Bekijk het origineel

De grote opdracht (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De grote opdracht (1)

6 minuten leestijd

“Gaat heen, en staat, en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden dezes levens”.

Wie is aan het woord? Een engel des Heeren. Hij is gekomen-van boven, uit de hemel. Beter gezegd: gezonden. Engelen zijn gedienstige geesten. Ze worden uitgezonden. Door wie is deze engel gezonden? Door de Heere, dat is de Kurios, de Heere Jezus Christus. Die nadat Hij is gestorven en opgestaan, ten hemel is gevaren en is gezeten aan de rechterhand van Zijn Vader. Wat glans, wat majesteit is die Vorst bereid! Aan Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij is bevoegd om engelen uit te zenden tot dienst dergenen die de zaligheid zullen beërven.

Waarom heeft de Koning die engel gezonden? Omdat dienaren des Woords gevangen waren genomen.

Wees niet te zeer verbaasd dat satan, Gods grote wederpartijder, in de tegenaanval is gegaan. U weet op de Pinksterdag werden er drieduizend bekeerd. En na de Pinksterdag? Wel — de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden. En nog weer later? Wel — er werden meer en meer toegedaan, die de Heere geloofden, menigten beide van mannen en vrouwen. Geen wonder dan ook dat satan de krachten en machten ging mobiliseren waarover hij de zeggenschap heeft. Is het vandaag anders? Als de Pinkstergeest werkt dan komt de boze geest daarop af. Heeft Jezus niet eens gezegd: Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen? Wij houden van rust in de kerk. En dan zeggen wij: ’t gaat goed. Maar dat is nog maar de vraag. Als het waarlijk Pinksterfeest voor u geweest is, reken er maar op dat het de hel niet onbekend is. Satan wil terugkrijgen wat hem door de almacht van de opgevaren Christus ontnomen is.

’t Was niet moeilijk voor satan om de hogepriester en de andere leden van het sanhedrin op te porren. Eens had de voorzitter van de raad uitgesproken: het is ons nut dat één mens sterve voor het volk. Toen was het ook al de grote zorg om het volk niet kwijt te raken. Die zorg was er nog. Dezelfde Kajafas verhief zich weer. Hij achtte het de hoogste tijd om maatregelen te nemen.

Zo belandden de apostelen in de gevangenis. Ze werden in verzekerde bewaring gesteld in afwachting van hun voorgeleide, ’t Zag er somber uit.

Welk een triomf van satan. Dienaren des Woords achter de tralies, opgesloten, uitgerangeerd. Die het kostelijke Evangelie niet meer kunnen prediken. Dat Evangelie dat spreekt van genade, genade voor zondaars, voor schuldenaars, voor des doodsschuldigen. Het Evangelie van Jezus Christus waarvoor God in Zijn ontfermende liefde gezorgd heeft. Het Evangelie dat spreekt van rechtvaardiging van goddelozen om niet, van verzoening van vijanden om niet.

Och — hoe triomfeert satan ook vandaag. Hij gebruikt de wereld of de godsdienst om dienaren des Woords achter de tralies te krijgen, monddood te maken, op dood spoor te zetten. En dat kan letterlijk, maar ook figuurlijk.

Leert u nu allereerst dit: Hij Die is opgevaren is de Koning der koningen. Satan is een onderworpen vijand. Kijkt u maar — in de nacht daar in de gevangenis, is plotseling een engel, en die zegt tot de apostelen: gaat heen. Dat is toch wat! In de gevangenis te zitten, achter slot en grendel, en dan het bevel te krijgen: gaat heen! Nu weet dan dat de hemel sleutels, die passen op al onze menselijke sloten, heeft. De engel des Heeren heeft al die op slot gedane deuren van de gevangenis geopend!

Van nature leven we als in een gevangenis, en alle deuren hebben we hermetisch op slot gedaan. We denken veilig te zijn achter die deuren, veilig voor God. Nietwaar — we zijn bang voor God? En dat is terecht. Als God als Rechter ons vindt dan is het voor eeuwig verloren. Daarom verstoppen we ons, leven we achter gesloten deuren, menend dat God er niet door kan komen, dat we veilig voor God zijn.

Die gedachte is ijdel. De Koning der koningen komt door gesloten deuren heen. Hij heeft immers in Zijn doorboorde handen de sleutels van hel en van dood! U mag niet denken: ’t is onmogelijk of ’t is hopeloos, voor uzelf of voor anderen. U doet de Koning der koningen tekort. Ga nu eens voor uzelf of voor uw kinderen zingen: ”Verhoogt, o poorten, nu den boog; rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog; opdat de Koning in moog’ rijden. Wie is die Vorst, zo groot in eer? ’t Is God, d’almachtig’ Opperheer; ’t is God, geweldig in het strijden. U mag hier nog meer leren. Hij daarboven weet precies hoe het de Zijnen hier beneden vergaat. U weet toch dat het gevolg van het hemelvaartsfeit een geopende deur in de hemel is? De deur in de hemel is na de hemelvaart van de Heere Jezus open gebleven. Die is blijven openstaan vanwege het feit dat Hij het was Die opvoer. Dat betekent dat door Zijn heengaan, door Zijn hemelvaart de verbinding met de Zijnen hier beneden niet verbroken werd.

Gods kinderen en dienaren des Woords moeten maar meer klagen over zichzelf, over hun ongeloof, en minder over Hem. Wat kunnen ze denken dat Hij niet van de moeiten afweet. Hij daarboven in heerlijkheid, en zij maar hier beneden in allerlei kruis en druk. Maakt u Hem toch geen verwijten alsof Hij Zich er niets aan gelegen laat liggen, alsof het Hem niet interesseert. Hij Die Zijn volk kocht voor de dure prijs van Zijn bloed, zou het Hem onverschillig zijn hoe het Zijn volk hier beneden vergaat? U doet Hem onrecht. Al uw verwijten zijn ten onrechte. Hij weet alles precies. De deur van de hemel is toch opengebleven?! En geeft Hij niet keer op keer ervan bewijzen dat Hij alles ziet en weet? Waarom nog niet bezweken? Waarom nog niet teruggewonnen en overwonnen door satan? Vanwaar die moed en kracht in het verleden? Hij heeft toch gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. De poorten der hel zullen u niet overweldigen. Vrees niet, gij, klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. Wordt u, die gesteld bent in het strijdperk of in de loopbaan, nu vertroost en bemoedigd? De Heilige Geest oefent Gods kinderen toch in het geloof, in het geloof dat

Hem ziet Die daar zit aan ’s Vaders rechterhand? Dat het dan nu gaat zingen in u:


“God is een toevlucht voor de Zijnen,
Hun sterkt’, als zij door droefheid kwijnen;
Zij werden steeds Zijn hulp gewaar,
In zielshenauwdheid, in gevaar;
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
Schoon d’ aard uit hare plaats mocht wijken;
Schoon ’t hoogst gebergt’, uit zijne steê,
Verzet wierd in het hart der zee.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De grote opdracht (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken