Bekijk het origineel

Laus Deo 21

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 21

Lessen uit Genève

7 minuten leestijd

Christus in het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament “wemelt” volgens Calvijn van talloze getuigenissen aangaande de Godheid van Christus.

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat teksten uit het Oude Testament die betrekking hebben op Jaweh, Israels Verbondsgod, in het Nieuwe Testament toegepast worden op Christus.

Wie Schrift met Schrift vergelijkt, moet erkennen dat de evangelisten en apostelen geen wézen-lijk verschil zagen tussen de God van het Oude Testament en de Messias van het Nieuwe Testament. Zoals de Godheid van Israels Verbondsgod voor hen een feit was, zo ook de Godheid van Jezus Christus.

Steen des aanstoots

Een voorbeeld: Jes. 8:13,14 wordt de HEERE der heirscharen “een Steen des aanstoots” en “een Rotssteen der struikeling” genoemd voor de twee huizen van Israel en de inwoners van Jeruzalem. Maar in het Nieuwe Testament worden deze benamingen op Christus toegepast en in Hem vervuld. Paulus citeert in Rom. 9 : 33 de woorden van Jesaja in verband met de verwerping van Christus door de Joden: “Want zij hebben zich gestoten aan de Steen des aanstoots, gelijk geschreven is: Zie Ik leg in Sion een Steen des aanstoots en een Rots der ergenis, en een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden”. Conclusie van Calvijn: “Hij verklaart dus dat die Heere der heirscharen Christus is”.

De dingen die aangaande de Eeuwige God zelf voorzegd waren (O.T.) zijn in Christus (N.T.) aan de dag gekomen of zullen eens vervuld worden.

De rechterstoel van Christus

Een tweede voorbeeld dat van de Godheid van Christus getuigt: Rom. 14 : 10, 11 wijst de apostel Paulus, naar aanleiding van onderlinge verdeeldheid in de gemeente, op de rechterstoel van Christus. Hij schrijft het volgende: Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. Want er is geschreven, Jes. 45 : 23, voor mij zal alle knie zich buigen en alle tong zal God belijden. Het is duidelijk dat de profeet Jesaja met de woorden “voor Mij” Jaweh, Israels Verbondsgod bedoelt. Maar Paulus bedoelt Christus. Kan dat? Mag dat? Ongetwijfeld, want het is niemand anders dan Israels Verbondsgod Zelf die Zich in Christus geopenbaard heeft. In Christus openbaart Zich de God van het Oude Verbond Zelf.

En Ik werk ook

De Godheid van Christus treedt in Zijn werken, die Hem in de Schrift worden toegeschreven, nog duidelijker aan de dag.

In Joh. 5 : 17 spreekt Jezus tot de Joden de volgende woorden: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook”. Uit deze woorden hebben de Joden wel geproefd dat Jezus aanspraak maakte op de Goddelijke macht. Vandaar dat wij lezen v. 18: “Daarom zochten dan de Joden Hem te doden, omd^t Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zeide dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelf aan God evengelijk makende”. Mijn Vader werkt en Ik ook. Inderdaad: met dezelfde Goddelijke Kracht. Hij is in Goddelijkheid niet minder dan de Vader. Het is niemand minder dan Christus Zelf van Wie de schrijver van de Hebreeënbrief belijdt: dat Hij alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht.

Hij is mét de Vader: God de Schepper. Hij deelt met de Vader ook de taak om de wereld te besturen. Dat is een “ambt” waarvan Calvijn zegt dat deze niet van enig schepsel kan gegeven worden.

Macht om de zonden te vergeven

Wie kan de zonden vergeven dan God alleen, zeiden de Joden verontwaardigd. Tot de geraakte van Kapernaüm had Jezus gezegd, Matt. 9 : 2 “Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven”. Dat klonk de Schriftgeleerden in de oren als Godslastering. Want dat was toch een Goddelijke privilege? Inderdaad lezen wij in Jes. 43 : 25 dat de HEERE zegt; “Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil”. Zonden vergeven is Gods werk en geen mensenwerk. Vandaar dat de Joden meenden dat Jezus met Zijn woorden: “Uw zonden zijn u vergeven”, God groot onrecht aan deed. Toch zegt Jezus dat ook Hém deze Goddelijke macht toekomt. Dat heeft Hij dan ook met een wonder bevestigd: “Sta op, neem uw bed op en ga heen naar uw huis. En hij opgestaan zijnde, ging heen naar Zijn huis”. Het zoveelste bewijs van Zijn Goddelijkheid.

Geheime gedachten

Deze lastert God, hadden de Schriftgeleerden, “in zichzelf” gezegd. Maar wat zij “in zichzelf” overlegden, blijft wel is waar voor de ménsen, maar niet voor Jézus verborgen. Wij lezen in Matt. 9 : 4 “En Jezus ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten”? Het overdachte kwaad, het verborgen kwaad blijft Hém niet onbekend. Calvijn schrijft: “de geheime gedachten der harten na te speuren en daarin door te dringen, is dat niet het werk van God alleen? Maar ook die macht had Christus en daaruit blijkt Zijn Godheid”.

Wonderen

Hoe doorzichtig en helder blijkt Christus Godheid in Zijn wonderen! Maar zal iemand zeggen: ook profeten en apostelen hebben wonderen verricht. Ongetwijfeld, maar toch is er onderscheid. In de wonderen die de apostelen verrichtten, deden zij niets anders dan de gáven Gods uitdelen. Maar Christus toonde in Zijn wonderen Zijn eigen kracht. Hij gaf Zelf de apostelen de macht om doden op te wekken, melaatsen te genezen, duivelen uit te werpen. Maar steeds: “in de Naam van Jezus Christus”. Tot de verlamde aan de schone poort te Jeruzalem sprak Petrus de woorden: ’Tn de naam van Jezus Christus, sta pp en wandel”, Hand. 3 : 6.

Jezus wonderen gaven een “schitterend getuigenis van Zijn Godheid”. Zij waren bedoeld om de ongelovigheid van de Joden juist t.a.v. Zijn Godheid, te overwinnen. En dan wordt Calvijn weer heel persoonlijk. “En daarom durven wij, steunend op zulke bewijzen, ons geloof en onze hoop op Hem (d.i. Christus) vestigen; hoewel wij weten, dat het een heiligschennende goddeloosheid is, indien iemands vertrouwen hangt aan de schepselen. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij, Joh. 14 : 1”. Het geloof in God en het geloof in Christus is één.

Heere Jezus, ontvang mijn geest

Deze woorden zijn van Stefanus terwijl de Joden hem stenigden. Hij riep de Naam van Jezus aan. Deze “aanroeping”, zegt Calvijn, is alleen de Goddelijke Majesteit eigen. Niemand anders dan God alleen mag men aanroepen en aanbidden. Joel 2 : 32 zegt de profeet: “A1 wie de Naam van Jahweh aan zal roepen, zal zalig worden”.

Maar uit het Nieuwe Testament blijkt dat de gelovigen zo ook Christus hebben aangeroepen tot zaligheid. Hand. 9 : 13 spreekt Ananias de Heere Jezus Christus aan met de woorden: Heere (Jezus!) ik heb uit velen gehoord van deze man, hoeveel kwaad hij uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; en heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen die Uw Naam aanroepen”. Die Uw Naam aanroepen. D.i. die de Naam van Christus aanroepen. Waarmee opnieuw de Goddelijke Majesteit van Jezus Christus wordt beleden. Want aanroepen doet men alleen maar God!

Wie zou nu dit alles nog durven beweren, zo vraagt Calvijn ons af, dat Christus slechts een louter schépsel is? Wel is Hij een waarachtig en rechtvaardig méns, maar tegelijk méér dan dat: waarachtig Gód! Dat is het geloof en de belijdenis van de Christelijke kerk tot nu toe. Hoewel alle eeuwen door onophoudelijk bespot en bestreden. En ook voor zeer vele “christenen” vandaag is Hij niet meer dan Jezus van Nazareth. Een voorbeeldig mens, maar ook niet meer dan dat.

Institutie I, XIII, 11-13.

Wordt vervolgd, D.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 21

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken