Bekijk het origineel

De merktekenen der christenen 8.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De merktekenen der christenen 8.

8 minuten leestijd

Denk niet gering over het bijbelse woord “liefde”. Het rijk, het eeuwige rijk van God is doordrenkt van liefde. Overal worden we gewezen op liefde, wanneer het gaat over dat rijk. De grondslag van het rijk is liefde. Het gebouw van Gods gunstbewijzen rust op het fundament der liefde. Het wordt opgetrokken in de liefde. Het wordt voltooid en bekroond door de liefde. Goddelijke liefde, Christus’ liefde, liefde van de Heilige Geest laten het Gods rijk zien. Maar ook menselijke liefde. Liefde die er mag zijn. Liefde, die zich uit in woord en daad door de liefde, die de Heere legt in het zondaarshart. Vandaar dat deze liefde, dit liefhebben niets te maken heeft met humaniteit of medemenselijkheid. Humaniteit en medemenselijkheid komen op uit de mens, gaan op in de mens en eindigen in de mens. Nu is het ook niet zo, dat men God alleen maar in de naaste ontmoeten kan, of dat er het innerlijk gericht zijn op God kan zijn met voorbijzien van de naaste. Wat is het toch nodig te luisteren naar en acht te geven op de Schrift. Heel sterk legt de Schrift de nadruk op de liefde tot God en de naastenliefde. In Galaten 5 schrijft Paulus zelfs dit: “want de gehele wet wordt in één woord vervuld namelijk in dit: “Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven”. Hier onderstreept Paulus wat de hoogste profeet en leraar Jezus Christus heeft gezegd, als Jezus het heeft over het tweede gebod. Zeker het eerste gebod n.l. het liefhebben van de Heere, met geheel het hart, met geheel de ziel en met geheel het verstand is het hoogste, het grootste. Maar daaraan gelijk en dat betekent gelijk in waarde en gewicht is het tweede. Dus het tweede mag niet losgemaakt, noch los gezien worden van het eerste, maar mag ook niet gering geacht worden. Het “gelijkwaardige” ervan moeten we ons bewust zijn en het zal in de praktijk moeten blijken. Dit wordt ons ook duidelijk aangegeven in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De aanleiding tot het uitspreken van deze gelijkenis is bekend. Een wetgeleerde was tot Jezus gekomen met een belangrijke vraag: “Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?” Op de door Jezus gestelde wedervraag: “wat is in de wet geschreven?”, wordt geantwoord: God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf”. Hierop beleed Jezus: “Gij hebt recht geantwoord; doe dat en gij zult leven”. Maar de wetgeleerde, zich willende rechtvaardigen, zeide tot Jezus: “en wie is mijn naaste?” De Heere Jezus had diep op die vraag in kunnen gaan. Hij doet het niet. In een gelijkenis geeft hij scherp aan wie de naaste is. Dit was nodig toen en ook nu, want de naaste kan slechts zijn een familielid, een vriend, een geloofs genoot. Zo was het immers bij de schriftgeleerden. Het begrip “naaste” beperkte zich tot geloofsgenoten en verder beslist niet.

Maar de Heere gaat verder. Illustratief laat Hij het zien. Hij vertelt het. Men moet luisteren. Laten wij ook luisteren en dan na het luisteren niet gaan vergeestelijken. Men deed dit al eeuwen geleden. De Samaritaan wordt dan Christus en de ellendige de zondaar, die door Hem gered wordt. Calvijn merkt echter op: “Ieder ziet dat dit maar bespiegelingen zijn van spitsvondige geesten die duidelijk indruisen tegen de werkelijke bedoeling van Christus”.

De gedachte op zich, wat de Heere Jezus doet is door en door schriftuurlijk, maar dit bijbels gegeven zó hier toe te passen is in strijd met het verband waarin de gelijkenis staat. Ze is bedoeld als antwoord op de vraag van een wetgeleerde: “wie is mijn naaste?” Wanneer nu Jezus de voor ons bekende gelijkenis heeft verteld, wordt door Hem een vraag gesteld: “wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?” Wat opvallend is, Jezus keert de vraag om. De wetgeleerde had gevraagd: wie is mijn naaste? Jezus vraagt: wie is de naaste van die man? Van die gewonde man? Jezus gaat dus niet uit van de helper, maar van hem die geholpen moest worden. De naaste is dus niet in de eerste plaats de mens, die ik moet helpen, maar die mij helpt. Zeker de jood moet Samaritaan zijn. Naastenliefde is geboden. Zij is Goddelijke eis. Er moet liefdesbetoon zijn, zonder aanzien des persoons. In de bergrede wordt dit door Jezus ook sterk benadrukt. Maar er is meer. Het behoort ook tot het gebod Gods: het zich laten helpen. Als jood u laten helpen door de Samaritaan. Er moet olie en wijn in de wonden van de naaste gegoten worden, maar in de eerste plaats olie en wijn laten gieten in eigen wonden. Als jood je laten behandelen en verzorgen door een Samaritaan. Tot het doen, het willen doen, dit of dat, hoe moeizaam ook, komt men. Of zelfs heel spontaan. De inzet, de ijver lijken te spreken van liefde, bewogenheid, maar na de daad, na de daden wordt uitgezien naar loon. Men verwacht loon op het werk. En blijft het uit, dan gaat men spreken over wat men heeft gedaan. En ik deed dit en dat en zie nu eens?

Men werkte niet vanuit de gezindheid: het was plicht en van de Heere mij opgelegd. Liefdeswerk verwacht, eist geen loon. Die gezindheid, die levensinzet komt er nu, wanneer er de gezindheid is waar de Heere Jezus op wijst n.l. allereerst het zich laten helpen door de ander. Door de ander, die kent de barmhartigheid van Christus en daardoor gedreven wordt die te bewijzen. Die barmhartigheidsbetoning is noodzakelijk, want ik lig aan de kant van de weg, van de levensweg, hulpeloos, reddeloos.

Komt er geen uitkomst, dan wordt het sterven aan de levenswonden. Weet u dit ook?

Gelooft u dit ook? Wanneer dit zo is, wat gaat dan spreken, bijzonder spreken de ambtelijke dienst, op zondag, tijdens huis- en ziekenbezoek, tijdens de catechisatie, tijdens het pastoraal gesprek. Wat verwachten we daar dan veel van en dat mag ook, want zij is gegeven door de barmhartige en medelijdende Hogepriester. We laten ons dan, als jood, helpen door een Samaritaan. Een Samaritaan die ons de barmhartigheid van Christus wil bewijzen. Die olie en wijn wil gieten in onze levenswonden. Die ons opheffen wil, wil verzorgen, zodat het staan in het leven weer mogelijk is. Het opstaan uit de dood in het leven, het genadeleven, er zal zijn. En met welk een doel? Om barmhartigheid te gaan bewijzen. Wie het van ’s Heeren barmhartigheid moet hebben en daar naar uitziet en die ondervindt, kan niet nalaten Samaritaan te zijn. Niet om daardoor iets te worden of te zijn, het werkboekje wordt niet bijgehouden, maar omdat de liefde van Christus dringt. De nood van de ander treft dan. Ja dat is alzo, wanneer eigen nood nood wordt en er uit die nood een roepen is naar omhoog. Denk aan die moordenaar aan het kruis. Hij moet het in zijn nood tegen zijn makker zeggen die zijn eigen nood en ellende niet ziet en lasterend het eeuwig oordeel tegemoet gaat. “Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan”. Van harte hoopt hij dat dit vermanende, van werkelijkheid sprekende woord zijn makker zal treffen en tot bekering zal leiden en ook hij zal uitroepen: “Heere, gedenk mijner, als gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn”. Waar genade werkt, daar worden hart en hand gericht op de naaste. Oog en oor staan open voor de naaste en de mond spreekt tot de naaste. En de voet keert zich niet af van de naaste. Tenzij hij of zij zich volhardt in het kwaad, in de zonde. En die afkeer, want de liefde is ook scherp, vindt dan plaats met een bewogen gemoed en een betraand oog. Want men weet: wie ver van de Heere de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt. Hij roeit hen uit die afhoereren en Hem de trotse nek toekeren. De behoefte aan barmhartigheid leve bij ons en de drang tot barmhartigheid vervulle ons. Wanneer dit praktijk is, dan gaan we in stilte onze weg, zelfs niet beseffend wat we doen, wat we mogen doen. Vandaar de verwondering op de grote dag. Immers op die dag zal de Koning der koningen zeggen: “Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed. Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht. Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen. De rechtvaardigen, de oprechten, de eerlijken zullen Hem dan antwoorden: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd of dorstig en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis en zijn tot U gekomen? En de Koning zal antwoorden: voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit één van Mijn minsten gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De merktekenen der christenen 8.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken