Bekijk het origineel

De merktekenen der christenen 19.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De merktekenen der christenen 19.

9 minuten leestijd

Een christen staat niet alleen in de wereld. Men kan zich soms eenzaam en verlaten weten, maar geheel alleen is men niet.

In moeizame, moeilijke uren of tijden laat de Heere Zich niet onbetuigd. Gods Woord wijst ons er op. Denk aan het Woord, dat de Heere sprak tot Sion: ”Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon van haar buik? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij”.

En wat heeft de Heere tot de moedeloze, diep ingezonken Elia niet gezegd. Elia dacht dat hij alleen was overgebleven. Niemand stond meer naast hem. Niemand stond meer achter hem. Niemand volgde hem. Hij stond alleen in de dienst van de Heere. Hij alleen vreesde de Heere. De Heere wees hem er op, dat de Heere er nog zevenduizend had, die getrouw waren. Zij bogen de knie niet voor Baal en zij hadden hem niet gekust. Er was bij hen de hartelijke verbondenheid aan de Heere en Zijn dienst. Zij waren niet tot het afzweren van de Heere gekomen. Zij wilden Hem trouw blijven. Elia zag niemand. Hij wist zich alleen. Hij dacht zich alleen. De Heere echter wees hem op de werkelijkheid. Een werkelijkheid, die blijvend is. Geheel naar de Schrift lezen we in art. 27 van onze Geloofsbelijdenis: ”dat de eeuwige Koning Christus nimmer zonder onderdanen kan zijn”.

Altijd blijft er in onze tijdsbedeling een overblijfsel, een heilige rest, naar de verkiezing der genade. Dat overblijfsel, die heilige

rest, vormen de christenen.

Omdat Jezus Christus gisteren, heden en in der eeuwigheid dezelfde is, zijn er christenen op aarde. Nu weten we dat het woord christen naar menselijke gedachten gevuld en uitgelegd kan worden. Er worden zelfs diverse bijvoeglijke naamwoorden gebruikt. Regelmatig lezen we de benamingen evangelische, reformatorische christenen. Die aanduiding spreekt en wijst in een bepaalde richting. De naam bijbelse christen is scherper, gerichter. Op die naam wijst ook ons leerboek in zondag 12. In die zondagsafdeling wordt ons ook duidelijke de identiteit van een christen aangegeven. In die zondag worden we gewezen op de herkenbaarheid van een christen. Bijbelse christenen staan in een directe, levende relatie met Christus. Ze leven uit Hem en kennen iets van Hem.

Christen wordt men door Christus en blijft men door Hem, men wordt profeet, priester en koning. Welk een genade, welk een eer voor een gevallen mens om profeet, priester en koning te zijn. Het kennen van de Naam en de liefde tot de Naam des Heeren leidt tot het belijden van de Naam. Het horen van en het luisteren naar de Naam drijft tot het getuigen van en het opkomen voor die Naam. In de kleine maar ook in de grote samenlevingsverbanden moet de Naam gehoord worden. Moet de Naam bekend zijn. Het mag dus niet beperkt blijven tot de muren van eigen huis, of eigen kerk. Er is een roeping naar buiten. Een roeping, die vervuld dient te worden in woord en daad. Er wordt heel, heel wat gevraagd. De getrouwheid in het belijden mag niet wijken, of zich beperken. De roeping mag ook niet overgedragen worden. Men blijft zelf verantwoordelijk. Nu weet de Heere van het onvermogen af. De menselijke zwakheden zijn Hem niet onbekend. In Zijn Woord wijst Hij zelfs op de lauwheid en de koudheid. Die lauwheid, of die koudheid kunnen zo werken. Er kan soms meer mensenvrees zijn, dan Gods vrees. De Heere wil in Zijn goedheid aan schuldbe-lijders gedenken, ja zelfs brengt Hij lauwen, kouden weer op hun plaats. Deafgedwaalden, plichtverzakers komen terug in het rechte spoor.

Hoe vlamt weer op de liefde tot de Naam des Heeren en de bewogenheid tot de medemens. En Jezus Christus geeft tot bemoediging de verzekering dat Hij bijstaat en de woorden legt in de mond. Men zal zelfs staande voor koningen en stadhouders niet beschaamd worden. De Heere laat nietstaan. En wat mag Zijn Woord een hart onder de riem zijn: ”Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is”.

De christenen zijn ook te herkennen aan hun priesterlijk werk. De Heere heeft priesters in Zijn dienst. Die priesters wijden hun gehele leven aan de Heere en aan de naaste in zelfopofferende liefde. Iets van de gezindheid van Christus blijkt. De dienende Christus leidt tot een dienend leven. De Zich geheel gevende Christus bewerkt het leven tot dienen, tot het zich geven. En dat zichzelf geven wordt de lust van het leven en dat niet om eer of roem te oogsten, maar omdat de Heere het waard is. Het gebed leeft ook: ”leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden”. De priesterlijke dienst nu wordt gezien in geestelijk en stoffelijk weldoen. De geestelijke noden en behoeften van anderen, van de ander nabij en veraf worden de Heere voorgelegd. Er wordt geleefd bij het ”Uw Koninkrijk kome”. De uitbreiding en de opbouw van Gods kerk en koninkrijk gaat de priester ter harte. Men gunt de grote Koning vele onderdanen. De afbreuk van satans rijk stemt tot blijdschap en de vele aanvallen op het rijk van Christus tot droefheid. Het verlaten van de kerk en het gaan van eigen wegen door jongeren en ouden treft de priesters diep. Het laat hen niet los.

De grenzeloze macht van de Heere en Zijn onuitsprekelijke liefde sterken hen en doen hen aanhouden in het gebed. De machtige Jacobs kan en wil wonderen doen. De voorbede heeft ook een plaats in het leven van de priesters. De priester staat niet mer gesloten ogen in de kerk en samenleving. Het ”bewaar, vermeerder en sterk Uw Kerk en wees met haar bediening en arbeid in kerk en wereld” zijn gedachten, die regelmatig uitgesproken worden in het gebed voor de Heere. Het lastdrager te mogen zijn en de hartelijke meelevendheid behoren tot het eigene van het priester-zijn. De beurs van de priesters blijft niet gesloten. Het doet aan allen wel, maar meest aan de huisgenoten des geloofs leeft bij de priesters en de praktijk ervan is hen niet vreemd. Hoe kan de gave, het offer niet vergezeld gaan met een hartelijk verlangen. In de gave, hetoffer kan ook iets liggen, iets spreken van de ootmoedige dank aan de Heere. Het dankgebed van David komt niet vreemd, noch onbekend over. ”Uw, o Heere, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit; want alles wat in de hemel is en op de aarde is, is Uwe: Uw, o Heere is het Koninkrijk en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht en Gij heerst over alles en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. Nu dan onze God wij danken U en loven de Naam Uwer heerlijkheid. Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U en wij geven het U uit Uw hand. I Kron. 29 : 11-14. Het koninklijke ontbreekt niet bij de christenen. Waarin dit uitkomt geeft de Heidel-bergse Catechismus aan. Het strijden met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde. De christenen zijn dus te herkennen aan hun strijden, nl. het strijden met een vrije en goede consciëntie. Iemand heeft eens terecht gezegd: Dit laatste is niet gesteld als een beschrijving van het wapen. Het geweten is geen instrument tegenover de wereld, maar een orgaan dat de strijder zelf dient. De christen-koning kan niet vechten, als zijn geweten niet zuiver is. Dan heeft hij teveel last van zichzelf. Voor deze strijd is nodig de wetenschap, dat hij staat aan Gods zijde, deelt in Gods liefde, leeft voor Gods eer. Ook moet er zijn de overtuiging, dat hij zich in de strijd niet bedient van Valse middelen, wereldse praktijken, wat de apostel noemt: wapen des vieses. De koning met de vrije en goede consciëntie gebruikt de geestelijke wapenrusting van Efeze 6”.

Die koninklijke strijd nu wordt gevoerd en blijft gevoerd inwendig en uitwendig. Aan de binnenkant en de buitenkant van het leven. Wat Bunyan in zijn ”heilige oorlog” schrijft is bij de koninklijke strijders niet onbekend. De koninklijke strijders worden nimmer aan hun lot overgelaten. De sterke, grote Held, de Leeuw uit Juda’s stam staat hen terzij. Zijn kracht blijft werken en doorwerken in hun zwakheid. Zijn machtschraagt hen in het lijden In de strijd houdt Hij hen staande en eenmaal haalt Hij hen allen uit de strijd. Wie de goede strijd ken en betracht zal het goede land, het Kanaan der rust ingaan. Tenslotte. Wat is het resultaat van tweeduizend jaar christendom? Wat is er over van het eerste christen-zijn, nu ongeveer tweeduizend jaar geleden? Waar zijn de christen-profeten, de christen-priesters, de christenkoningen?

Zijn ze er nog? Gode zij dank wel! Ik wil U doorgeven wat gelezen werd. ”Er is méér christendom dan wij weten. Christus ontdekte het bij onbekende mensen als de weduwe, die haar hele leeftocht offerde. Meermalen roept Hij op plaatsen, waar men het niet verwacht: groot is uw geloof. Dit is het wezen van het christendom, onvernietigbaar, dragend, gelijk het zaad in’ de aarde, het beginsel van oneindige vruchtgevende kracht. Christus is er waarborg voor, dat er altijd christenen zullen zijn, die blozen over het oude verleden en daarom werken voor de nieuwe toekomst. Christendom is vervulling en ervaring van het woord: ”Ik leef en gij zult leven”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De merktekenen der christenen 19.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken