Bekijk het origineel

De merktekenen der christenen 17.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De merktekenen der christenen 17.

9 minuten leestijd

Een christen is niet los te denken van Christus. Tussen beide is er een onlosmakelijke band. Een band, die gelegd is voor eeuwig. Gelijk de naam Christus geen tijdelijke naam is, zo is de naam christen geen tijdnaam. Niets kan de onderlinge band verbreken. Onafscheidenlijk zijn beide aan elkaar verbonden. Ze horen bij elkaar, zoals het hoofd en het lichaam. De wijnstok en de ranken. Vandaar dat die levensbeelden ook gebruikt worden in de Heilige Schrift om uitdrukking te geven aan de heilige verbintenis tussen Christus en de christen. Christus en de christen. Zo is de juiste orde en niet omgekeerd. Terecht zegt u wellicht, want zo spreekt de Heilige Schrift. Maar dan zullen wij dit ook steeds moeten doen. Eerst Christus en daarna de christen. In de prediking moeten we dit verlangen en in de gesprekken moet dit blijken. Nimmer mogen de kenmerken van de christen of het leven van de christen centraal, voorop staan. Dan wordt er tekort gedaan aan de eer des Heeren. Want Christus is van God. Christus is Gods eigen Zoon. Er wordt tekort gedaan aan Christus Zelf, want Wie wilde Hij niet zijn, Wie is Hij niet en Wie blijft Hij niet. Welk een arbeid heeft Hij op Zich genomen. Welk een werk heeft Hij niet gedaan. Wat wordt er door Hem in de hemel en vanuit de hemel niet gedaan.

Wie de kenmerken van de christen zeer benadrukt, doet ook tekort aan de persoon van de Heilige Geest, want van de Geest staat geschreven: ”En Die zal Mij verheerlijken”. Nu mogen we door het gestelde, door het vereiste niet vervallen in een ander uiterste nl. de ontkenning, of wegcijfering van de kenmerken. Het is erg wanneer men niet wil weten van kenmerken in de prediking. De prediking beantwoordt ook niet aan de Heilige Schrift, wanneer de kenmerken ontbreken. Immers het gaat in de bediening van het Woord niet alleen om Christus, maar ook om het kennen van Christus. Het rechte kennen van Hem. Het ”hoe Hij gekend wordt” en almeer gekend wordt, mag niet verborgen blijven.

Het dient ook vanuit de Schriften aangetoond te worden tot onderwijzing, tot ontdekking en vertroosting. En dan met dit hoofddoel: Zijn eer en verheerlijking. Want alles wat het ware geestelijke leven kenmerkt zijn vruchten en zegeningen, die de verhoogde Christus door Zijn Geest uit vrije en milde goedheid schenkt.

Zo moeten we ook de behandelde kenmerken, merktekenen van de christen zien en blijven zien. Niets is er, zonder en buiten Christus. Alles is uit Hem, door Hem en tot Hem. Een christen is daarom ook te kennen en te herkennen aan de levendige relatie met Christus. Een relatie, die niet verborgen kan blijven. Gelijk bij een kind bemerkt wordt en blijkt, dat het een moeder heeft, zo wordt bemerkt wat een christen door Christus is. Dat men een christen door Christus is. Door Hem alleen. Vandaar dat de naam christen geen algemene naam is. Het is een naam die spreekt van het wonder van Gods liefde, van ’s Heeren souvereine genade. Iemand heeft eens terecht opgemerkt: ”de naam christen is een naam rijk van eer, vol van heerlijkheid. Zij bevat een wereld van bloeiende gedachten”. De klacht: ”ik ellendig mens” kan dit niet verduisteren. Waar die klacht is mag ook de roem zijn. De roem vanwege de eer. De eer door de Heere gegeven. De naam christen is een eer. In de tijd van de vervolgingen sprak die naam bijzonder. Wonderlijk, maar waar. In een tijd van zwaard en vuur, van brandstapel en pijnbank, schaamde men zich niet voor die naam.

Eén van de martelaren verklaarde toen men hem naar zijn naam vroeg: ik heet Probus (de Deugdzame), maar mijn edelste naam is christen. En keizer Theodosius moet gezegd hebben: ”ik vind er meer heerlijkheid in christen dan keizer te zijn”.

Helaas is het gebruik van die naam verwereldlijkt en veruitwendigd. Uitgehold, of een naam van geringe waarde geworden. Dit kan ook komen door het verduisterde leven van christenen. Het openbaar komen, het blijken van het leven als christen, behoort tot het leven van christenen.

In de Bijbel worden we daarop gewezen. Opvallend wordt ons dit beschreven. Wanneer we Handelingen II lezen, dan werden daar de volgelingen van Jezus Christus christenen genaamd. Naar alle waarschijnlijkheid hebben zij die naam niet van de joden gekregen. Deze hadden reeds een bijnaam voor hen gevonden. Nazaréners, Galileërs. Ook had men die naam zichzelf niet gegeven. Het is een naam door de wereld, de burgers van de stad Antiochië uitgedacht. In die naamgeving tekent zich de wassende kracht van het christendom. Immers tot dus ver had men geen onderscheid gemaakt tussen joden en volgelingen van Jezus. Jezus was in hun ogen niet meer dan een jood. Maar het onderscheid werd gehoord en gezien. Het werd zichtbaar. Het werd merkbaar. De volgelingen van Jezus dachten, spraken, leefden anders. Ze sloten zich niet op in een synagoge, maar trokken met een eigen banier de wereld in.

De naam, uitgedacht voor en gegeven aan Jezus’ volgelingen was een scheldnaam, geen erenaam. Evenals in de tijd van vervolging de naam ”geus”. Een scheldnaam voor de wereld, maar voor de christenen was het een erenaam. De opmerking, de aanwijzing: ”dat is een christen”, is treffend, tekenend. De waarheid werd daarin uitgesproken. De levende verbondenheid aan Christus. Het leven met Christus.

De naamgeving bleef niet beperkt tot de havenstad Antiochië, de naam ”christen” werd wereldwijd. Wanneer Paulus zich bevindt in het stadhouderlijk paleis te Caesarea en zich daar verantwoorden moet, zegt Agrippa tot hem: ”gij beweegt mij bijna een christen te worden”. Nu gaan we niet in op wat Agrippa bedoelt, maar we willen wijzen op het woord wat hij gebruikt.

De naam christen was hem niet onbekend en tevens waaraan christenen te herkennen waren. Wat de identiteit van een christen is. Nu die identiteit ontdekte hij bij Paulus. De man, die daar gebonden voor hem stond is een christen. En Paulus schaamde zich niet voor zijn christen zijn. Het kwam openbaar onder joden en heidenen dat hij een christen was. Nu, dat christen-zijn zoals we dat bij Paulus zien, brengt lijden met zich mee. In zijn eerste brief wijst daar Petrus ook op. De christen kent iets van Christus’ lijden. Lijden vanwege de verbondenheid aan Hem. En lijdt iemand, zegt Petrus, omdat hij behoort bij Jezus Christus, die behoeft zich niet te schamen. Hij zegt het zo met nadruk: ”Maar indien iemand lijdt als een christen, die schame zich niet”. I Petrus 4 : 16a. Immers men misdraagt zich niet. Men kan lijden, omdat men zich misdragen heeft. Zulk een lijden, zegt Petrus, is een verdiend lijden. Wie als een moordenaar lijdt, lijdt terecht. Ook wie als een dief lijdt, of als een boosdoener draagt daarin de straf voor zijn eigen misgrepen.

Een christen, zegt Petrus, behoeft zich niet te schamen. Want zijn lijden brengt hem geen schande, geen oneer. Steeds moet men zich dit bedenken, onder alles wat men overkomt, of wat men moet meemaken. Het lijden kan diepe sporen trekken in het leven, zelfs in het gezinsleven. Het lijden als christen kan veel doen. Maar nimmer schame men zich. Temidden van alles, waarin men komt, of wat men moet meemaken is er stof om de Heere groot te maken.

Petrus zegt dan ook met klem: ”zich niet te schamen, maar God te verheerlijken in deze dele”. Met het ”in deze dele” wordt bedoeld: de bevoorrechting des Heeren. De Heere maakte tot christen en Hij laat als christen leven. Het lijden is ook niet uitzichtloos. Niet zonder hoop. Niet zonder belofte. Zoals Christus na Zijn lijden heerlijkheid ontving, zo zal ook Zijn gemeente heerlijkheid ontvangen. De christen gaat in en door het lijden niet ten onder. Men gaat in Christus de openbaring van Zijn heerlijkheid tegemoet. Welk een toekomst wacht. De gedachte daaraan, de zekerheid daarvan geeft vreugde. Die vreugde tempert het lijden.

Dit alles beschrijft Petrus in zijn eerste brief, in het eerste hoofdstuk. Wie nu lijdt om de naam van Christus is niet te beklagen. Men is zalig. Petrus schrijft: ”Indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig”. Wie lijdt om de gerechtigheid wordt zalig genoemd. Om der gerechtigheid wil d.i. om het doen van Gods gebod, het geloof in Jezus Christus. Het prediken van Zijn evangelie. Het weigeren van zonde en afgodendienst. Het wandelen naar Zijn evangelie. En Jezus Christus zegt in Zijn prediking: ”Zalig zijt gij, als u de mensen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt U, want uw loon is groot in de hemelen, want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn”. Matth. 5:11, 12.

Wie lijdt, omdat hij de naam van Christus draagt, behoeft zich ook geen zorgen te maken, als hij gesmaad wordt van mensen. Van Godswege wordt hem of haar gezegd, dat men zalig is. ”Want de Geest der heerlijkheid en de Geest van God rust op U”, staat er in I Petrus 4 : 14.

Die Geest doet Zijn heilswerk. Sterkend, bemoedigend. Verheffend. En daarom is er temidden van druk en lijden stof tot danken en het verheerlijken van God. Calvijn schrijft in zijn commentaar op Petrus: ”Waarlijk, dit is geen geringe weldaad van God, dat Hij ons, na ons van de gewone straffen der zonden vrijgemaakt en losgekocht te hebben, tot een eervolle strijd roept, dat wij om het getuigenis van Zijn evangelie verbanningen of gevangenissen of smaad of de dood mogen lijden”.

En de Heere zegt in Petrus’ brief: ”Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt U opdat gij ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid U moogt verblijden en verheugen”. I Petrus 4 : 13.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De merktekenen der christenen 17.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken