Bekijk het origineel

Ora et Labora 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ora et Labora 1.

7 minuten leestijd

U kent die woorden. Ora et Labora: Bid en werk! Die twee behoren bij elkaar. Onlosmakelijk! Wie ze toch van elkaar scheidt, ontneemt zowel aan het bidden als aan het werken de waarde en de kracht. Waarlijk bidden zonder te werken, wanneer en voor zover God daarvoor gelegenheid geeft, kan niet en vruchtbaar werken zonder het gebed is evenmin mogelijk.

Bidden en werken: we vinden het beide bij Nehemia, waarvan ik het eerste hoofdstuk voorlas.

Nehemia was opperschenker aan het hof van de koning van Perzië. Een hoge positie, die misschien wel kan worden vergeleken met die van “minister-president” bij ons. Dat hij, als Jood, deze hoge funktie bekleedde, getuigt ongetwijfeld van de uitnemende gaven, waarmee de Heere hem had versierd. Dat blijkt dan ook wel heel duidelijk uit wat we verder van hem lezen in het bijbelboek, dat zijn naam draagt. Uit heel zijn wijze van handelen treft ons zijn wijsheid, voorzichtigheid, doortastendheid, bekwaamheid om leiding te geven en te organiseren. Kortom: Nehemia was een groot man, zoals wij dat dan wel plegen uit te drukken. Ja: een groot man op een hoge post!

En wat is het dan aangrijpend om deze grote man in het hoofdstuk, dat we lazen, zo klein te zien, zo laag te zien buigen, zo afhankelijk en zo ootmoedig. Die grote Nehemia: een smekeling en een boeteling aan Gods voeten. Deze keer had hij er ook wel een bijzondere reden voor. Terwijl hij zijn werk deed aan het koninklijk hof te Susan, heeft hij bezoek gehad van één van zijn broers Hanani met nog enkele mannen, die uit Juda waren gekomen. En deze mannen hadden hem gezegd, hoe het er in Jeruzalem bij stond. Het was al bijna een eeuw geleden, dat koning Kores van Perzië aan de Joden in ballingschap toestemming had verleend om terug te keren naar het land der vaderen. En onder leiding van Zerubbabel, de vorst van Juda en van Jozua, de hogepriester, hadden velen de terugtocht ondernomen. En de terugkerende ballingen hadden inmiddels al lang de tempel weer herbouwd. Maar de toestand van de stad zélf was allertreurigst. De stad des groten Konings, het heerlijke Jeruzalem met haar sterke torens en hoge muren en schitterende paleizen, het is nu één open bouwval, een ruïne! Zwartgeblakerde klompen steen, ze liggen daar, zomaar, in grote hopen.

Wel is de stad weer voor een deel bewoond door de teruggekeerde ballingen en wel is de tempel weer opgebouwd. Maar ach: wat is er overgebleven van de heerlijkheid en de grootsheid van de stad, die vroeger wijd en zijd onder de volkeren bekend en gevreesd was? Ten prooi aan verachting en smaad!

Welnu, dat hebben de mannen uit Juda aan Nehemia verteld. En al is Nehemia dan opperschenker van de grote koning van Perzië, het verval en de smaad van Jeruzalem raakt hem in zijn hart. Hij is en blijft toch een ware Israeliet, met een heilige liefde voor zijn volk, waarvan hij toch deel uitmaakt en met een heilige hartstocht voor Jeruzalem, de tempelstad, de Godsstad.

En daarom: als hij hoort van de nood en het verval van Jeruzalem, dan doet dat hem pijn, dan smart het hem aan zijn hart.

Beste vrienden: doet het ons pijn, dat de kerk in nood is en het verval groot? Smart het ons aan ons hart? Of kunnen we over de nood van de kerk en dan met name ook over het verval en de nood van ons eigen kerkelijk leven afstandelijk spreken en klagen?

Met een koud hart? Ach, hoe gemakkelijk kunnen wij met de vinger naar anderen wijzen en onszelf vergeten. Maar dan zijn wij niet op de plaats waar wij wezen moeten en waar God ons wil hebben. “Wee mij”, riep Jesaja uit, “dat ik een man van onreine lippen ben en woon temidden van een volk, dat onrein van lippen is”.

Dat was de gestalte van de ware profeten. De schuld van hun volk woog als een zware last op hun ziel. Als een last, die bijna ondraaglijk werd. Ja, niet bijna, maar helemaal ondraaglijk, zodat ze neerzonken in het stof en bogen voor God de Heere. Zo is het ook bij Nehemia. “En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde (n.l. van Hanani en zijn mannen), zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God des hemels.” Wel, geliefden, wanneer deze gestalte nu eens meer gekend mocht worden. De nood in onze kerken is groot. Nee, daar moeten we de ogen niet voor sluiten. Wij heten Christelijke Gereformeerde kerken. En dat willen wij toch zijn. Allereerst Christelijke kerken. Dat betekent toch niet anders dan dat Christus het in Zijn kerk alleen te zeggen mag en wil hebben. Dat Zijn Woord alleen alle gezag heeft en dat gehandeld en gewandeld wordt naar Zijn geboden. En als dan op een listige wijze getornd wordt aan het gezag van het Woord door een onbijbelse wijze van benadering en verklaring van de Schrift, dan wordt daarmee het fundament, waarop de Kerk alleen staan kan en mag, ondermijnd. Ik weet het: wij moeten waken voor het slaken van ongenuanceerde en ook onverantwoorde kreten. Maar de geesten moeten wel beproefd worden, of ze uit God zijn. Dat vraagt nauwkeurig onderzoek en ernstige studie.

Dwalingen moeten onderkend en aangetoond worden. We moeten kennis nemen van allerlei publicaties, die er onder ons verschijnen. En ze dan niet slechts voor kennisgeving aannemen maar ze toetsen aan de Schrift, zullen we, om een bekende bijbelse uitdrukking te gebruiken, “met de vijand kunnen spreken in de poort”.

We heten Christelijke Gereformeerde kerken. En dat dienen we dan toch ook te willen zijn. Christelijke Kerken! En dan ook Gereformeerde kerken. Gereformeerd in de zin van onze gereformeerde belijdenisgeschriften, de drie formulieren van enigheid. Daaraan hebben we ons toch vrijwillig en van harte willen binden, wanneer we belijdenis des geloofs aflegden, en wanneer we als ambtsdragers zelfs schriftelijk trouw beloofden aan de gereformeerde belijdenis. En dan kan het toch niet de bedoeling zijn om die belijdenis als een “pro-memoire-post” te behandelen in de praktijk, zodat er van de “religie van de belijdenis” niets of vrijwel niets doorklinkt in verschillende publicaties en evenmin in prediking en pastoraat. Wij begeren toch het “Pand” te bewaren. Het pand van Gods Woord. Het Pand van de gereformeerde belijdenis. Bewaren! En dan niet als een soort relikwie of als een curiositeit, maar als een kostbaar erfgoed, waarmee geestelijk gewoekerd dient te worden. “Bewaren”, om te beleven. Of is dat in het verleden niet de kracht van onze kleine kerken geweest (en betekende dat ook niet haar werfkracht?), dat we ons gebonden wisten aan Gods Woord en dat we (o zeker: in alle gebrek) trachtten de belijdenis, waarin het erfgoed van de reformatie ligt besloten, te laten functioneren in al haar veelzijdigheid? Zodat op een evenwichtige wijze verkiezing en verbond, Gods vrijmacht en menselijke verantwoordelijkheid hun plaats kregen in een geestelijke, appellerende, separerende, schriftuurlijk-bevindelijke benadering van de gemeente in prediking, catechese en pastoraat. Zodat duidelijk en eenvoudig gewezen werd op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, van de bekering, van het levend geloof in Christus, op de rechtvaardiging van de goddeloze uit louter genade om Christus wil. Op de doodsstaat van de mens van nature en de almacht van Gods genade. Op onze vijandschap en op Gods barmhartigheid en gewilligheid om te behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Ora et Labora 1.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken