Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 7

9 minuten leestijd

Beste jongelui!

Wij hebben de vorige keer Nehemia, die grote man, in zak en as zien zitten. Zij het al niet letterlijk, dan toch zeker figuurlijk. In zak en as zitten geeft de oosterse wijze van rouw te kennen. Doch het gaat niet over de uitwendige vertoning, maar over de innerlijke gesteldheid des harten. Vertoning is er altijd geweest. De farizeërs in Jezus dagen waren daar bedreven in. En dat geslacht is nog niet uitgestorven. Als je dat soort mensen hoort en ziet, lijkt het net echt. Maar het is niet echt. Doch wie zal dat ten laatste uitmaken? Het is alleen de HEERE Die het hart aanziet. En die door God eerlijk gemaakt is, komt ook eerlijk voor het aangezicht des Heeren. Let er goed op: Nehemia was zich bewust dat hij verscheen voor het aangezicht van de God des hemels. Zijn wij dat ook altijd? Want het komt tenslotte toch weer op het persoonlijke aan. En dan is het God, Die het hart aan ziet. Ook het hart van ons. En wie een beetje zijn eigen hart kent, moet altijd maar weer vragen: Heere doorgrond en ken mij. Want Gij weet hoe bedriegelijk mijn hart is. Is er bij mij nog een schadelijke weg, leid mij dan op de eeuwige weg. Dat is die weg die alleen bestaan kan voor U. Dat is de weg waarop Gij Uw volk leidt. Dat is de weg der waarheid.

Want die wáár geworden zijn voor God, zijn nergens zo benauwd voor als voor zelfbedrog. Zijn jullie dat ook wel eens? Dan is dat zo slecht nog niet. Want er is veel zelfbedrog. Men kan zichzelf bedriegen. Mensen kan men ook bedriegen. Doch God kan men niet bedriegen. Want Hij is een alwetend God.

Nehemia had daar weet van. Je kunt dat horen uit zijn bidden. Een gedeelte van zijn gebed staat hierboven afgeschreven. En ik zeide: Och HEERE, God des hemels ... zo begint hij God aan te spreken. Dat “och” is maar niet een klank, of een stopwoord, zoals het zo veel gebruikt wordt. Doch het komt uit het diepst van zijn hart voort. Het getuigt van de ootmoedigheid waarmede hij bekleed is en de grote gedachte, die hij omtrent God heeft, tot Wie hij zijn gebed opzendt. God is groot, Hij is met hoogheid bekleed. Nehemia is klein, hij is met nederigheid vervuld.

Het is een gestalte, die een ieder toe te bidden is. Het getuigt van Godskennis en ook van zelfkennis. Dat zijn twee zaken die door elke bidder op z’n minst gekend moeten worden. Wie God werkelijk kent, leert Hem in Zijn grootheid kennen. Hij leert ook zichzelf kennen als een nietig, zondig wezen. Nehemia kon uit en van zichzelf niet voor God bestaan. Wie kan dat wel? Niemand die leeft.

“Och”, HEERE, . . . Dat kan natuurlijk een dode klacht zijn, gelijk het dat maar al te vaak is. Het kan ook van leven getuigen, gelijk dit hier het geval is. Daar zijn mensen, dat moet ik er ook wel bij zeggen, en ik hoop niet dat jullie daarbijbehoren, die aan dat “och en ach volk” een hekel hebben. Dat kan ik wel aanvoelen, als de waarheid er niet van aangevoeld wordt, namelijk wanneer het alleen maar een vormelijk naspreken is. Doch als het in der waarheid is, wees er dan maar jaloers op. Want de ware bidders leren dat “och en ach” toch kennen. Je komt het in de Bijbel, in de gebeden der heiligen herhaaldelijk tegen. Die het in der waarheid hebben uitgesproken, zijn daarbij geleid geworden door de Heilige Geest. En als je door de Geest der genade en der gebeden in je leven geleid wordt, dan zul je zelf ongetwijfeld, en dan meest in de stilte, niet om van de mensen gezien en gehoord te worden, van dat “och en ach” gebruik maken. Het geeft dan weer een diepe ootmoed en een grote gedachte van God, tot Wie men in het gebed zijn toevlucht neemt.

Dat Nehemia grote gedachte had van God komt in het vervolg ook duidelijk uit. Want het is de God des hemels. Dat klinkt jullie misschien bekend in de oren, maar het heeft wel een geweldige inhoud. Want het wil zeggen dat God in de hemel woont. Hij is overal tegenwoordig, doch in de hemel vertoont Hij Zijn heerlijheid het meest. Hij heeft de hemel geschapen en ook alles wat zich daarin bevindt. Het is menselijk niet mogelijk om daar enige weergave van te doen. Want Paulus heeft om het zo te zeggen, wel eens door de gordijnen mogen kijken van dat doorluchte paleis van God, en hij heeft onuitsprekelijke dingen gezien, die een mens niet geoorloofd zijn uit te spreken. Hij bewoont, zoals deze heilige apostel daar op een andere plaats van getuigt, een ontoegankelijk licht. Het is er zó lichtend heerlijk, dat een sterveling daar zonder meer niet komen kan. Het geeft de majesteitelijke grootheid van God te kennen.

Dat Nehemia daar een indruk van had, komt ook in het vervolg openbaar. Want hij spreekt Hem aan: “Gij grote en vreselijke God”, God is groot, en wij begrijpen het niet. Daar is ons verstand veel te klein voor. Hij is een vreselijke God. Dat is een God Die te vrezen is. Zeker voor de vijanden. Doch die vrezen niet. Althans nu nog niet. Want zij beseffen de grootheid, de majesteit, de vreselijkheid, de rechtvaardigheid, de heiligheid, de alomtegenwoordigheid enz. van God niet. Straks zullen zij er achter komen. Doch als het niet aan deze zijde van het graf gebeurt, dan zal het een jammerlijke ervaring zijn.

Gods kinderen leren met Nehemia er hier, aan deze zijde van het graf, iets van kennen dat God groot en vreselijk is. Zij vrezen voor Hem en zij vrezen voor Zijn woord. Want uit alles komt Zijn heiligheid hen tegen. O, de HEERE, Heere heeft gesproken, wie zou niet vrezen? Wie dat echte vrezen kent, uit eerbied en hoogachting en met verachting van zichzelf, die behoeft niet te vrezen. Bij de zodanigen wordt ook de vrees weggenomen, als de Heere zegt en dat ook doet geloven: Vreest gijlieden niet, want Ik ben met u. Ik ben niet tegen u, doch met u. Wat een wonder is dat, als men zo door de Heere wordt tegen getreden. Dan wordt de vreze die er dan nog overschiet, een kinderlijke vreze. Men behoeft dan van God niet bang te zijn. Men moet alleen bang van de zonde zijn. En dat is men dan ook. Doch met liefde in het hart kan men kinderlijk tot God naderen. Jullie begrijpen wel, althans dat hoop ik, dat hier natuurlijk nog wat tussen zit. Want God, Die in Zichzelf door alle mensen te vrezen is, is een verzoend God in Christus, voor een ieder die in oprechtheid voor Zijn aangezicht verschijnt. Niet altijd wordt dit door het geloof verstaan. Doch dit neemt dan toch de werkelijkheid niet weg. De haper zit hier niet in de werkelijkheid, namelijk dat het aangezicht van God niet verzoend zou zijn, door het voldoenend werk van Christus, doch het zit in de kleinheid van het geloof. De bede om vermeerdering van het geloof, die we bij de discipelen tegenkomen, is daarom niet misplaatst en die wordt nog gekend. Kennen jullie dat ook? Want als het geloof meerder wordt, rijker wordt, groter wordt, dan krijgt men ook een dieper inzicht in de heilgeheimen die God naar Zijn vreever-bond aan Zijn volk en kinderen bekend maakt. Er is dan een opwas en toename in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus.

Nehemia spreekt in het vervolg God aan als een God, die het verbond en de goedertierenheid houdt, dengenen die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.

God is een God van het verbond. Dat heeft Hij met Abraham en zijn zaad opgericht. Daar deelde dus het gehele volk Israel in. Dat waren de nakomelingen van Abraham, zijn zaad. Dat verbond nu heeft twee zijden. Een belovende en een bedreigende zijde. En God houdt beiden. Zijn beloften worden vervuld aan een ieder die in Zijn wegen wandelt, die Zijn geboden onderhoudt. Doch ook de bedreigingen worden vervuld. Want zo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven, zo mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.

Nu kan men op twee manieren tegenover dat verbond van God staan. Namelijk gelovig en ongelovig. Van nature staat de mens er ongelovig tegenover, ook al beweert hij het tegendeel. Want als men er gelovig tegenover staat, is dat vrucht van Gods vrijmachtige genadebediening. En dan worden de beide zijden van het verbond serieus genomen. Niet alleen de beloften, maar ook de bedreigingen. En dan zal het laatste, de bedreigingen, het eerst en het meest naar hen toekomen.

Waarom? Omdat zij bij Geesteslicht in gaan zien, dat zij het verbond geschonden hebben. Dat zij de beloften niet geloofd hebben en de eisen niet volbracht hebben. De verbonds-wraak zou hen dan moeten treffen. Daardoor komt er plaats voor de Verbondsmidde-laar in hun leven, waardoor zij alleen weer in een rechte verbondsverhouding tegenover God kunnen komen te staan. “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar!” Ook voor jullie? Vraagt het jezelf eens eerlijk af voor het aangezicht des Heeren.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken