Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 45

9 minuten leestijd

“Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot tegen hunne broederen, de Joden.

Beste jongelui!

We hebben de laatste keer stil gestaan bij het eerste vers. We hebben ze nu alle vijf maar afgeschreven. Jullie moeten ze maar goed lezen. Dan krijg je een indruk hoe het rondom en op de muur gesteld was. De minderheden werden onderdrukt door diegenen die beter gesitueerd waren.

Je zou zo zeggen: Daar is niets nieuws onder de zon. Want iemand die geld heeft, heeft niet zelden ook macht. De minder gestelden verkeren altijd min of meer in een afhankelijkheidspositie van degenen, die er beter aan toe zijn. Dat zoiets in de wereld gezien wordt, is begrijpelijk. De wereld denkt alleen maar aan zichzelf. Doch als zo iets onder “broederen” voorkomt is het niet best. Dan staat het met de liefde tot elkander niet goed. Zo hebben we dat de vorige keer al laten horen en er bij gezegd dat jullie daar maar eens over denken moesten. Ik weet natuurlijk niet of dat gebeurd is. Het zou jammer zijn als je het niet hebt gedaan. Want dan doet het geschreven woord niets in je leven. Helaas moet dat wel menigmaal worden gekonstateerd. Men leest het dan nog wel. Men vindt het meer of minder aardig geschreven. Doch niet zodra heeft men het gelezen, of men gaat weer over tot de orde van de dag. De vraag blijft dan niet hangen hoe het bij mij persoonlijk gesteld is in mijn verhouding tot de naaste. Want mijn verhouding tot de naaste is van grote betekenis ook in mijn verhouding tegenover God. Dat wil met andere woorden zeggen: Als de verhouding tegenover mijn naaste niet in orde is, is de verhouding tegenover God ook niet in orde. Dat moeten we elkaar wel eerlijk vertellen. Want er zijn mensen die denken dat het tussen God en hun ziel in orde is, terwijl men in onmin met zijn naaste leeft. Dat is gewoon zelfbedrog. Want Gods Woord leert dat ik mijn naaste lief moet hebben, gelijk mijzelf. En dan niet alleen die goede vriend of buurman, maar zelfs ook die minder goede, om niet te zeggen: slechte. De Heere zegt zelfs dat je je vijanden lief moet hebben. Dat is niet zo eenvoudig, dacht ik. Als ik dat op moet brengen, zal er wel niet veel van terecht komen. Doch door genade kan het. Want dan komt het beeld van Christus in de mens toch tot openbaring. Die heeft zelfs voor degenen die Hem kruisten, gebeden, zeggende: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En als er niets van het beeld van Christus in mijn leven te zien is, dan ben ik gewis geen christen. Want ze worden in de wedergeboorte den beelde des Zoons gelijkvormig gemaakt. Zij gaan dus het beeld van Christus vertonen. En komt dat nu in ons leven tot openbaring? Dat wilde ik toch nog wel even onder de aandacht brengen.

Als je de verzen leest dan zijn er drie soorten mensen, die ontevreden zijn. Tot driemaal staat er: Want er waren er die zeiden; Ook waren er die zeiden; Desgelijks waren er die zeiden. Drie groepen dus, die allemaal wat te zeggen hadden. Het waren niet drie eenlingen, maar groepen. Tegenwoordig hebben we allemaal bonden. Men verenigt zich en trekt gezamenlijk op. Alleen begin je niet veel. Doch massaal is er nog wel wat te bereiken.

Bonden had men in de dagen van Nehemia nog niet. Maar de beginselen er van kun je hier wel zien. Dat leert dat de mensen van toen weinig anders waren dan de mensen van nu. En omgekeerd is dat ook zo. De mensen van nu zijn in de grond der zaak gelijk aan de mensen van toen. Ieder is een liefhebber van zichzelf. Dat zit er wel in.

Nu wil ik hiermee niet zeggen dat een mens niet voor zijn rechten op mag komen. Het is waar: Tegenover God zijn we allemaal recht-loze schepselen. Maar in menselijke verhoudingen, kan en mag men voor zijn rechten opkomen. Onder de kinderen Israëls was niet alleen de grondwet van het koninkrijk Gods bekend. Dat is een eeuwigdurende wet. De wet van de tien geboden. Doch daarnaast waren er ook burgerlijke wetten. En dan mocht men maar niet doen wat men wilde. Die werkte had recht op loon. De arbeider is zijn loon waardig. En degene die met meer goederen is bedeeld, verkeert daardoor niet in een staat van zonde, mits hij met hetgeen God hem toevertrouwd heeft, de Heere en ook de naaste zoekt te dienen. Dat aan dat dienen van de Heere nog al het een en ander ontbreekt, behoef ik thans niet nader aan te tonen. Ieder kan dat weten en zien.

De eerste groep die in opstand kwam waren mensen met grote gezinnen. Zij hadden veel zonen en dochteren. En die moesten allemaal eten. Daarom namen zij koren op. Ik geloof dat je het zo moet verstaan, om het heel eenvoudig te zeggen, dat men ging kopen op de pof. Men kocht wel, doch had geen geld om het te betalen. En de honger was er elke dag weer. Men kwam door zo te moeten handelen, natuurlijk op de duur diep in de schuld te zitten. Armoede is geen schande, pleegde men vroeger wel eens te zeggen, doch het is wel lastig.

Proletarisch kopen deed men toen nog niet. Misschien zegt iemand, wat heeft dat er nu weer mee te maken? Nu, zo doet men het tegenwoordig. Men gaat een supermarkt in en koopt alles wat los en vast is, en zonder te betalen gaat men de winkel weer uit. En pas op datje er niets van zegt, want dan kun je op de vuist. Dat zijn natuurlijk geweldige misstanden, die tegenwoordig aan de orde van de dag zijn. Ik hoop niet dat een van mijn lezers zich hier aangesproken voelt. Want dan is het met hem/haar natuurlijk goed mis.

De tweede groep die in opstand kwam waren meer de kleine zelfstandigen. Zij hadden akkers, wijngaarden en huizen. Daar hebben zij hard voor moeten werken nadat zij uit de ballingschap waren wedergekeerd. En dat zagen zij nu als ’t ware verdwijnen. Zij moesten hun bezittingen verpanden, aan een ander geven om zelf aan het eten te kunnen blijven. Voorwaar, een zaak die niet meevalt. Je moet je altijd maar proberen te verplaatsen in de huid van een ander. Dan kun je zijn situatie het beste begrijpen.

De derde groep zat met de belasting. Die moest ook betaald worden. De belasting is een harde zaak. Die kent geen pardon. De koning moest zijn “cijns” hebben. En om dat te kunnen geven moesten zij geld gaan lenen op hun akkers en hun wijgaarden. Zij moesten, zo zouden wij het tegenwoordig zeggen hypotheek” nemen op hun goed. Dat kost natuurlijk ook geld. Want dan moet je rente betalen en dat verzwaarde de lasten nog meer.

Het vijfde vers kan wel op alle drie de groepen betrokken worden. Zij zaten wat dat betreft, hoe verscheiden zij onderling ook waren, gemeenschappelijk in de ellende, terwijl ze toch allemaal tot hetzelfde volk behoren. Want de rijken waren net als de armen en hun kinderen waren net als hun kinderen. Maar de rijken legden beslag op de goederen van hun minder bedeelde broeders, en dat niet alleen, maar ook op hun zonen en dochteren. Die werden in verschillende gevallen gewoon “genaast”. Men nam ze als slaven en slavinnen in dienst, terwijl de ouders er niets meer over te zeggen hadden. De toestand was echt wel ten hemel schreiend. Het waren gewoon sociale mistoestanden.

Nu leven wij in een land waar zulke toestanden in zulke mate niet meer voorkomen. Ik zeg: Niet meer. Vanuit mijn kinderjaren weet ik er nog wel van, dat de sociale verzorging niet zo optimaal was als in deze tijd. Daar zij n heel wat mistoestanden opgeruimd.

Doch er zijn er nog meer bijgekomen......De strijd op het vlak van het sociale leven is er en zal er wel blijven.

Nu is één ding opvallend in het verhaal, zo als Nehemia het ons vertelt: Hun geroep was groot tegen hunne broederen. Dat wil zeggen: Men ging met zijn nood niet naar de plaats waar men er mee wezen moest. Men klaagde zijn nood aan elkander, zonder dat men er mee voor de Heere kwam. En hoe begrijpelijk ook, het ware toch beter geweest wanneer men zijn nood hoger op had zoeken kwijt te raken. De kwaal waar men toen aan leed, is al heel oud. Dat begrijpen jullie nu wel. Want ik geloof dat we allemaal aan deze kwaal lijden, namelijk dat we meer het vlees tot onze arm stellen dan dat we al onze hulp en al onze kracht alleen van de Heere verwachten. De uitdrukking “vlees tot je arm stellen” zullen jullie hopelijk wel kennen. Want het betekent heel eenvoudig op het vlees vertrouwen, dat als een sterke arm gezien wordt. Een vleselijk arm. Daar is geen heil van te verwachten. Dat een ieder er zich dan voor zal zoeken te wachten, om het van mensen te verwachten, doch dat we het van de Heere zullen mogen leren verwachten. Wie dat doen, zijn als de berg Sion die niet wankelt. Ik geloof, dat het in de praktijk spaarzamelijk gevonden wordt. Doch mogelijk maken jullie een uitzondering. Ik hoop het. Dit kan ik wel zeggen dat zo iets niet uit het “vlees” voortkomt, doch dat het vrucht is van Gods Geest, Die alles in allen werkt, in de voorwerpen van Gods liefde, naar Zijn welbehagen.

Ik neem nu weer afscheid van jullie. Ik wens jullie allen een gezegend nieuwjaar toe. Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken