Bekijk het origineel

Een gebod met een belofte 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een gebod met een belofte 2

5 minuten leestijd

In Efeze 6 : 2 staat: eert Uw vader en Uw moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte). Dus het vijfde gebod is een gebod met een belofte. Vandaar de titel van ons onderwerp. Nu is het ons bekend, dat in het tweede gebod ook gesproken wordt van een belofte, want we lezen in Exodus 20 : 6: “en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden”.

Deze belofte heeft echter betrekking op alle geboden. Er staat immers in het gebod met nadruk: “en Mijn geboden onderhouden”. Dat dit zo met nadruk gezegd wordt in het tweede gebod mag onze aandacht niet ontgaan. Het is ons bekend, dat het in dat gebod gaat over het dienen van de Heere. Hoe Zijn dienst is en waarin het dienen moet blijken. Dit dienen nu heeft betrekking op de gehele wet des Heeren en van dat dienen is men nimmer ontslagen. Altijd moet er zijn het dienen. Nimmer is men uitgediend. En dat dienen moet plaatsvinden naar Gods wil. Godsdienstig leven naar eigen gedachten, naar eigen wil, laat ontzettende gevolgen zien.

De geschiedenis van Israël is daar het bewijs van. Hoe is het Israël vergaan toen het kwam tot de verering van het gouden kalf. Waar kwam Israël met de kalveren dienst en waarin ging het leven op? De kalverendienst ging over in afgoderij. En de afgoderij heeft velen gebracht tot een radicale godloochening en godslastering. Jerobeam ging door zijn godsdienstige instellingen praktijken sporen trekken in het koningshuis en in het volksleven. Onuitwisbaar. Door het gaan in de sporen kwam het volk in ballingschap terecht. Eerst Israël en daarna Juda. Voor ons ter waarschuwing. Vandaar dat er staat: “voor beeldendienst zult gij u wachten. Ik ben de Heer’, een ijv’rig God. Straf die in drie en vier geslachten”. De Heere is een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Hem haten. Dat eigenwillige godsdienst, godsdienst naar eigen wil, misdaad wordt genoemd, mag ons niet verwonderen, want wanneer de Heere anders geëerd en vereerd wordt dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft, tasten we Hem aan in Zijn hoge majesteit en heiligheid. En dat de Heere de misdaad bezoekt in het geslacht is niet onrechtvaardig. Want de vaders en de moeders weten. Wij weten het goed. En we kunnen er zelfs prat op gaan dat we het goed weten. Maar weten en leven mogen geen tegenstelling zijn. Ouders dienen te denken aan hun plaats en de plaats van hun kinderen. Wat gebeurt er niet, als vader en moeder het niet of niet meer nauw nemen met de dienst van de Heere. Als ze eigen weg, hun eigen godsdienstige weg gaan. Als ze ontrouw worden in de kerkgang. Het met hun jawoorden niet meer zo nauw nemen. Dan werkt dat door en het zet z’n stempel op de kinderen. Voor dat stempel, het indrukken en laten inwerken daarvan staan de ouders verantwoordelijk. Hoe nodig is toch te staan naar Gods vreze, want in de berijming van de tien geboden staat terecht: “en schenkt Mijn dienaars het zaligst lot”.

Groot en rijk is ’s Heeren barmhartigheid. Duizenden ondervinden haar. Zeer ver gaat de Heere met de betoning van Zijn barmhartigheid. Hoe duidelijk laat Israëls geschiedenis het zien. Het liefhebben van de Heere, het onderhouden van Zijn geboden werpt vrucht af, rijke vrucht. Het laat zegen zien en die zegen werkt door. Genade is geen erfgoed. Niemand gaat meer verloren om het zondeleven van de ouders en niemand wordt zalig om de vroomheid van zijn ouders. Maar wel wordt zegen en vloek merkbaar in verre geslachten. Wat kunnen kinderen, kleinkinderen, ondervinden de gevolgen of de nawerking van het leven van het voorgeslacht. In Zijn goedheid wil de Heere zelfs de vloek veranderen in zegen, wanneer bekering blijkt. Kinderen van goddeloze koningen kwamen tot het leven met de Heere. Denk aan koning Hizkia. Hij ging niet in het spoor van zijn vader, maar in dat van David.

Hoe triest als het tegendeel wordt bemerkt. De vrome Josafath had een goddeloze zoon en de godvrezende Josia zelfs drie goddeloze zoons. Waar de liefde tot de Heere en Zijn dienst mag zijn, daar trekt zich het spoor van ’s Heeren zegen tot in verre nageslachten. Zeker de vrucht van de zonde wijkt niet door de zegen van de Heere. De gezegende blijftstervelingin de volle zin van het woord. De werking van de wind, van de hete sirocco is het beeld van het mensenleven. Geen bevrijding is er van tijdelijk leed, maar waar Gods barmhartigheid werkt is de ervaring en de genieting van ’s Heeren goedertierenheid. Hoe wordt het verzekerd onder een levend, maar stervend menselijk geslacht: “de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen aan degenen die Zijn Verbond houden en die aan Zijn bevelen denken om die te doen”. Psalm 103 : 17-18.

Het is niet tevergeefs de Heere te vrezen en Zijn wacht waar te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Een gebod met een belofte 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken