Bekijk het origineel

Voor u gelezen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor u gelezen

7 minuten leestijd

18.

Een dag of vijf zijn verloopen. Steeds blijven man en vrouw gedurig pleiten op de belofte des yerbonds: “uw brood zal u gegeven worden.”

Hoe dikwerf ook als door een onzichtbare macht terug gedrongen, hoe fel ook inwendig bestreden en op het punt om uit te roepen: “de Heere heeft mijner vergeten!” of om met David te klagen: “ik roep des daags en Gij antwoordt niet en des nachts en ik vind geen ontfermen”, toch wordt hij ondersteund als met eeuwige armen en wordt gesterkt om te pleiten op de belofte Gods, zeggende: “doe het om des Heeren wil”.

En de Heere hoorde; Hij verhoorde en heeft hem uitgeholpen in een weg, dien hij niet wist en langs een pad, dat hij niet kende.

Hoe wonderlijk en ongeloofbaar ’t ook klinke voor velen, de Heere Die het meel in de kruik en de olie in de flesch der weduwe te Sarfath steeds vermenigvuldigde, deed met het laatste brood, dat de godvruchtige schoenmaker koopen kon, hetzelfde wonder.

Heel het gezin at van dat brood meer dan vijf a zes dagen; ze werden allen verzadigd en leden aan brood geen gebrek; wijl het bijna niet ’t minderde.

Op de vijfden of zesden dag wordt de vader opmerkzaam op dat brood en vraagt: “moeder! wanneer is dit brood gekocht?” en op het antwoord der moeder zien zij hoe hun de verborgene hand Gods van één brood nu zes dagen aan een heeft verzadigd. Zij smelten weg in aanbidding en verwondering over de goedheid Gods over eigene onwaardigheid en.... diezelfde dag is ’t laatste van dat brood verdeeld; het wonder had opgehouden, — opgehouden omdat het niet meer nodig was. De Heere was door een ander middel tegelijkertijd werkzaam geweest, om in de behoefte Zijner kinderen te voorzien, en hen, die tot Hem riepen en op Hem hoopten, volkomen uit te redden.

In de naburige stad, waar de gemeente des Zondags vergaderde en van welke gemeente ook de behoeftige schoenmaker lidmaat is, wordt een ouderling der gemeente ongeacht de persoon en het gezin van onzen schoenmaker op ’t hart gebonden. Hij kan hem niet kwijt worden, maar steeds weer, wanneer hij zijn knieën buigt, is br. H. hem voor de aandacht en wordt hij met diens gezin werkzaam. (Niet, dat hij iets had kunnen merken van de verlegenheid, waarin H. zich bevond; want deze sprak over zijn aardsche omstandigheden met niemand. Hij klaagde alleen aan God zijn nood!)

De godvruchtige ouderling blijft, heel de dag met de schoenmaker werkzaam en draagt hem gedurig op, waardoor de gedachte bij nem oprijst: zou er nood bij onze broeder zijn? Ook hiermeê zoekt hij werkzaam te zijn en smeekt: “Heere! is hij in nood of ellende, ai, red hem; wil hem uithelpen!” Meer en meer dringt zich de gedachte bij hem op: broeder H. is in nood en zal hulp behoeven. Nu komt hij op het denkbeeld enige geld te verzamelen en nog dienzelfden avond hem te bezoeken in zijn woning. Onder opzien tot den Heere en met de bede in ’t hart, dat de Heere Zijn volk bereidwillig mocht maken een offer te geven ten behoeve van dien broeder, zo hij ’t nodig had, doorloopt hij de gemeente, vertelt de welge-stelden zijn vrees en zijn werkzaamheden en verzoekt, hem behulpzaam te zijn, om in den nood te voorzien of de ellende te verzachten van den broeder in den Heere, die bij allen geliefd en in achting is. En de heere wrocht zodanig mede, dat, toen de avond viel, ongeveer veertig gulden was bijeenverzameld.

Met een opgewekt gemoed begeeft zich nu de gelukkige verzamelaar naar het dorp en de woning van zijn broeder in den Heere. Hij treedt de woning binnen en vindt H. met zijn vrouw in het woonvertrek bij ’t flauwe licht van een kleine lamp. Na de gewone avondgroet, merkt hij al heel spoedig aan beider gelaat en houding dat hun zware zorgen drukken. De anders nog al opgeruimde man was neerslachtig en zeer weinig spraakzaam, waaruit de broeder gist, dat hij misschien in geldverlegenheid verkeert. Om hiervan zeker te zijn spreekt hij hem aan en zegt: “is ’t wel met u?” Dat wordt toestemmend beantwoord. — “Nog al opgewekt?” — Geen mondeling antwoord, maar een schouderophalen meteen bezorgde blik, die hij echter dadelijk poogt te verbeteren. — “Wat schort eraan broeder? Hebt ge iets, dat u hindert?” Geen antwoord. Daaruit bemerkt de ouderling wel, dat zijn vermoeden wel zal worden bevestigd. “Nu”, vervolgt hij na enig stilzwijgen: “waarom niet aan den arbeid, of is er geen werk aan de winkel?” — ’t Eerste wordt niet, het andere toestemmend beantwoord. — “kom, vervolgt de ouderling, ga meê naar uwe werkplaats; moeder zal ons koffie zetten, gij gaat aan ’t werk en wij spreken samen over den Heere en onze eeuwige belangen.” —

De schoenmaker ziet hem aan met een gezicht, waarop smart, droefheid en verlegenheid te lezen staan. Hij staat op, en volgt schoorvoetend den ouderling, die intusschen is opgestaan en hem voorging in de werkplaats; ook de vrouw treedt met hem binnen. Nu spreekt de ouderling opnieuw en vraagt: “waarom zij t gij, die anders nog al moedig en steeds zo vlijtig werkzaam zijt, zo neerslachtig en niet aan ’t werk? En, vervolgt hij, terwijl zijn oog op een tal van schoenen ziet, die versteld moeten worden, “zie eens wat een voorraad! Kom zet u neer; — arbeidt als naar gewoonte en wees niet wankelmoedig, niet moedeloos; wie weet of de Heere toont, dat Hij ook onder de arbeid kan worden ontmoet en de gebogenen op wil richten!” —

Nu barsten man en vrouw beiden uit in vloed van tranen, en wat zij nimmer deden, doen ze nu voor ’t eerst: zij klagen een mensch hun’ nood, bekennen hun geldgebrek en roepen weenend uit: “werk in overvloed, maar geen geld om leer voor zolen en over-leêr te koopen!”

Nu tast de ouderling in zijn zak, haalt een beurs te voorschij n en roept met een bewogen hart, dat Gode dankzegt, die hem verwaardigt de armoê van Gods kinderen te lenigen, “ziedaar, broeder! Dit heeft God, Die helpt in nood, voor u beschikt.”

Hij stort de beurs op een tafeltje uit, en daar klinken de guldens, kwartjes en dubbeltjes door de kamer!

Wie zal de vreugde, de verwondering en dankbare stemming des harten van man en vrouw kunnen uitdrukken? Wie kan de blijdschap beschrijven van hem, die ’t middel mocht zijn om in de behoeften van dat gezin te voorzien?

Alle drie knielen neder, vallen in ootmoedig dankgebed en heffen daarna met eenparige stemmen den lof des Heeren aan, door ’t zingen van Ps. 99 : 2:


“God, Die helpt in nood,
Is in Sion groot;
Aller volken macht
Niets bij Hem geacht,
Buigt u dan in ’t stof,
En verheft met lof
’t Heilig Opperwezen;
Wilt Hem eeuwig vreezen!”


Deze beproeving ten opzichte van ’t uitwendig bestaan was de laatste, die zo zwaar dien broeder en zuster drukte. Nooit kwamen zij weer in dergelijke verlegenheid. De Heere zorgde, schoon hij maatschappelijk in den-zelfden geringen stand bleef leven, dat hij nimmer ’t laatste geld had uitgegeven en geen dadelijke hulp meer nodig had.

Mocht iemand iets in deze geschiedenis — vooral wat de zaak met ’t brood betreft — bedenkelijk voorkomen, de personen leven nog, die de waarheid zouden kunnen bevestigen van het hier vermeldde wonder. Wij hebben naam en woonplaats verzwegen, om der familie wil, maar vooral om dat het niet op de personen, wel op Gods daden aankomt, die elk, die op den Heere heeft leren vertrouwen en Hem kent in al Zijn wegen, zo uitlokkend als bemoedigend toeroepen:

“Ken den Heere in al uwe wegen en Hij zal uwe paden recht maken” en “Werpt al uwe zorgen op Hem, en Hij zal u onderhouden.” w.get.:

Utrecht, Mei 1897.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor u gelezen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken