Bekijk het origineel

Laus Deo 28.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 28.

7 minuten leestijd

Regel van bescheidenheid

De engelen zijn door God geschapen. Dat wordt ons ondermeer duidelijk uit Gen. 2 : 1. Wij lezen daar: alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir. Verder zwijgt de Schrift over de tijd of de orde waarin zij geschapen zijn. ”Waartoe dient het, om angstig na te speuren op de hoeveelste dag, behalve de sterren en de planten ook de andere meer verborgen hemelse heir-scharen geschapen zijn?”

Wij moeten hieromtrent de regel van bescheidenheid en matigheid in acht nemen, die voor de gehele leer van de godsdienst geldt d.i. ”dat wij over duistere zaken niets anders moeten spreken of gevoelen of ook begeren te weten, dan wat in Gods Woord ons meegedeeld is”. Het gaat erom bij het lezen van de Schrift niet toe te geven aan onze nieuwsgierigheid. Wij moeten ons slechts bezig houden met het zoeken en overdenken van dingen die tot opbouwing dienen. De Heere wil ons niet onderwijzen in onbeduidende kwesties ”maar in de waarachtige vroomheid, in de vreze van Zijn Naam, in waar vertrouwen en in de plichten der heiligheid”. Laat ons dat genoeg zijn. Het is Calvijn bekend dat het onderzoek van onbeduidende dingen door velen met veel gretigheid en genot wordt aangegrepen. Zaken die voor de hand liggen worden voorbij gegaan, terwijl onbelangrijke dingen met veel genot worden onderzocht. Maar de leerregel van Christus: onderzoekt de Schriften, moet maatgevend zijn.

Uit de hemel gevallen?

Calvijn vermeldt in dit verband een boek genaamd: de hemelse hiërarchie van de hand van een zekere Dionysius. Blijkbaar was dat een boek dat handelde over de engelen. ”Als men dat boek leest, zou men denken, dat men een man, die uit de hemel gevallen is, hoort vertellen niet wat hij geléérd, maar wat hij met zijn ogen gezien heeft”.

Deze Dionysius had blijkbaar niet genoeg aan de eenvoudige leer van de Schrift. Calvijn noemt zijn bespiegelingen ”klinklare babbelarij”. Het is de taak van de godgeleerde niet buiten Zijn Boek te gaan. ”Het is niet de taak van de godgeleerde om door babbelen de oren te strelen, maar om door het lezen van ware, zekere en nuttige dingen de conscientiën te versterken. Laat ons alle beuzelachtige wijsheid maar vaarwel zeggen en uit de eenvoudige leer van de Schrift nagaan wat God gewild heeft, dat wij over Zijn engelen zouden weten”.

Gezanten, soldaten en goden

De Schrift spreekt ons van hemelse geesten, ”wier dienst en gehoorzaamheid God gebruikt om al Zijn besluiten uit te voeren”. Als zodanig worden zij ”engelen” genoemd. Ze zijn Gods ”tussenboden”. Hij gebruikt ze om Zich aan de mensen te openbaren. Er zijn ook andere benamingen. In Luk. 2 : 13 beschrijft Lukas de verschijning van de engelen aan de herders in de velden van Efratha. ”En van stonde aan was daar met de Engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God”. Waarom worden engelen hier ”heirleger” genoemd? Omdat zij dienaren zijn van die hemelse Veldheer. In de hemel omringen zij hun Vorst, en verheerlijken Zijn majesteit. Ze staan als soldaten gereed om het teken van hun Veldheer op te volgen. In diezelfde richting wijst ook de profeet Daniël (7 : 10).

Hij kreeg een hemels troongezicht. Hij mocht de Heere op zijn rechterstoel aanschouwen. ”Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur; een vurige rivier vloeide en ging van vóór Hem uit” en dan: ”duizendmaal duizenden dienden Hem en tien duizendmaal tienduizenden stonden voor Hem: het gericht zette zich en de boeken werden geopend”.

In Coll. 1 : 16 beschrijft Paulus de engelen als volgt: ”Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten, alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen”. Hij noemt hen krachten: omdat Hij de macht en kracht Zijner hand door hun dienst op wonderbare wijze vertoont. Hij noemt hen overheden en machten en heerschappijen: omdat Hij door hun dienst Zijn heerschappij in de wereld uitoefent en regelt. Hij noemt hen tronen: omdat in zekere zin de heerlijkheid Gods op hen rust. Ja, ze worden in de Schrift zelfs goden genoemd: omdat zij hun dienst, als in een spiegel, ons de Godheid Zelf in zeker opzicht aanschouwelijk maken. In Ps. 82 : 6 belijdt Asaf van de vorsten en stadhouders: Ik heb wel gezegd: gij zijt góden. Zij nemen immers in de uitoefening van hun ambt de plaats van God in, die de hoogste Koning en Rechter is. Hoeveel temeer is deze naam ”góden” dan van toepassing op de engelen die in veel diepere zin hun Koning en Rechter vertegenwoordigen!

Engelen, knechten, machten en góden. Voorname titels aan deze dienaren gegeven. De Heilige Geest gebruikt ze om als de hoge waardigheid van de dienst der engelen aan te duiden.

Ambt van bescherming

Calvijn noemt de engelen: ”uitdelers en bestuurders van de Goddelijke weldadigheid jegens ons”. Zij waken voor het heil van de gelovigen. Zij nemen hun bescherming op zich. Zij leiden hun wegen en zorgen dat hen geen kwaad overkomt. Ps. 91 : 11,12 roept de Psalmdichter in de eerste plaats Christus en in Hem alle gelovigen toe: ”Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen opdat gij uw voet aan geen steen stoot”. God heeft de bescherming van de gelovige dus aan de engelen opgedragen. Ook de voortvluchtige Hagar wordt door de engel des Heeren getroost en beveelt haar zich met haar meesteres te verzoenen. Gen. 16 : 9. Engelen beschermden het Israëlitische volk in de woestijn. Ex. 23 : 20: ”Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb.”

Terloops zij hier opgemerkt dat Calvijn op de hoogte is van het feit dat de kerkvaders de aanduiding: de Engel des Heeren, meestal betrokken op Christus. Toch is hij van mening dat deze naam meermalen ook aan de engelen zelf wordt toegekend.

Ook in de bedeling van het Nieuwe Testament zijn de engelen aktief. Zij hebben Christus gediend bij zijn verzoeking in de woestijn, Matth. 4 : 11. De duivel liet van hem af: en zie, de engelen zijn toegekomen en dienden Hem. Bij Zijn zware strijd in Gethsemané toen Hij uitriep: Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van Mij wegnemen, werd van Hem gezien een engel uit de hemel die Hem versterkte, Luk. 22 : 43. Zij waren de boodschappers van Zijn opstanding aan de vrouwen en van Zijn glorierijke wederkomst aan de discipelen.

De keerzijde van de bescherming der gelovigen is hun strijd tegen de duivel en al hun vijanden. Zij ”oefenen de wraak Gods uit tegen hen, die ons vijandig zijn. De engel heeft grote kracht.

Eén engel Gods doodde in de legerplaats van de Assyrische koning in één nacht honderd en vijfentachtig duizend mannen. En Jeruzalem was van de belegering bevrijd! Zo oefenden en oefenen zij hun ambt van bescherming uit tot op deze dag.

Zalig zijn ze die op hun handen gedragen worden. Hen zal geen kwaad wedervaren en geen plaag zal hun tent naderen.

Institutie I, XIV, 4-6.

Wordt vervolgd D.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 28.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken