin gij nu zijt. Ik ben blij dat God op dit punt niet drukkender met u heeft te handelen. “Hij vervult de hongerige met goederen, maar de rijke zendt Hij ledig weg”. “Deze ellendige riep tot de Heere en de Heere verloste hem uit al zijn benauwdheden”. “Ik ben niet meer waard Uw zoon genaamd te worden.” Er was het gevoel van onwaardigheid bij de verloren zoon en we weten hoe gezegend het met hem eindigde. Wel, als u de hongerige zijt en de ellendige en de verloren zoon, dan zult u worden vervuld, verlost en ontvangen.

Er is iets anders wat u zeker een hinderpaal voor u zult vinden om te geloven, dat God mogelijk een God van vertroosting voor u kan zijn.

U weet, dat u een verdorven, achterdochtige natuur hebt. Zodra Adam viel werd hij achterdochtig jegens God; en al zijn nakomelingschap heeft deze verdenking van hem geërfd. Inderdaad, achterdocht is een deel van de verzoeking, waarmee Eva eerst werd aangevallen; want toen Satan haar vertelde, dat God wist, dat op de dag waarop zij en Adam van de boom aten dan hun ogen zouden worden geopend en als God zouden zijn, kennende het goed en het kwaad, wat is dit anders dan een verdachtmaking ingieten in de ziel van de vrouw, dat God haar deze kennis misgunde en bang was dat zij aan Hem gelijk zou worden.

Dit element van verdachtmaking was sterk in de eerste verzoeking en het is sindsdien sterk gebleven. Daarom is het geen wonder, dat u God verdenkt en harde gedachten van Hem hebt.

Nu, hier is een kwaad, duidelijk en goed omschreven, waartegen we moeten vechten. We moeten niet altijd God verdenken. Als Hij iets tot ons zegt moeten we niet denken, dat Hij iets anders bedoelt. We moeten niet veronderstellen dat Hij dubbel-hartig is in een van Zijn wegen. We moeten tot onszelf zeggen: “Hij sprak zo en zo en daarom meent Hij het, ik wil Hem houden aan Zijn Woord, ik wil me niet bezig houden met het zoeken naar twee of drie meningen omtrent Zijn duidelijke verklaringen; wat Hij zegt wil ik nemen in het duidelijke hollands ervan. We moeten ons niet bezig houden met het zoeken naar verschillende uitleggingen en beperkingen en allerlei soorten dingen buiten de gewone. Hoe meer we ons houden aan de gewone weg van spreken en denken over God des te beter.

Neen, denk daaraan, geliefde vriend, en verdenk God nooit meer. Het is deels door deze verdenking dat we God verkeerd begrijpen, en waar er ook misverstand is, daar is verwarring en ellende.

Er is nog een hindernis uit de vele die ik zou willen noemen, en dat is de oude slechte gewoonte om niet van Hem te verwachten wat goed is.

Deze oude verdenkende en niet-begrijpende natuur van ons maakte.dat wij denken dat God de laatste Persoon is van Wie we wat goed is konden verwachten. Als we straf verdienden en toorn wegens de zonde en veroordeling en soortgelijke zaken, dan was Hij het van Wie wij deze verwachtten, maar zeker niet goede dingen. En toch, toen Hij Zich aan Mozes openbaarde, wat lezen we anders dan Zijn heerlijkheid?

Toen de Israëlieten onder de goddelij ke hand waren, onder zwaar lijden van God Zelf wegens hun zonde, wat, menselijk gesproken, kon meer onwaarschijnlijk zijn dan dat van God Zelf hun hulp zou komen? Doch zie wat is gezegd in Deuteronomium 4 : 27-31: “En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal. En aldaar zult gij góden dienen, die des mensen handen werk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken”.

Nu, vanwaar konden zij hulp vinden? Zij moesten deze verwachten van Hem: “Dan zult gij van daar de HEERE, uw God, zoeken en vinden, als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen, in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven, en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.” Wat God even duidelijke als mogelijk zegt is dit: Gij hebt overtreden tegen Mij, maar wat Mij betreft moet u hierop letten: “Het heeft u bedorven, o Israël, (zegt Hij in Hosea 13 : 9) want in Mij is uw hulp.”

Maar misschien zegt u: “Ik dacht nooit veel aan God, ik was nooit gewoon om tot Hem op te zien.” Wel, dat is in het verleden zeer slecht geweest, maar waar we mee te maken hebben is het heden. Het verleden is dood en heengegaan en laat de doden hun doden begraven. We kunnen het slechte en dwaze verleden niet veranderen. Het zal altijd blijven wat het is. Maar waar we mee te maken hebben is dat het zich niet zou voortzetten in het heden, dat het ons nu niet zou benadelen, dat het inderdaad zou zijn “een verleden”.

Nu, zeg tot uzelf: Dat is een slechte oude gewoonte van mij om niet op te zien tot God. Ik moet er helemaal mee breken. Laat Hij nu alle dingen nieuw met mij maken. Dit dwaze en schadelijke verleden heeft geen recht om beslag te leggen op het tegenwoordige. Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

Nu, wanneer er moeilijkheden rijzen zijn ze zeer geschikt om te ontmoedigen. Dat is hun natuurlijke tendens. Een ontmoedigd mens is altijd een zwak mens. Dat weet Satan zeer goed; en daarom legt hij alle soorten ontmoedigingen op de weg van ons gaan tot God om vertroosting.

Wanneer u merkt, dat de ene bedenking na de andere in uw gemoed oprijst, waarom zou u niet tot God opzien om u te troosten, in plaats van verslagen van hart te zeggen: “Dit is de meest natuurlijke zaak van de wereld, precies wat ik mocht hebben verwacht. Dit is deel van de oude slechte weg die ik bezig ben te verlaten. Ik denk dat Satan moet zien dat ik in alle ernst tot God opzie, daar hij zovele obstakels op mijn pad opricht.”

Ik ben ervan overtuigd, mijn vriend, dat u een grote menigte ontmoedigingen hebt. Is er ooit iets groots en duurzaams zonder deze tot stand gebracht? Zij zijn de juiste atmosfeer, waarin wat groot en goed en duurzaam is voltooid is.

Grijp moed uit ontmoediging. Zeg: “Satan ziet dat ik nu op de rechte weg ben en tracht mij zoveel als hij kan te hinderen. Eng is mijn poort en nauw is mijn weg en dat is een goed teken, dat het einde van die weg recht is.”

U moet niet enkel uzelf veroordelen. U hebt dat eenmaal gedaan - laat het voor eens en altijd zijn. Als u al uw tijd besteedt om uzelf te veroordelen, hebt u er geen te besteden om God te vinden. Ik geloof niet, dat het God behaagt, wanneer iemand al zijn tijd besteedt aan zelfveroordeling. Wanneer Hij wil dat hij leeft in de geest van zelfveroordeling, hoe kan hij in werkelijkheid leven in iets anders? Maar om altijd te treuren en zichzelf te veroordelen is naar mijn mening niet wat Hij wil als het deel van Zijn volk. Ik denk dat God wel tot ons mocht zeggen: “Wat! altijd zien op zichzelf en nooit een blik slaan op Mij! Wat! zie op Mij en verwacht nooit enige vertroosting daarbuiten! Zijn uw zonden van meer gewicht dan Mijn genade? Moeten zij al de grond in beslag nemen en geen ruimte voor Mij overlaten om te handelen in vertroosting en zegening, de weg waarin Ik graag handel?” Wees er zeker van, dat er iets meer dan uw zonden moet worden getoond wil God worden verheerlijkt. Hij zal meer worden verheerlijkt doordat gij wordt vertroost dan door het voortdurend weigeren om te worden vertroost of door het uitschreeuwen, dat gij onwaardig zijt om vertroost te worden. Zelfveroordeling is goed op haar plaats, maar zij is zeer slecht buiten haar plaats; en zij is buiten haar plaats, wanneer wij haar zo groot maken, dat zij de vertroosting van God kan teniet doen. We kunnen een penny-stuk zo dicht bij onze ogen houden dat het zelfs de zon verbergt en we kunnen ons persoontje in zo’n positie plaatsen, dat het God te niet doet.

Nog meer, u moet het in deze zaak van vertroosting niet opgeven noch in enig punt van het godsdienstige leven, omdat u niet verder schijnt te komen. Dikwijls maken wij vordering, wanneer we het niet weten dat we het doen. God verandert nooit en Zijn weldaden zijn niet afhankelijk van onze vordering. Dit is een meten van onszelf door onszelf en dat is niet de maatstaf van de Heere.

Ook moet u geen ruimte geven aan neerslachtige en wanhopige gedachten, omdat u geen geestelijke verrukkingen ondervindt. Er zijn vele kinderen van God, die helemaal nooit geweten hebben van het komen tot enige geestelijke verrukking noch verkregen hebben iets meer dan een kalm en vredig vertrouwen op Hem. Zij geloofden in een heerlijkheid die zou worden geopenbaard. Zij geloofden in een toekomst en waren al tevreden met daarop te wachten.

Verrukkingen zouden hier zeer slecht voor ons kunnen zijn. Sommigen van meest standvastige Christenen, hebben nooit enige verrukking in hun leven gehad. En sommigen, die zeer hoog gestegen zijn in verrukkingen zijn zeer laag afgedaald in moedeloosheden.

Maak niet het hof aan verrukkingen. Zie er niet naar uit als kentekenen. Beschouw ze op geen enkele wijze als wezenlijk voor het Christelijke leven of de vertroosting ervan. Als God ze geeft is het nodig dat Hij er genade bij geeft en voor wie ze kent is het nodig dat Hij ook beproeving geeft.

Paulus was opgetrokken tot in de derde hemel en hoorde woorden, die het niet geoorloofd is te uiten en om die verrukking veilig te stellen had hij te ontvangen een doorn in het vlees, die, hoewel hij driemaal smeekte om wegneming, niet werd weggenomen.

Houd er rekening mee, dat u een gehinderd mens is en zeg dikwijls, wanneer er wolken komen tussen u en God: “Ach, dat is een hindernis. Ze verandert God niet, ze verandert niet mijn positie tegenover God; maar het is een hindernis en het doet het werk van iemand die hindert.”

En wanneer de hindernissen komen, laten ze ons niet ontmoedigen. Laten we zeggen: “Deze zijn wat we ervan moeten verwachten, maar ze hebben geen macht tegenover de Heere.” Millioenen gehinderde mensen zijn hun wolken en verdriet te boven gekomen. Millioenen zijn het land ingegaan waar geen hindernissen meer zijn. Hoe kon ik verwachten, dat Satan zou toestaan, dat ik enig goed ding ongehinderd zou hebben? Ik moet de Christelijke strijd voortzetten op mijn bed, op dezelfde wijze alsof ik in de wereld was. Vroeger of later zal ik ook mijn volkomen overwinning behalen, en zal ik uitroepen: “Gode zij dank, die mij de overwinning geeft door mijn Heere Jezus Christus.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Hindernissen voor ons om te geloven dat God is een God van vertroosting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1985

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken