Bekijk het origineel

Urk - Eben Haëzer

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Urk - Eben Haëzer

13 minuten leestijd

Bevestiging en intrede van Ds. G. Bouw

Weer naar Urk

Zaterdag 18 juli moesten wij naar Urk om getuige te zijn van het afscheid van Ds. A. v.d. Weerd, van de gemeente Urk die hij vijf en een half jaar had mogen dienen. Vrijdag 28 augustus is hij bevestigd geworden in zijn nieuwe gemeente Dordrecht. Zo lang een predikant nog niet bevestigd is in zijn nieuwe gemeente, is hij volgens de kerkorde nog aan zijn oude gemeente verbonden.

Tijdens het afscheid op 18 juli kon al worden meegedeeld, dat Ds. G. Bouw van Scheveningen het op hem uitgebrachte beroep naar Urk had aangenomen. Hij is op zaterdag 12 september in zijn nieuwe gemeente Urk bevestigd, door zijn voorganger Ds. A. v.d. Weerd.

Wie nu even gaat rekenen, komt tot de ontdekking dat Urk in feite maar vijftien dagen vakant geweest is. Dat is een zeer korte tijd, wat in de geschiedenis nog maar weinig zal voorgekomen zijn.

Al deze dingen werden gememoreerd door de bevestiger, die er nog bij vertelde dat zijn opvolger de 12e predikant is, die de Christelijke Gereformeerde Kerk van Urk zal gaan dienen. Volgens het jaarboek bestaat de gemeente al vanaf 13 februari 1894. De gemeente heeft dus al een leeftijd van ruim 93 jaar. Daar is in die jaren heel wat gebeurd. Doch dat is niet ter sprake gekomen, waarom we het hier ook maar laten rusten. Door alle stormen heen, die er op het kerkelijke vlak hebben gewaaid, is de gemeente niet omgewaaid, doch staande gebleven en gegroeid, zo dat zij op dit moment, al weer volgens het jaarboek, 1006 leden telt (belijdende en doopleden). De nieuwe predikant heeft dus een rijk arbeidsveld voor zich. Te meer daar de helft van het aantal leden nog niet de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt.

Als bevestigingstekst was gekozen Mal. 2 : 7:


“Want de lippen der priesters zullen de
wetenschap bewaren, en men zal uit
zijn mond de wet zoeken; want hij is een
engel des HEEREN der heirscharen”.


De hoofdgedachte was: De taakomschrijving van een dienaar des Heeren is belangrijk:


A. Voor de dienaar zelf.
B. Voor de gemeente waaronder hij werkt.
C. Vanwege de naam die hij ontvangt.


Maleachi is opgetreden ongeveer 420 voor Christus. Dat was ruim een eeuw na de terugkeer uit de ballingschap. Dat het volk terug mocht keren was een bewijs van Gods grote genade. Doch hoe gaat het in het leven. Na ruim een eeuw waren de nazaten van de teruggekeerden het wonder al weer vergeten. Het verval was weer ingetreden, zowel bij de priesters alsook bij het volk. Vanuit dit stukje historie werd een lijn getrokken naar het kerkelijke leven van vandaag. Want we leven na de afscheiding, doch voor hoevelen/ weinigen wordt dit nog als een wonder gezien. Is er ook nu nog dezelfde liefde naar de schriftuurlijke bevindelijke prediking, zoals die er was in de dagen van de afscheiding? Ook nu moet gesproken worden van verval, wat weer zijn intrede heeft gedaan en nog doet, zowel onder de voorgangers, alsook onder het volk

Als er in de tekst gesproken wordt over de priesters, dan zijn dit nakomelingen van Levi, aan welke stam het priesterschap was toebetrouwd. Zij hadden geen vast erfdeel gelij k de andere stammen, doch waren onder het volk verdeeld in 48 steden. Zij waren geroepen om het volk te dienen.

Wat is God goed dat Hij ook nu nog aan Zijn Kerk dienaren geeft. Niet alleen in Urk, maar overal, tot heil van Zijn volk.

God had met Levi, de priesterstam, een verbond gemaakt. Dat verbond had vloek en zegen tot inhoud. Beiden moesten verkondigd worden. God stond achter die verkondiging. Dat is nog het geval met een ieder die door de Heere tot dit gewichtige werk geroepen is.

De priesters moesten de wetenschap bewaren. Zij vormden de schatkamer van Gods huis. Zo is ook de nieuwe predikant een vooraadkamer van Gods heilgeheimen. Zij moeten ook de wetenschap bewaren. Dat is de bevindelijke kennis doorgeven. Om dit recht te kunnen doen, moet een leraar zelf kennis hebben, bevindelijke kennis aan de drie stukken. Ellende, verlossing en dankbaarheid moeten worden verkondigd. In de prediking moet Christus centraal staan. Hij is de Verlosser, waar elke ellendige zondaar het van hebben moet. Hij alleen zal ook iets leren verstaan van de ware dankbaarheid. Daarom heeft ook Paulus niets anders geweten dan Jezus Christus en Dien gekruist. Dat moet worden bewaard, de kanttekenaren zeggen dat dit betekent: uitdragen. Wat van God te weten is en van het verlossingswerk moet worden uitgedragen op de preekstoel, de katechisatie, in de huizen, bij de ziekbedden, overal! Het moet gunnend gebeuren, ook rijk en getrouw, eerlijk. Dat is geen evangelie naar de mens. De toepassing er van is ook geen mensenwerk. Het is alleen Gods werk. Vrije genade moet steeds weer de grondtoon zijn en blijven.

B. Voor het volk waaronder hij werkt

Daar is de taakomschrijving ook belangrijk voor. Ds. Bouw heeft een geweldige taak. Maar de gemeente ook. “En men zal uit zijn mond de wet zoeken”. Dat is onder het O.T. niet alleen de wet der tien geboden, die het volk zijn schuld laat zien, maar hier valt ook de ceremoniële wet onder, die de dienst der verzoening verbeeldt. In het N.T. zou het kunnen worden omschreven als “wet en evangelie”. Het volle woord van God moet verkondigd worden. Niets mag worden achtergehouden. De gemeente moet daar naar begerig zijn. Zij moet zoeken te weten wat God eist en geeft. De gemeente moet haar doodstaat inleven, wil Christus als het LEVEN waarde krijgen. Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Wie zijn armoede kent kan uit de voorraadkamer bediening verkrijgen. Want Christus is het, Die rijk was, en arm werd, om armen rijk te maken. Armen worden met goederen vervuld, terwijl rijken ledig weggezonden worden.

Hij is het einde der wet, de grote Wetsvolbrenger. Zoek daarom de Heere opdat gij wijs moogt worden, aldus werd het de gemeente met kracht op de ziel gebonden. De taakomschrijving van een dienaar des Heeren is ook belangrijk.

C. Vanwege de naam die hij ontvangt

In de tekst staat “want hij is een engel van de HEERE der heirscharen.” Een engel is een bode of een afgezant. Hij wordt door God gezonden. Dat is geen kleinigheid. Jezus heeft gezegd omtrent Zijn gezanten: Wie u hoort, die hoort Mij, en wie u verwerpt, die verwerpt Mij. En wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, Die Mij gezonden heeft. Dat woord heeft omtrent de ware dienaren van God nog niets van zijn kracht verloren. Die door God gezonden worden zijn verantwoording schuldig aan de Zender. Dat maakt de arbeid zo gewichtig. Het is werk, dat betekenis heeft voor de eeuwigheid.

Hij wordt de HEERE der heirscharen genoemd. Dat is de HEERE der krachten. Heirscharen zijn Gods legermachten. Dat is geen horde, maar een geordende macht. Het is een naam die getuigt van oorlog en vrede. Wie naar des Heeren knechten niet luistert, moet weten dat hij zich op voet van oorlog met God bevindt. En wie zal daar vrede bij kunnen hebben? Doch wie acht geeft op het woord des HEEREN, kan als een verloren mens tot vrede komen met God, door het geloof in de Zoon van God.

God komtop Zijn woord, door Zijn “engelen” verkondigd, terug. Rekenschap zal niet alleen worden gevraagd van hem die het woord verkondigt, maar ook van hen, die het hebben beluisterd.


Zo gij zijn stem dan heden hoort
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord.
Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Amen.


Na het zingen van Ps. 119 : 86 “Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer”......werd het bevestigingsformulier voorgelezen. De vragen werden meteen duidelijk: “Ja ik, van ganser harte”, beantwoord. Een korte toespraak volgde, waarna de bevestigde predikant werd toegezongen Ps. 134 : 1 en 3. Daarna werd het slot van het formulier voorgelezen en het eerste gedeelte van de dienst beëindigd.

Terwijl gezongen werd Ps. 111:3 en 5 werd er gekollekteerd, terwijl Ds. A. v. de Weerd de kansel verliet, die door Ds. G. Bouw beklommen werd.

Hij las voor Hand. 8 : 26-40.

De intreetekst was het 40e vers: “Maar Filippus werd gevonden te Azôte; en het land doorgaande, verkondigde hij het evangelie in alle steden, totdat hij te Caesarea kwam”.

Hij begon met te vragen: Waar gaat het in deze ure om? Niet om een mens, ook niet om een dominee of wie dan ook. Doch het gaat om de Heere Zelf, om Zijn werk, Zijn Naam, Zijn eer, Zijn verheerlijking. Het gaat ook om de verkondiging van Zijn Woord en de uitbreiding van Zijn Koninkrijk.

Slechts 15 dagen is de gemeente vakant geweest. Wat onderscheidt Urk van andere gemeenten, die al zoveel jaren vakant zijn. Urk is niet beter of waardiger. Het is alleen Gods goede hand over Urk, alsook over Ds. Bouw, die zich zo kennelijk de weg naar Urk gewezen zag. Ruim 20 jaar heeft hij de gemeente Scheveningen mogen dienen. Dat is een hele tijd. Velen dachten dat hij daar wel blijven zou. Doch de Heere riep. Wanneer men na zo’n lange tijd vertrekken moet, is dat niet eenvoudig. Banden moeten worden doorgesneden. In die 20 jaar is veel lief en leed samen gedragen. Het zal onvergetelijk blijven voor hem alsook voor de gemeente Scheveningen. Doch tot troost van de gemeente mag gezegd worden, dat al verhuizen dienaren, de Heere toch blijft. Hij is altijd overal. Het vertrek raakt ook het gezin van de predikant. Alles moet mee. De leden worden als het ware ontworteld. Doch als God roept, valt al het menselijke weg. Het gaat alleen om Hem.

Ds. Bouw getuigde te weten door God in het ambt gesteld te zijn, om Zijn Woord te verkondigen. Dat is ook de lust van zijn hart. Dat alleen en niets anders begeert hij te doen, en dan in de lijn van Jesaja die profetisch heeft mogen getuigen van de grote Herder der schapen: De Geest des HEEREN Heeren is op Mij, daarom dat Hij Mij gezalfd heeft......

In de kracht van die Geest moet ook nu het evangelie verkondigd worden. Zo heeft Filippus het mogen doen. Zo hoopte Ds. Bouw het ook te doen. De geschiedenis van de kamerling is in zijn persoonlijk leven van grote betekenis geworden. Toen de beslissing was genomen, werd dit bekrachtigd uit die geschiedenis. Want de kamerling reisde zijn weg met blijdschap. Filippus had zijn werk gedaan. De kamerling had hem niet meer nodig. Zo had hij ook in Scheveningen zijn werk gedaan, waarom de gemeente hem niet meer nodig had. God nam daarom Filippus weg, gelijk ook hij geloofde door God weggenomen te zijn uit Scheveningen. God zette Filippus neer te Azôte, dat is een vissersplaats geweest. Het is dezelfde plaats die ook voorkomt onder de naam van Asdod. Tegenwoordig is het een industrieplaats. Zo had God hem ook neergezet te Urk. Dat is ook een vissersplaats. Scheveningen is dat van huis uit ook. Hij is dus van de ene vissersplaats naar de andere gegaan. En dan niet om een visje te krijgen, doch om vissen te vangen. Want dat is het werk van een Verbi Dinivi Minister. Dit is een latijnse uitdrukking die “Dienaar van het Goddelijke Woord” betekent. De volksmond vertaalt het ook wel als “Visser der mensen”. Zo wenst hij in Urk te mogen werken.

In alle steden verkondigde hij het evangelie. Waarom?

Omdat hij daartoe geroepen en gezonden was. God roept ook nu nog Zijn dienaars waarheen Hij wil. Zij moeten het evangelie verkondigen. Doch het eigenlijke werk gebeurt altijd alleen door de Heere Zelf. Het is Paulus die plant, en Apollos die nat maakt, doch het is God, Die de wasdom geeft. Hij is het Die de mens wederbaart, voedt en sterkt in het allerheiligst geloof. Hij breekt af en Hij bouwt op. Hij leidt ook verder op de weg die ten leven is. Tot roem van Gods genade mag Ds. Bouw zeggen geroepen te zijn om overal het evangelie te verkondigen.

Dat brengt ons niet alleen in het paradijs. Daar moeten we zeer zeker terecht komen. Doch de Schrift gaat nog verder terug. Want God heeft al van eeuwigheid af gedachten des vredes gehad en niet des kwaads, over een mensengeslacht dat Hij als gevallen voor Zijn aangezicht heeft gezien. Die eeuwige vredesgedachten Gods moeten verkondigd worden, de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog, de verkiezende liefde. Dat doet de Parel van grote waarde schitteren. Zijn volbracht Borgwerk is de enige weg waarop jong en oud kan gaan en staan.

Het wonder dat verloren zondaren zalig kunnen worden, moet verkondigd worden. Het zalig maken is geen mensenwerk. Het is een Drieënig Gods werk.

De verkondiging van het evangelie sluit de wet niet uit. Die is en blijft nodig om de zondaar te ontdekken. De vrome mens moet worden uitgekleed. Hij is een doemwaardig schepsel, gans verdorven. Hij kan niet omdat hij niet wil. Doch God werkt in de voorwerpen van Zijn liefde onwederstandelijk. Wie onder de wet zijn verlorenheid en verdoemelijkheid voor God leert kennen, daar krijgt het evangelie inhoud voor.

Gebogen onder hun schuld, gaat de vraag leven in het hart: Hoe kom ik met God verzoend? Van de mens uit is dan alles afgesneden. We moeten er toe gebracht worden om het alleen van Jezus te verwachten.

Dit te verkondigen is mijn liefste werk. Wie zelf als een brandhout uit het vuur gerukt is, gunt het een ieder. Dat hij als een visser der mensen daarom maar veel vissen zal mogen vangen. Zij worden door God in het net gebracht. Wie er in komt, gaat er nooit meer uit. De roeping en de verkiezing Gods zijn onberouwelijk.

Over het quotum behoeven we niet in te zitten. Dat wordt niet dooreen minister bepaald in Den Haag. Het wordt ook niet door een V.D.M. bepaald. Het quotum is in de hemel bepaald. Het is het getal der uitverkorenen. En dat getal is nog niet vol. Daarom gaat het viswerk nog door, totdat de laatste uitverkorene zal zijn toegebracht.

Daarom gemeente, aldus werd besloten, komt onder het net. Het wordt nog uitgeworpen. God werkt altijd middellijk. Hij bindt Zichzelf aan Zijn Woord en dat keert nooit ledig weer. Het zal voorspoedig zijn, waartoe Hij het zendt.

“Mijn hart vervuld met heilbespiegelingen Zal ’t schoonste lied van enen Koning zingen......” vormde de slotzang op de preek. Geëindigd werd met dankzegging, waarna nog gezongen werd Ps. 49 : 1: “Gij volken hoort, waar g’ in de wereld woont......”.

Na het zingen werd de zegen uitgesproken. Enkele toespraken volgden nog namens de klassis, de plaatselijke gemeenten, het gemeentebestuur en tenslotte namens Urk “Eben Haëzer zelf. Dit deed oud. Hoefnagel. Hij heette de Ds. met zijn gezin hartelijk welkom en liet zingen Ps. 136 : 6 en 10.

Na nog een dankwoord gesproken te hebben, liet Ds. Bouw nog zingen Ps. 122 : 3.

De dienst heeft ruim drie uur geduurd. Doch ik heb van niemand gehoord dat het te lang was.

Voor de afgevaardigden van buiten was goed gezorgd. Er waren er velen.

Dankbaar gingen de Urkers naar huis!

En de Scheveningers? Zij hopen weer op een nieuwe vervulling. God geve het.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Urk - Eben Haëzer

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken