Bekijk het origineel

Laus Deo 44.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 44.

4 minuten leestijd

Calvijn een Stoïcijn?

Tegen Calvijns leer van de alles besturende kracht Gods (de voorzienigheid) zijn ongewoon felle aanvallen uitgevoerd. Zijn leer zou een heidense oorsprong hebben: het geloof in het noodlot. Het zegt: ”Zij, die deze leer (van de voorzienigheid Gods) in een kwaad daglicht willen stellen, zeggen lasterlijk, dat ze is: het leerstuk der Stoïcijnen aangaande het noodlot; wat ook eens aan Augustinus verweten is”.

Eerst iets over de leer van de Stoïcijnen. Wanneer iemand koel en trots de slagen van het leven op zich laat neerkomen dan noemen wij hem een stoïcijn. Dat is iemand die nauwelijks gevoelig reageert op voor- of tegenspoed. Hij berust erin. In de tijd dat het Evangelie zich verbreidde over de toenmaals bekende wereld, in de le eeuw na Christus, trokken ook Stoïcijnse predikers door het Romeinse rijk. Zij verkondigden de moraal dat de mensen alle lotswisselingen in het leven rustig moesten aanvaarden.

Men moest in voorspoed én noodlot berústen. Dit zou de innerlijke vrede en het menselijke geluk bevorderen. Het ideale leven is: zich schikken in het ónvermijdelijke. Want volgens de Stoïcijnen zat het hele levensge-beuren, ja, al het bestaande, lógisch in elkaar. Alle dingen zouden zich logisch ontwikkelen. Verstandige mensen houden daar rekening mee en onderwerpen zich daaraan. De Stoïcijnen kenden ook geen God die bóven alles staat. Zij kenden geen oneindig Wezen dat bóven de schepping staat en alles bestuurt en regeert naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Zij erkenden i.h.a. geen gééstelijk wezen. Voorde Stoïcijn bestaat alleen maar de matérie: het zichtbare en tastbare. Zijn levensbeschouwing werd eens als volgt omschreven: ”A1 het bestaande is samengesteld uit uiterst fijne deeltjes en vormt een eenheid die de Stoïcijn voor goddelijk houdt. Dit geheel wordt bewogen door het hoogste element, een fijn vüür dat alles doordringt en leidt”. Dit oervuur of deze oerenergie noemden de Stoïcijnen de Logos. In Joh. 1 geeft de apostel de eeuwige Zoon van God ook deze naam, Logos: hét Woord. Maar hoe geheel anders spreekt Johannes daarover. De Logos was bij God en de Logos was God. Niet als een vuur dat opgesloten zit in de matérie, zodat deze materie zelf als goddelijk beschouwd moet worden. Maar een oneindig Gééstelijk Wezen, één met de Vader en de Heilige Geest. Bóven de materie verheven. Die Logos van Joh. 1 is Zelf ook God: Door Hem zijn alle dingen gemaakt. Door Hem bestuurt en regeert God de Vader alle dingen. En echt niet altijd zó “logisch” als de Stoïcijnen leerden. Want er zijn zoveel dingen die ons verstand te bóven gaan. Het is niet onmogelijk dat Guido de Brés in de Nederlandse Geloofsbelijdenis hierop doelt als hij schrijft in art. 13 over de voorzienigheid Gods: “En aangaande hetgeen hij doet bóven het begrip van het menselijk verstand, dat willen wij niet curieuselijk (nieuwsgierig) onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods die ons verborgen zijn”.

Dat is nu echt in de geest van Calvijn. Wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied. Daar weet de Stoïcijn niet van. Hij kent alleen maar de “a-patheia”, de gevoelloosheid. Zijn eer is het om koud en zelfvoldaan te blijven onder Gods slaande of zegenende hand. Trouwens de Stoïcijn erkent in geen enkel opzicht een hand Gods die van buiten deze wereld ons regeert. Het goddelijke zit in de materie ingesloten als een drijvende en alles bewegende oerkracht, waaraan men zich maar het beste heel gelaten (zónder ootmoed en eerbied) maar trots en zelfvoldaan kan onderwerpen. Logisch denkende mensen volgen de logische gang van zaken in het leven dat beheerst wordt door de logisch werkende drijfkracht van de Logos: de zogenaamde Wereldziel.

Stoa betekent: zuilengalerij. In een Atheense zuilengalerij begon in de 4e eeuw voor Christus de wijsgeer Zeno leerlingen om zich heen te verzamelen. Zijn school kreeg de naam van de verzamelplaats: Stoa. In de periode van 300 vóór - 200 na Christus heeft deze leer zijn duizenden verslagen, vooral onder de intelectuele elite van Griekenland en Rome. De “beschaafde” top van de samenleving. Verscheidene filosofisch aangelegde theologen hebben in de eerste eeuwen na Christus hun sympathie met deze filosofie betuigd. Anderen hebben het Godde-loze van deze leer onderkend. Waaronder Calvijn.

En Tertullianus moet eens gezegd hebben: Wat heeft Jeruzalem met Athéne te maken? Met andere woorden: wat heeft de Waarheid Gods met de menselijke wijsheid van doen? Is het dwaze Gods niet oneindig veel wijzer dan de mensen?

Institutie I, XVI, 8.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Laus Deo 44.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken