Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 28

10 minuten leestijd

“En aan zijne hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijne hand Zakkur, de zoon van Imri.....”

Beste jongelui!

De vorige keer hebben we gezien dat men begon met de herbouw van de muur van Jeruzalem. De hogepriester met zijn familie gaven het goede voorbeeld. En een goed voorbeeld doet volgen, zeggen degenen die spreekwoorden gebruiken. We hebben ook gehoord dat er 42 ploegen waren die aan de herbouw en verbetering van de muur deelnamen. 42 bouwploegen! Dat is geen kleinigheid. Het opmerkelijke is, dat er steeds staat “en aan zijne hand bouwden”...... “en aan hunne hand bouwden of verbeterden” enz. Dat wil heel eenvoudig zeggen dat zij hand aan hand werkten. Je kunt het ook zó zeggen: Zij werkten elkaar in de hand. Zij werkten elkaar niet tegen, bij de herbouw van Jeruzalems muur, bij de herbouw van de kerk. Want daar is Jeruzalem toch altijd een voorbeeld van en dat tot in de hemel toe. Denk maar eens aan het nieuwe Jeruzalem waarover in het boek Openbaringen gesproken wordt.

Dat zij hand aan hand werkten geeft een stukje eenheid te kennen. En dat is toch een schone zaak. We belijden elke zondag: Ik geloof een heilige algemene Christelij ke kerk. Je kunt er over twisten of met het cursieve woordje “een” een telwoord wordt bedoeld, namelijk dat er maar één kerk is, dan wel of het een onbepaald lidwoord is, zo in de geest van “daar is ook nog een kerk”.

Zeker is dat er in werkelijkheid maar één kerk is. Dat leert de bijbel duidelijk. Het is één lichaam onder één Hoofd. Het is één tempel en ga zo maar door. Ik wil in de belijdenis daarom het woordje één maar graag als een telwoord zien. Daar is in feite maar één kerk en geen twee of drie of......Daar is als het er op aan komt ook maar één doop, één geloof, één Heere. Dat zijn duidelijke gegevens.

Men heeft in de nieuwe vertaling van de geloofsbelijdenis het woordje “een” vervangen door “de”. Zodat velen tegenwoordig lezen: “Ik geloof de kerk.” Dat zal men wel goed bedoelen, maar ik geloof dat deze z.g.n. verbetering een weg is die niet bewandeld moet worden. Want op deze wijze komen we de roomse kerk in het gevlij. De roomse kerk die ook de twaalf artikelen heeft, belijdt:.....

”ik geloof in de kerk”. Ze bedoelen daarmee dat niet het woord van God het laatste woord heeft, doch dat dit bij de kerk ligt. Aan de top van de roomse kerk staat de paus. En zoals hij het zegt, zo is het, ook al is zijn spreken in strijd met het Woord van God.

Dat we deze dingen schrijven is geen spijkers zoeken op laag water, maar het gaat hier over beginselen, die we onverkort moeten handhaven, om niet in verkeerde vaarwateren terecht te komen.

In dat “hand aan hand werken” die de eenheid symboliseert, zit iets aantrekkelijks, iets wat tegenwoordig helaas ver te zoeken is. Want inplaats dat eenheid de kerk, wat zijn openbaring betreft, siert, is er een grenzeloze verdeeldheid. Velen noemen zich “gereformeerd” en staan als kemphanen tegenover elkaar. Men spreekt veel over eenheid en dat die gezocht moet worden, doch in de praktijk wordt de verdeeldheid steeds groter. Hoe dit toch komt? Omdat we allemaal graag “onze” kerk bouwen en daardoor afbreuk doen aan het koninkrijk Gods. Als het over de schuld gaat, die aan de verdeeldheid ten grondslag ligt, dan wijst men altijd naaide ander, en niemand komt persoonlijk in de schuld. Ik geloof als dit eens meer gevonden werd. dit het begin van de eenheid zou zijn. En dan geen schuldbelijdenis in de mond, want dat is erg goedkoop en wordt ook nog wel genoeg gevonden. Doch een schuldbelijdenis met het hart. En dat is een vrucht van de werking van de Heilige Geest. Dat kan niemand maken, al is een ieder daarvoor verantwoordelijk. Als dit meer gevonden werd dan zou er een buigen zijn onder God en ook een samen optrekken in de dienst van God. Er zou dan ook van de kerk meer uitgaan. Eenheid maakt macht. Verdeeldheid ontkracht.

En toch: “Ik geloof één heilige algemene christelijke kerk”. Ondanks alle verdeeldheid is er toch de eenheid. Doch de lijn van de eenheid is een andere dan die door ons wordt getrokken. De ene kerk is de ware kerk. Het geheel van uitverkorenen, dat door de Zoon van God, uit het ganse menselijke geslacht, door Woord en Geest, in enigheid des ware geloofs, tot één gemeente vergaderd wordt. Wie daar een levend lidmaat van is, heeft een goed kerkelijk onderdak. Dat is elke lezer te gunnen, en God kan een ieder dit geven. Doch hij moet er wel om gevraagd worden. Niet dat het om ons vragen gegeven wordt, want dan zou er in het vragen een zekere verdienstelijkheid liggen, doch omdat het de weg is, waarlangs de Heere deze weldaad een zondaar wil doen toekomen.

Als er in dat “werken hand aan hand” een schone eenheid mag worden gezien, er is onder die werkers ook verscheidenheid. Verscheidenheid is geen verdeeldheid. Dat moet wel goed onderscheiden worden. Als er over verscheidenheid gesproken wordt, wil dat zeggen, dat niet alle bouwers eender waren. Daar was verschil in vermogen, in aanleg, in beroep, in gaven enz.

Dit kunnen we zien als we langs de bouwploegen gaan. In vers 4 wordt gesproken over Meremoth, de zoon van Uria. In vers 21 komt zijn naam weer voor en dan bij een ander gedeelte van de muur. Dat wil zeggen dat deze man in de herbouw een dubbel aandeel heeft gehad. Hij wordt geacht een vermogend mens geweest te zijn. Iemand die veel gegeven was. En van iemand die veel gegeven is, wordt ook veel gevraagd. Doch Meremoth, de zoon van Uria verstond zijn roeping. Hij maakte er zichzelf niet met een koopje van af. Zou hierin ook geen les zitten voor vandaag? Want ook nu heeft niet iedereen evenveel. Je hebt rijke en minder rijke mensen. Die zijn er in het koninkrijk Gods altijd geweest. Doch degenen die vermogend zijn moeten daarmede de zaak des Heeren dienen. En dan niet om daar de man of vrouw mee te worden, zoals dit bij Ananias en Saffira het geval geweest is, doch omdat de Heere het zo waard is. Dan is men geen gedwongen gever, ook geen eerzoekende gever, doch een blijmoedige gever. En die heeft de Heere lief. Want hij geeft uit liefde tot de Heere. Het is een voorrecht als men zo op de steigers van de kerk mag staan.

In vers 5 komen we weer andere mensen tegen. Zij worden de Tekoïeten genoemd. Zij vormden een bepaalde familie. Doch in een familie zijn alle familieleden niet hetzelfde. Dat kan in de loop der jaren ver uit elkander lopen. Iedereen weet dat. In een bepaalde familie kan de één rijk worden, terwijl de ander met hard werken het toch niet zo ver in het leven brengt. Zo was het blijkbaar ook met die Tekoïeten gesteld. Want er staat dat de voortreffelijken van de Tekoïeten hun hals niet brachten onder het juk. Zij gevoelden zichzelf bepaald te voornaam om hun handen ook uit de mouwen te steken. Zij hadden in het opbouwwerk geen zin. Dat is natuurlijk geen best teken. Zij lieten de minder bedeelden in hun familie het werk doen.

We moeten konstateren dat de voortreffelijken van de Tekoïeten niet met ere worden genoemd. Integendeel! Hier de toepassing te maken lijkt mij niet zo’n moeilijke zaak. Want dat soort mensen kom je in het koninkrijk Gods ook nu nog tegen. Ze zouden het heel goed kunnen doen, namelijk een steentje bijdragen. Maar ze hebben voor het koninkrijk Gods geen cent over. Het is hun eigenlijk niets waard. Dat is natuurlijk niet best. Men moet de zodanigen onder de gierigaards rekenen en die staan in de bijbel niet hoog aangetekend. Want ze worden op een rij gezet met dronkaards, overspelers, lasteraars en meer van dat soort.

Er is een oude bijbelvertaling, die reeds lang was verschenen voor de statenvertaling, en daar hebben de vertalers bij deze tekst een bepaalde kanttekening geplaatst, ontleend aan de ogen van een dobbelsteen. Daar stond dan geschreven: Een en twee die hebben niet. Vijf en zes, die geven niet. Drie en vier die geven vrij. De bedoeling is wel duidelijk. Een en twee zijn de lage ogen, dat zijn de armen, daar kun je het niet van verwachten. Vijf en zes dat zijn de hoge ogen, of te wel de rijken. Daar zou je van kunnen verwachten, doch die doen het niet. Drie en vier dat is de middenmoot, de gewone man en daar komt het van. Ik geloof dat deze kanttekening vandaag nog geldt in veel gevallen. Ik schrijf in veel gevallen, want alle mensen kun je natuurlijk ook weer niet over één kam scheren. In verband met een kerkbouw hoorden we laatst de volgende opmerking: Een derde heeft het niet, en een derde geeft het niet, zo dat het van de rest, ook een derde, komen moest.

Een ieder “die zijn hals weet te brengen tot de dienst des Heeren” zal weten dat Zijn juk zacht is en Zijn last licht. Bij de bouwploeg, bestaande uit de Tekoïeten, is dus voor deze en gene ook wel het een en ander te leren. We gaan verder naar de volgende ploeg. Overal wordt hard gewerkt. Niet overal zijn bijzonderheden van te vermelden. Bij vers 8 echter wel. Want daar wordt gesproken van goudsmeden. Die deden blijkbaar ook niet allemaal mee. Maar Uzziël, de zoon van Haharja, een der goudsmeden, deed wel mee. Het bouwen was niet bepaald zijn vak. Maar die dienst des Heeren was hem meer waard dan goud. Dat lees ik uit de tekst af. Daar staat ook een zekere Hananja vermeld, de zoon van een apotheker. Als er over een apotheker gesproken wordt, zal je wel niet moeten denken aan een moderne apotheek, doch aan een zalfbereider zoals men die in die tijd kende. Het was op alle manier, om in zalftermen te spreken, een man waar een goede reuk van uit ging.

We hebben inmiddels weer heel wat gezien en gehoord. Dit zal ons wel duidelijk zijn dat God alles en allen in Zijn dienst gebruiken kan. Hooggeplaatsten en lagergeplaatsten, meer en minder bedeelden, ook goudsmeden en apothekers, ’t geeft uiteindelijk niet wie of wat je bent, als je maar liefde in het hart hebt tot de dienst des Heeren. Dan zal dit in de werken tot openbaring komen. Elke boom wordt tenslotte aan zijn vrucht gekend. En dat zijn geen woorden maar daden. Eén pond daad is meer dan een vracht praat.

Laten we het voor ditmaal hierbij houden. De volgende keer gaan we onze reis langs de bouwers vervolgen. Het lijkt mij toch wel een nuttige bezigheid.

Tenminste, voor een ieder die wat leren wil. Als je niet weet wat je doen moet, ga je de muur van Jeruzalem maar langs. Mogelijk is er nog een gaatje, of liever: er is zeker wel een gaatje, waar u ook aan het werk kunt. Door werken zijn de eeuwen door de kerken gebouwd. Niet door niets doen.

De hartelijke groeten van jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken