Bekijk het origineel

Laus Deo 41.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 41.

7 minuten leestijd

Aan moeders borst

Die voortdurende zorg voor alles wat leeft, vindt Calvijn ook in Ps. 8:3. Het is een woord van David waaraan Jezus herinnert in Matth. 21 : 16. In deze laatste tekst spreekt Hij de overpriesters en schriftgeleerden aan die Hem vijandig gezind waren ondanks de wonderen die Hij deed en ondanks de vrolijke begroeting door de kinderen in de tempel. Zij riepen Hem immers toe: Hosanna, de Zoon van David! En omdat de overpriesters dat zeer kwalijk namen, trad Christus op als hun verdediger. En zij zeiden tot Hem: “Hoort Gij wel wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid? Woorden uit Ps. 8 : 3. In deze psalm belijdt de dichter: “Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest”. De kantekenaren van de Statenvertaling denken bij “sterkte” aan krachtige of sterke lof. Een lof die God “gegrondvest” heeft, dit is waartoe Hij vastbesloten heeft en die Hij ook laat volbrengen. David bezingt in deze psalm de heerlijkheid en de majesteit Gods, die zelfs door de kinderen wordt “beleden”. In dit verband spreekt Calvijn zelfs over de welsprekendheid van de kinderen, die, stel ik mij voor, hun tevreden geluidjes laten horen, als ze verzadigd zijn aan moeders borst: “dat de kinderen, die nog aan hun moeders borst zijn, welsprekend genoeg zijn om de heerlijkheid Gods te verkondigen, namelijk omdat ze, terstond nadat ze uit de moederschoot zijn voortgekomen, door hemelse zorg het voedsel toebereid vinden”.

Calvijn denkt zelfs aan “de zwijgende tongen der zuigelingen”. Hij schrijft als volgt in zijn verklaring van Ps. 8 : 3: “De zin is dus, dat God, om Zijn voorzienigheid te prijzen, niet grote welsprekendheid nodig heeft, zelfs niet goed gevormde taal: omdat Hij de zwijgende tongen der zuigelingen genoeg bereid en bekwaam acht om Hem te verheerlijken”. Vóórdat zij ook nog maar één woord kunnen spreken, “zeggen” zij duidelijk hoe milddadig God is jegens het menselijk geslacht. En vanwaar komt hun ijver om te zuigen anders dan omdat dezelfde God door een verborgen instinct hun lippen er toe bekwaamt? “Derhalve zegt David met volle recht, dat ofschoon alle mannentongen zouden zwijgen, de sprakeloze mond der kinderen genoeg geschikt is om Gods lof te verheerlijken”.

Calvijn denkt hierbij dus niet aan kinderen van bijv. drie jaar die oudtijds nog wel aan de borst gehouden werden en reeds babbelden. Ook niet zoals de kanttekenaren aan kinderen die al op straat lopen en spelen. Evenmin aan kinderen die tevreden geluidjes laten horen. Maar hij denkt zelfs aan de zwijgende mond der kinderen die niet alleen de milddadigheid van God genieten maar als het ware ook voor ons oog verheerlijken! De milddadigheid van Gods voorzienigheid! En David zegt “dat kleine kinderen en zuigelingen genoegzaam sterke verdedigers zijn, die Gods voorzienigheid handhaven”. Niet iedereen echter verstaat deze kinderlijke lofprijzing op Gods voorzienigheid. Calvijn geeft toe “dat de voorzienigheid Gods vooral terwille van de gelovigen schittert, omdat zij alleen ogen hebben om haar te zien”. (Het pleit voor de grootheid van Calvijns theologie dat hij graag een uitstapje maakt naar de gewone, en toch zo wonderlijke verschijnselen van het allerdaagse leven.

Het zou de moderne theologie en de hedendaagse prediking sieren indien wij hem ook in dit opzicht zouden volgen. Calvijns theologie zweeft niet in de lucht maar staat midden in het leven van alledag. Evenals de verkondiging van profeten en apostelen. Ja, zoals de prediking van Christus Zelf die niet wereldvréémd maar levensécht is. De pasgeboren kinderen “erkennen” dus al de heerlijkheid Gods, in de “hemelse zorg” waarmee zij het voedsel toebereid vinden.) Evenwel, en dat is hij zich vanuit de ervaring wel degelijk bewust, niet alle moeders zijn gelijkelijk bedeeld. “Alleen moet aan onze ogen en waarneming niet ontgaan, wat de ervaring openlij k aantoont, dat sommige moeders volle, andere nagenoeg droge borsten hebben, naarmate God de ene milder wil voeden, de anderen echter kariger”. Toch valt dit gegeven ook niet buiten de almacht Gods. Niet alles wat God kan in Zijn voorzienigheid, dit is Zijn alles beslissende almacht, wil Hij ook. Soms gaat Zijn almacht tegen onze natuurlijke wensen in.

Dat behoeft ons echter niet te weerhouden Gods almacht “de passende lof” toe te kennen.

De angst van het bijgeloof

Het geloof in de voorzienigheid Gods verleent de gelovigen het vertrouwen dat God de macht heeft om hen wél te doen. Hemel en aarde zijn Zijn bezit en alle schepselen letten op Zijn wenken. Anderzijds: weten degenen die mogen geloven in Gods almacht “dat men onbekommerd kan rusten in de bescherming van Hem aan Wiens wil alle rampen, die men van waar ook zou kunnen vrezen, onderworpen zijn”. Het geloof in de voorzienigheid Gods overwint de angst. Calvijn spreekt van een “bijgelovige vrees” in de gelovigen. Hij was er zelf ook niet vreemd van. Hij sluit zichzelf erbij in. Hij schrijft: “Ik zeg, dat wij een bijgelovige vrees hebben, wanneer wij, telkens als schepselen ons bedreigen, of enige schrik inboezemen, evenzo beangst worden, alsof zij van zichzelf enige kracht of macht hadden om schade toe te brengen, of ons zomaar en bij toeval deerden, of tegen hun beschadigingen in Gód niet genoeg hulp aanwezig was”. Het bijgeloof vreest de schepselen. Het geloof in de almacht Gods overwint die vrees. Het ware geloof draagt de wetenschap in Zich dat de schepselen die ons bedreigen geen kracht hebben van zichzelf.

Dat er anderzijds in God voldoende hulp aanwezig is. Het ware geloof sluit de angst van het bijgeloof uit en overwint haar. Het moet toch alles naar Zijn wetten horen. Ja, ook Satan met al zijn helse geesten en alles wat tegen de zaligheid van Zijn volk ingaat is aan Hem, de God der voorzienigheid, onderworpen.

Sterren en kometen

Er is een tweeërlei vrees: een gelovige en ongelovige. God veroordeelt niet alle vrees. Integendeel: Hem zelf behoren wij allen te vrezen. Maar wat is de praktijk? Dat “de ongelovigen het bestuur der wereld van Gód naar de sterren overbrengen”. Dit is een oud bijgeloof dat tot in onze tijd toe nog springlevend is. Mensen verbeelden zich “dat hun geluk of ongeluk afhangt van de besluiten en voorspellingen der sterren en niet van de wil Gods”. Hun vrees voor God gaat over op sterren en kometen. God heeft dat alle tijden door in Zijn Woord verboden. Calvijn verwijst dan ook naar het Woord des HEEREN dat door de profeet Jeremia aan Juda moest worden verkondigd. Zo zegt de HEERE, leert de weg der heidenen niet en ontzet u niet voor de tekenen des hemels dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten”.

Het is een echt heidens werk om voor de schepselen en de stand van de sterren te vrezen (denk aan de altijd nog zo populaire horoscopie, waarvan allen zeggen dat het maar onzin is, maar die men toch vaak niet kan nalaten te lezen).

Het is geloofswerk om te belijden: “dat er in de schepselen geen zomaar op goed geluk af rondzwervende macht of werking of beweging is”. Goed geluk bestaat niet. Alle dingen en gebeurtenissen worden door de verborgen raad Gods bestuurd.

Er geschiedt niets, dat niet door Hem willens en wetens besloten is. Ja, geen ding geschiedt er ooit gewisser dan ’t hoog bevel van ’s Heeren macht.

Inst. I. XVI. 3,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 41.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken