Bekijk het origineel

350 jaar Statenvertaling 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

350 jaar Statenvertaling 3.

4 minuten leestijd

350 jaar Statenvertaling 3.

Hoewel er vanaf het begin kritiek is geweest op de Deuxaesbijbel, is het niet zomaar gekomen tot een vertaling van de Bijbel uit de grondtalen. Er is heel wat aan voorafgegaan voordat op de Nationale Synode van Dordrecht besloten werd rechtstreeks uit de grondtalen te gaan vertalen. De behoefte aan een getrouwere weergave van de Bij bel in de Nederlandse taal werd vooral aangetroffen onder de predikanten en de wat meer ontwikkelde gemeenteleden. In de ons omringende landen waren wel getrouwe overzettingen. Ook dat feit deed de behoefte aan een meer betrouwbare vertaling toenemen. In Duitsland, Frankrijk en Engeland waren, in die tijd voorafgaande aan de synode van Dordrecht 1618-T9, aanzienlijk betere vertalingen dan in het Nederlandse taalgebied.

Het is dan ook te verstaan dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om tot een betere weergave van de Bijbel te komen in de Nederlandse taal. Op de diverse kerkelijke vergaderingen die gehouden werden kwam de zaak van de Bijbelvertaling telkens aan de orde. Al op de nationale synode van Emden, die in 1571 werd gehouden, werd de wens kenbaar gemaakt te komen tot een “correcte” vertaling.

Welke weg wilde men bewandelen om tot een betere vertaling te komen? De eerste synodale besluiten hielden in dat men de bestaande vertaling wilde verbeteren door gebruikt te maken van bestaande of al bijna gereed gekomen buitenlandse vertalingen. Dus geen vertaling uit de grondtekst, maar een verbetering van de Deuxaesbijbel met behulp van andere vertalingen.

De kerkelijke vergaderingen wezen diverse personen aan die het werk van de Bijbelvertaling ter hand moesten nemen. In 1578 werden Marnix van St. Aldegonde en Datheen aangewezen. In 1581 Arnoldus Cornelii, Wernerus Helmichius, Moded en waarschijnlijk Jacobus Revius. Door de vele ambtelijke werkzaamheden kwam echter weinig tot stand.

Op de nationale synode van ’s-Gravenhage van 1586 werd de zaak van de Bijbelvertaling opnieuw aan de orde gesteld. Op die vergadering werd uitgesproken dat een vertaling uit de grondtalen de voorkeur verdiende boven een herziening van de bestaande vertaling met behulp van buitenlandse vertalingen. Dat hield dus een verandering van werkwijze in om te komen tot een betere vertaling van de Bijbel. Want eerst wilde men de Bijbelvertaling verbeteren met behulp van buitenlandse vertalingen. In 1586 werd voorkeur uitgesproken voor vertaling uit de grondtalen.

Na het besluit van 1586 hebben diverse personen zich beziggehouden met het werk van de Bijbelvertaling. Marnix van St. Aldegonde heeft zich vanaf 1593 tot aan zijn sterven in 1598 voornamelijk beziggehouden met het boek Genesis en het boek der Psalmen. In 1601 werden Cornelii en Helmichius aangewezen als opvolgers van Marnix. Twee jaren later begonnen zij aan hun arbeid. Cornelii overleed in 1605 en Helmichius in 1608. Toen Cornelii overleed werd er niemand in zijn plaats benoemd, zodat Helmichius in de jaren 1605 tot 1608 het werk van de Bijbelvertaling alleen moest voortzetten. Hoever Helmichius gekomen is, is niet met zekerheid te zeggen. Het boek Genesis zal hij wel voltooid hebben en waarschijnlijk ook nog enkele hoofdstukken van het boek Exodus.

Vanaf het sterven van Helmichius in 1608 tot aan de synode van Dordrecht 1618-1619 konden de kerkelijke vergaderingen zich niet met de zaak van de Bijbelvertaling bezighouden, omdat de Staten van Holland het bijeenkomen van particuliere synoden in hun gewest verboden hadden. Maar al was er dan de jaren door niet zo heel veel tot stand gekomen, wel was er ervaring opgedaan wat het vertalen van de Bijbel betreft. De jarenlange ondervinding had geleerd aan welke regels men zich zou dienen te houden als het op een te houden nationale synode tot een besluit zou komen aangaande het vertalen van de Bij bel. Er zouden meerdere vertalers moeten worden aangesteld, die onder toezicht van de kerken hun werk zouden verrichten. Opdat de ambtelijke werkzaamheden geen grote vertraging zouden veroorzaken bij het werk van de Bijbelvertaling dienden de vertalers vrijgesteld te worden van hun ambtelijke verplichtingen. De vertalers zouden op een geschikte plaats hun werk moeten verrichten en betaald moeten worden door de Staten. Wie zouden als vertalers benoemd moeten worden? Bij het benoemen van vertalers zou niet alleen gelet moeten worden op wetenschappelijke kwaliteiten, maar ook diende gelet te worden op zuiverheid in de leer en een godzalige levenswandel. De tekst van de gangbare vertaling zou alleen gehandhaafd mogen worden, waar dit niet in strijd zou zijn met de grondtekst. De vertaling zou gesteld moeten worden in algemeen, zuiver en gemakkelijk verstaanbaar Nederlands.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

350 jaar Statenvertaling 3.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken