Bekijk het origineel

Een troostwoord bij de gedachte aan ons heengaan van hier

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een troostwoord bij de gedachte aan ons heengaan van hier

6 minuten leestijd

Ik neem het zo:“vertrek van hier”. Ik zou hebben kunnen zeggen: “Dood”, maar we moeten dat woord bedekken met zulk een wolk van verschrikkingen, met zoveel verkeerde gedachten, dat ik wat bekend staat bij de naam van “Dood” heel gewoon zal noemen: “Vertrek”.

Alle soorten van duistere gedachten komen van nature in het gemoed op, wanneer we denken aan het verlaten van deze wereld. We verbinden dit met pijn en ellende en scheiding en eenzaamheid en het vreemde en vrees voor het onbekende. Velen, zelfs van Gods kinderen, hebben veel vertroosting nodig bij het zien van dit scheiden van de aarde.

Eén grote vertroosting zal zijn te geloven dat de beste toebereiding is gemaakt voor alles in betrekking hiermee. Niet toebereiding door onszelf of een die ons nabij staat of dierbaar is, maar door de Ene, Die van het begin alle dingen heeft toebereid. Hij Die de bewegingen van al de hemellichamen bepaald heeft en de verhoudingen van alle aardse dingen — tijden en seizoenen, zomer en winter, koude en zonneschijn — Hij Die met betrekking tot het leven zo werkzaam is, is even werkzaam in alle dingen die betrekking hebben op wat wij Dood noemen.

Mijn eerste grote vertroosting komt van de gedachten dat de beste toebereiding is gemaakt voor alle dingen die betrekking hebben op mijn vertrek van hier.

De noden van die tijd mogen vele zijn, ze kunnen slechts bekend zijn bij Een, dat is bij God en Hij Die de noden kent is de Ene Die voor de vervulling heeft te zorgen.

Het kleine kind dat in deze wereld gezonden wordt waaraan het zo vreemd is heeft alle voorzieningen ervoor door de Ene Die het zond. Zij die door dezelfde Ene worden gezonden naar een andere wereld zullen niet slechter af zijn.

En als God aan het toebereiden is kunnen we dit alles zeker aan Hem overlaten. Hij is de Ene Die de noden kent op de weg die we hebben te gaan; we kunnen er op aan bij het overlaten van dit alles. Veel van onze moeite in het leven komt van de werkingen van het ongeloof, dat maakt dat we begeren alles voor onszelf te doen, liever dan God alles te laten doen. Maar onder geen enkele omstandigheid kunnen we hier iets doen en daarom onszelf door zo te doen te bemoeilijken, is inderdaad dwaas.

Wees stil in de wetenschap dat u wordt toebereid. Bemoeilijk uzelf noch omtrent de grote dingen noch omtrent de kleine van die reis, de gedachte van uw Vader heeft alles daaromtrent bepaald.

Die Vader is God Zelf. Al Zijn kracht en goedheid en wijsheid en liefde zijn aan het werk geweest. Hij is werkzaam geweest in Christus. Hij Die Zelf heenging weet alles omtrent vertrekken en zo mogen we met de Psalmist zeggen: “A1 ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij”.

Het is het voorrecht van de gelovige te weigeren te denken aan iets dat met de dood te maken heeft, dit alles over te geven, stil te zijn, te geloven dat God aan Zichzelf gelijk zal zijn, dat er geen mislukking zal zijn, geen tekortkoming voor ons in Zijn doeleinden van liefde en stellig is hier geen kleine vertroosting.

Vervolgens: wat aangaat onze gedachten over dit onderwerp.

Dingen worden vaak bijna werkelijkheid voor ons door de wijze waarop we er over denken en door de hoeveelheid gedachten die we er aan geven.

Daarom is het dat de wijze waarop men over Dood denkt het zo duister maakt. Men verbond het met pijn en de scheiding van ziel en lichaam met eenzaamheid en koudheid en het buiten het graf zijn en met veel van zulke slechte gedachten als deze.

Maar laten we onze gedachten opleiden tot iets wat hiervan zeer onderscheiden is.

Er is niet zo’n losscheuring van ziel en lichaam als we veronderstellen. Hoeveel sterfgevallen zijn pijnloos! Hoevelen zijn er die slechts gaan slapen! Hoe hebben we telkens weer gezien dat wanneer de tijd van heengaan nabij gekomen is, er mede komt een vreemd gevoel van overgave, van volkomen vrede, een zekere aangenaamheid schijnt bezit te nemen van degene die op het punt staat te vertrekken.

Ongetwijfeld zijn er vele gevallen die men beschrijft als “benauwd sterven”, maar in de eerste plaats, geneesheren verzekeren ons dat, wat voor ons lijden schijnt niets is voor degene die voor het oog lijdt en zelfs als dat zo zou zijn, is het waarschijnlijk niet meer, indien al zoveel, als velen telkens weer pijn geleden hebben.

Laten we hopen in Jezus te ontslapen, te vertrekken, ook in dit opzicht, in vrede. We weten niet het ogenblik waarop we onszelf losmaken van de uitwendige wereld in de slaap; dan worden we er werkelijk dood voor, we zullen niet het moment weten waarop we van hier gaan.

Ik denk soms dat het heengaan van de ziel uit het lichaam gradueel meer kan betekenen dan we veronderstellen — het kan een wegvlieden zijn meer dan we denken.

Toen ik wegzeilde naar een vergelegen land en de kusten van dit land langzamerhand vager werden, kan ik me herinneren, dat ik dacht: misschien zal het zo zijn wanneer ik sterf! De ziel moge een ogenblik tevoren zich van haar aardse woning losmaken en wanneer de tijd komt is er mogelijk slechts een zeer dunne draad te breken — ja, misschien niets dat enigszins kan worden beschreven met het woord “breken”, een terugtrekken van de kust van deze wereld, een niet onderscheiden van de voorwerpen op dit strand, een toenemend onderscheiden van die op het andere. Ik vaar zelden over naar het Isle of Wight, maar dat denk ik ervan. Ik zie de kust die ik verliet geleidelijk aan vaag worden en die waar ik naar toe ga geleidelijk aan helder worden en ik zeg: “Misschien zal het zo met mij zijn wanneer ik heenga. Laten we tot onszelf zeggen: ’Tk zal ontslapen in Jezus!”

We hebben het vreemde, het onbekende niet te vrezen. De kleine baby die in deze nieuwe wereld komt heeft geen vrees — alles is vreemd, alles onbekend. Maar het is niet geboren met enige vrees in dit opzicht.

Laten we trachten onze vertrektijd te omringen met zulke gedachten als deze. We gaan naar onze Vader. We zijn verzorgd door onze Vader. Onze Vader is in alles. We gaan naar een plaats, naar vrienden, om te leven. Een huis en niet het graf is het ware einde van ons aardse leven, we vertrekken niet om, zoals we zeggen “dood” te zijn, maar om werkelijk te leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Een troostwoord bij de gedachte aan ons heengaan van hier

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken