Bekijk het origineel

De merktekenen der christenen 21.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De merktekenen der christenen 21.

8 minuten leestijd

Morgen. Wie leeft er bij morgen? En dan bij welke morgen? Immers het denken aan morgen is verschillend. Morgen is verschillend gevuld en gekleurd.

Morgen is de toekomst en wat kan van de toekomst gezegd worden? Voorspellingen zijn en worden gedaan. Het jaar 2000 komt in het vizier. Maar het optimisme is gematigd, wanneer daar aan gedacht wordt. Immers in ons wereldje kan er voor die tijd nog van alles gebeuren. Menigeen zegt bij het denken aan en werken voor morgen, moet er komen de versterking van het heden. Hoe sterker het heden, des te zekerder de toekomst, de dag van morgen. En tot die dag van morgen behoort beslist niet de grote Dag. De Dag des Heeren. Die dag komt immers niet. Het Bijbels gegeven is een fabeltje. Een menselijk verzinsel. Leven bij die dag is onzin en verlangen naar die dag brengt de grootste teleurstelling. In kerk en theologie is ook een visie op de toekomst gekomen, waaruit de toekomst, het toekomstige leven weg is. De moderne theologie breekt met de toekomstverwachting, waarvan de Bijbel spreekt. Een vertegenwoordiger van de moderne theologie rekent af met de gedachte als zou de toekomst gekenmerktzijn door een breuklijn in de geschiedenis, als Christus wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

De toekomst wordt, zo wordt gezegd, bepaald door beslissingen, die individueel en in politiek worden genomen. Onze toekomst ligt in het menselijk vlak en reikt niet verder dan de aardse horizon. En binnen die horizon liggen de hemel en de hel, die beide bepaald worden door onze menselijke beslissingen. De hemel is daar waar de goede beslissingen genomen worden en de hel is daar waar het verkeerd gaat. Wanneer er genade gevonden wordt, dan moet die in de wereld gevonden worden en niet daarbóven. Wat erg deze theologische overtuiging, gepropageerd en door velen geloofd. Zij rekent af met het Woord des Heeren en het getuigen van Jezus Christus en Zijn apostelen. Zij biedt ook niet de minste zekerheid en gegronde hoop voor morgen. En die hoop is er. Die hoop mag er zijn. Hoop voor morgen. Hoop voor de toekomst. En dat door het verzoenende, verlossende werk van Christus. Morgen ligt in vandaag en vandaag in gisteren. In gisteren ligt morgen al vast. Immers morgen, de toekomst ligt in het verleden op Goigotha. Toen is de toekomst, het toekomende al begonnen. Met nadruk wordt daarom ook door Jezus Christus gezegd: “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven”. Het eeuwige leven in beginsel reeds hier. Het leven van morgen, van de toekomst begint vandaag. Zalig hij, die het kent.

En dat leven sterft niet weg. Dat leven verdwijnt niet. De Heere houdt het in stand. Hij sterkt. Hij versterkt het. Als het doodsuur komt, mag de begenadigde zondaar er door leven, uit leven. Het voert door de doodsnacht heen en leidt naar het eeuwige leven.

Het eeuwige leven wat is de volle gemeenschap met de Drieënige God.

Van die toekomst, van die morgen verzekert de Heere. En dit ook, mede gelet, de situatie in de eindtijd op aarde. De laatste aanval wordt dan gedaan door de overste van de wereld. Een aanval veelzijdig, listig, sluw, goed doordacht. Het beest uit de aarde, de verpersoonlijking van de geestelijke macht, zal zijn slag slaan.

In het boek Openbaringen wordt het ons getekend. Het wordt ons beschreven, hoe het zal gaan en wat het beest zal doen. Maar we worden ook gewezen op Christus. Het overwinnende Lam Gods.

Christus is de Triumfator. Een driestemmig engelenkoor spreekt, elk op eigen wijze, van Hem. De eerste jubelt van Zijn eeuwige Evangelie, dat triumfeert tegen de macht van het beest en de dood. De tweede roept het uit, dat Christus’ heerlijkheids verschijning inhoudt, dat het Babel van deze wereld ondergaat. En de derde engel laat het horen, dat alle aanbidders van het beest en zijn beeld zullen omkomen. Maar er volgt nog iets en dat wordt Johannes en in hem de kerk verzekerd: “zalig zijn de doden, die in de Heere sterven”. Het moet op schrift gesteld worden, het moet gedocumenteerd worden. De eeuwen moeten het weten, de eeuwen moeten het horen. Zalig, welgelukzalig zijn allen, die in de Heere sterven. De hemelstem zegt het met nadruk “in de Heere sterven”. Er wordt niet gewezen op de wijze van sterven, maar op de aard van het sterven. Op het “in de Heere” komt het ook aan. Het spreekt ons van de nauwe geloofsvereniging met de Heere. Het één zijn met Hem, gelijk een rank met de wijnstok. Het wijst ons op het uit Hem en door Hem te leven. En dat leven is niet zonder vrucht. Enerzijds een stervend leven en anderzijds het leven vertonend, wat voortvloeit uit de gestorven en opgestane Christus. Zo is het nu bij ware christenen. Van hen wordt ook gesproken in Openbaring 14 : 12. Te midden van loslating en verloochening worden de heiligen gezien, die de geboden Gods bewaren en het geloof in Jezus Christus niet verloochenen. Zij blijven trouw. En dat door de kracht van de Heilige Geest, door de band der liefde, die hen bindt aan Jezus Christus. Hun leven laat winst zien. Hun sterven geeft winst. Op het leven in de Heere, volgt het sterven in de Heere. “Ja”, zegt de Geest, “opdat zij rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen met hen”. Het woord “arbeid” spreekt van een moeitevolle worsteling. Van een worstelend leven aan Gods genadetroon. Zoekend, vragend, Belijdend en pleitend. Het spreekt van een worsteling met de Boze en zijn bondgenoten. Een strijden tegen de zonde en zichzelf. De rust, verdiend door de grote Rust-aanbrenger, wordt verkregen. De eeuwige rust wacht!

En dat leven in de “rust” is geen doelloos leven. Het zal een werkzaam leven zijn. De werken volgen. De werken gaan niet voorop. Goede werken leiden niet tot de zaligheid. Zij bepalen niet de ingang in Gods koninkrijk. Dat doet alleen Christus. Uit genade en door genade alleen wordt men zalig in dit leven en gaat men in in de eeuwige gelukzaligheid. Nu is het doen van goede werken de christenen niet vreemd. Het nieuwe leven brengt daartoe en spoort daartoe aan. Het behoort ook tot het eigene van een christen. Vandaar dat er ook niemand in de hemel zal komen zonder goede werken. Alhoewel niemand in de hemel komt door de goede werken. De beloning des Heeren is genade alleen. Het loon van Christus wordt toegekend. Gegeven in dit leven reeds. Het is niet tevergeefs de Heere te dienen, te vrezen en Zijn wacht waar te nemen. Want “wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint. Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten. De goddelozen hebben geen vrede, de godvrezenden alleen”.

En wat op aarde in beginsel hun leven is, zet zich in de eeuwigheid volkomen voort. Het dienende leven, het zich gevende leven zal volmaakt, volkomen zijn. Het leven bij de Heere, zal een leven van staan zijn. Staan voor Zijn troon als ’s Heeren dienstknechten. Een leven van dienen als priester in Zijn tempel dag en nacht. Eeuwig en altoos.

Dienen wordt op aarde de lust, in beginsel het leven. In de eeuwigheid zal het het leven van het leven zijn. Dienen in gehoorzamen, in volgen. In verbondenheid. In eren, in loven en prijzen.

Welk een dag komt morgen. Ja, met morgen breekt de eeuwigheidsdag aan. Een dag die begint, maar nimmer eindigt. De dag van Jezus Christus. De dag van Zijn christenen, voor Zijn christenen. En die deze dingen getuigt, verzekert, zegt: Ja! Ik kom haastiglijk. Hij komt! Hij staat te komen! Hij is reeds onderweg. Hij is op weg naar Zijn morgen, naar Zijn dag. Ons hart zij bereid om Hem te ontmoeten. Ons kleed zij wit. Onze kaars brandend. Het leven moge staan in het teken van morgen. Nuchteren, wakend, werkzaam, verlangend.

En komt Hij: dan zal de heerlijkheid der vromen, op ’t luisterijkst te voorschijn komen; dan schenkt Gods goedheid hun begeren; Lof zij de Heere der heren!

“De christenen zullen aan zich volbracht zien de volle verlossing. Zij zullen ontvangen de vruchten van hun arbeid en van hun moeite, die zij zullen gedragen hebben. Hun onschuld, hun oprechtheid, zal dan bekend worden door allen. Ieder zal een waar christen dan voor een christen erkennen. Men zal ook algemeen hun werken, hun gebed, hun strijd tegen de zonde erkennen, hun geloof, hun hoop, hun liefde. Zij zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De zoon van God zal hun naam belijden voor God Zijn Vader en Zijn uitverkoren engelen. Alle tranen zullen van hun ogen gewist worden. Hun zaak, die nu tegenwoordig van vele Rechters en Overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de Zaak van de Zoon van God te zijn. En tot een genadige vergelding zal hen de Heere zulk een heerlijkheid doen bezitten, als het hart eens mensen nimmer meer zou kunnen bedenken”. Artikel 37, N.G.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De merktekenen der christenen 21.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken