Bekijk het origineel

De merktekenen der christenen 13.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De merktekenen der christenen 13.

8 minuten leestijd

In art. 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat iets, wat zeker onze aandacht dient te hebben, nl.: “de geduriglijke toevluchtnemening tot de dood van de Heere Jezus”. Ik vrees dat dit niet zo leeft. Althans uit esprekken wordt het niet zo merkbaar. En at is triest, want er wordt tekort gedaan aan het werk, aan het verdienstelijke werk van de Heere Jezus en men ziet en beseft, weinig of in het geheel niet de noodzaak en de verdienste van ’s Heeren dood. Bij en rond de viering van het Heilig Avondmaal kan het leven, want eis, roeping en opdracht is, de verkondiging van ’s Heeren dood. Maar na de avondmaalsviering kan het denken eraan weer weg zijn. Wat moet er toch een beroep gedaan worden op de werking van de Heilige Geest, opdat die Geest hart en leven richte op Christus en Zijn heilsgang. Die heilsgang spreekt ook in Zijn dood. Ja, bijzonder in Zijn dood. In ons leerboek de Heidelbergse catechismus wordt duidelijk belicht wat de Heere Jezus Christus in en door Zijn dood gedaan heeft en nog doet. Zijn dood wordt allereerst een vernedering genoemd. Het was een diepe vernedering. Een totale ontluistering van Hem. Hij kwam niet in de macht van de dood als martelaar, als zondaar, maar als Middelaar. Als het beladen Gods Lam. Die vernedering nu onderging Hij vrijwillig. Maar die vrijwilligheid laat zien de hoogste gebondenheid. Gebondenheid aan Gods gerechtigheid en waarheid. Beiden eisten Zijn dood. Nu moeten we niet menen, dat deze eiseressen op Golgotha voor het eerst hun eis deden horen. In het paradijs was die eis er al, omdat God de Heere daar was. En waar God de Heere is zijn Zijn deugden en Zijn heilige eisen. Nu waren de deugden Gods Adam en Eva niet onbekend. De Heere had ze bekend gemaakt. Nog sterker, de Heere heeft Zich geopenbaard in Zijn rechtvaardigheid en waarheid. Hoe klonk het in het paradijs: “Van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, als gij daarvan eet zult gij de dood sterven”. De ongehoorzaamheid zou gestraft worden en dit geschiedde. De dood is gekomen. Gods gerechtigheid, Zijn rechtvaardigheid en Zijn waarheid worden bevestigd op aarde. Allen zijn gesteld onder het: “Het is de mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel”. De drievoudige dood is ieder mens, wie hij ook is, onderworpen. Gods gerechtigheid en waarheid worden ook in ons bevestigd. We zijn als ter doodveroordeel- den op de wereld gekomen. Bij de doop wordt beleden, “dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn en aan de verdoemenis zelf onderworpen zijn”. De twee deugden eisen onverbiddelijk, onontkoombaar onze dood. De eeuwige dood. Het voor altoos gescheiden zijn en leven van God. Die ontzaggelijke werkelijkheid wordt geloofd en beleden, wanneer de Heilige Geest Gods gerechtigheid en Gods waarheid afdrukt in ons en wij hun eisen billijken als heilig en rechtvaardig. Ootmoedig wordt beleden naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straffen verdiend te hebben. Want te voldoen aan Gods eisen, te leven naar Gods eisen is volkomen uitgesloten. Het ’amen’ zeggen op Gods rechtvaardigheid en waarheid wordt gekend. Het buigen ervoor, vindt steeds dieper plaats. Maar ook, en dat is het grote wonder van Gods Genade, het buigen voor Christus. Hij wordt aangebeden in Zijn liefde. Zijn onpeilbare liefde, want Hij heeft Zich gesteld onder Gods heilige eisen. Hij heeft er aan willen voldoen. Het doodvonnis voltrok zich. Hij stierf naar Gods gerechtigheid en waarheid. En Hij heeft betaald, geheel betaald voor de zonden. Zijn dood werd de betaling voor de zonden. Door Hem is de dood geen dood meer. Nu kan de dood, de doods werkelijkheid aangrijpend zijn, zeer aangrijpend zelfs. En wel bijzonder wanneer de rechtvaardigheid en de heiligheid des Heeren het hart treffen en eigen onrechtvaardigheid en onheiligheid doen vrezen.

Vrees voor de dood was Jezus niet vreemd. Hoe aangrijpend, zielstreffend was de dood voor Jezus Christus. Toen Hij bij Lazarus’ graf stond, werd Hij ontroerd in de geest en toen in Gethsemané de dood op Hemzelf toetrad, begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Doodsangst, die Hem de drupelen bloed uit de poriën dreef. En wat heeft Hij niet gebeden in de hof: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan”. De toevluchtnemingtot Jezus’ dood vindt plaats en dat steeds opnieuw wanneer de zonde drukt, wanneer de rechtvaardige straf op de zonde, nl. de dood, het hart aangrijpt. Het gelovig verstaan van Jezus’ dood wordt begeerd, en het geeft troost. Rijke troost. De dood niet meer gesteld tot betaling voor de zonden, maar tot afsterving van de zonden. Het is Gods grootste barmhartigheid in Christus, dat Hij door de dood alles wegneemt. In het leven maakt de Heere de banden van de zonde los, maar men blijft zondaar. Er blijft het ’lichaam dezes doods’, gelijk in Romeinen staat. Zolang men leeft, leeft de zonde in het hart. De zonde is ook de zwaarste last, die men moet meedragen, maar komt het stervensuur, dan gaat de zonde voorgoed sterven. Gods kerk raakt de zonde voorgoed kwijt. Iemand heeft eens gezegd: “mijn dood is de dood voor mijn doodsvijand: de zonde”.

Dat is de eerste zegen van het gelovige verstaan en kennen van Christus’ dood en de tweede zegen is dat de dood een doorgang is tot het eeuwige leven. Het leven eindigt niet in de eeuwige dood, maar in het eeuwig zalig leven. Het zalig leven: God schenkt uit goedheid zonder peil en dat in en door Christus alleen. Maar er is nog meer. Opvallend is de vraagstelling in zondag 16.

Daar staat zo treffend: “Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?” Er is dus meer te vinden bij Christus. En wat bij Hem te vinden is, is zeer nuttig. Niets bij Hem is nutteloos. Alles bij Hem dient tot welzijn, tot verheerlijking van de Heere. Tot welzijn van het geestelijk leven. En nu moet er niet zo aan gedacht noch minder overdacht worden: het meerdere kan tot voordeel zijn, maar noodzakelijk het te bezitten, te kennen is het niet. Wie er zo over denkt, misleidt zichzelf en kent niets van de liefde tot de Heere, en heeft het juiste zicht niet op wat Christus moest doen voor de zonde. Zijn dood moest er zijn voor de dood, maar ook voor het leven. Immers niet alleen moet de dood, maar ook het leven geheel van karakter veranderd worden.’Wie nu iets kent van de liefde tot God en weet hoe het leven voor de Heere zou moeten zijn, wordt gericht op en gaat leven bij Christus’ dood.

Welk een kracht bezit de Gestorvene. Aan het kruis had Hij kracht. In het graf had Hij kracht en die kracht behoort niet tot het verleden, die kracht is er nog. Die kracht werkt nog. Wat in eigen kracht nimmer geschiedt, vindt plaats door Zijn kracht nl. het kruisigen, het doden en begraven worden van de oude mens. De oude mens wordt door Zijn kracht aan de kruispaal geslagen en van dat kruis komt hij niet meer af. Hij zal er aan sterven. Hij heeft die plaats ook gekregen, opdat de boze lusten van het vlees in ons niet meer regeren. Wat onder ’boze lusten’ moet verstaan worden vraagt voor een kind van God geen toelichting. Men heeft er weet van en dat al meer en dieper. Hoe dieper ik poog te delven, hoe meer verderf ik ontmoet.

Maar, Gode zij dank, door Christus’ doodskracht regeren de boze lusten niet meer. Hebben het niet meer voor het zeggen. Ze werken nog wel, maar ze beheersen niet meer. Ze trekken nog wel, maar overweldigen niet meer. Door Zijn kracht wordt het leven ook een dankoffer. Door Zijn koninklijke kracht komt er het priesterlijke leven. In beginsel, maar dat beginsel is een waar, oprecht en blijvend beginsel. Wat bevat Christus’ dood toch veel. Welk een zegeningen werpt zij af. Zijn het al zegeningen, kostbaarheden voor ons? Kostbaarheden die al het aardse goed ver overtreffen? Wee onzer wanneer die zegeningen voor ons niet gaan spreken, wanneer ze voor ons geen begerenswaardig goed worden en blijven.

Men zal sterven buiten Christus en Zijn heil, al neemt men de Naam van Christus op de lippen. Al belijdt men Zijn Naam en staat men in Zijn kerk en viert men avondmaal. Men leeft dan ook zonder Zijn kracht in het leven. En op een leven zonder Zijn kracht volgt een doodsuur dat brengt het begin van de eeuwige dood.

Wie kennis heeft aan geestelijk sterven, nl. het kruisigen, het doden en begraven worden van de oude mens, gaat wanneer het lichamelijk sterven plaats vindt, naar het eeuwige leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De merktekenen der christenen 13.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken