Bekijk het origineel

Een gebod met een belofte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een gebod met een belofte

8 minuten leestijd

5.

“Opdat het U welga”, zo luidt de belofte die volgt op het Goddelijke gebod van het eren der ouders en allen, die over ons gesteld zijn. “Opdat het u welga”.

Nu kunnen er lettend op de praktijk vragen komen en raadselen het leven bezig houden, ja zelfs zo sterk, dat ze ons niet meer loslaten en zelfs tot allerlei gedachten brengen. Deze werkelijkheid vinden we ook in de Bijbel. Gods Woord wijst ons daarop. In het boek Prediker lezen we: “aanmerk het werk Gods want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?” En verder: “Dat alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt. Dit nu was voor Prediker een groot raadsel; het kromme dat hij niet begreep. Een rechtvaardige dat is iemand, die recht voor Gods staat en naar Zijn belofte gezegend moest worden en in (of ondanks) zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze (die naar het Woord des Heeren gestraft dient te worden) en in (of ondanks) zijn boosheid zijn dagen verlengt.

Die kromme lijn zag niet alleen de Prediker, maar die lijn wordt ons op verschillende bladzijden in de Bijbel aangegeven. Op één van de eerste bladzijden zien we die lijn al. Abel de rechtvaardige komt in zijn gerechtigheid om en Kaïn de goddeloze verlengt in zijn boosheid zijn dagen. Naboth de rechtvaardige komt om in zijn gerechtigheid en Achab de goddeloze verlengt zijn dagen.

Met dat kromme hebben ook vele vromen in hun dagen geworsteld. Denk aan David in Psalm 37 en niet te vergeten Asaf in Psalm 73. Hoe zag hij niet de voorspoed der goddelozen en de tegenspoed der rechtvaardigen. Ook vandaag kunnen de gedachten zich vermenigvuldigen en het hart bewogen, beroerd, geschokt worden door stormen. De raadselachtige wegen kunnen neerslachtig en moe-deloss maken. Zelfs kan twijfel gaan leven in het hart. Nu wordt, en dat bijzonder in het boek Prediker, onderwijs gegeven. Onderwijs, waaraan gedacht moet worden als er raadselen zijn, raadselachtige dingen gezien worden en er voor ons oog een kromme lijn is. Wanneer er omstandigheden plaatsvinden, die onbegrijpelijk zijn en blijven voortduren. “Wees niet al te rechtvaardig en houd uzelven niet al te wijs: waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?”

Wat het eerste aangaat schijnen we in de raadselen van het leven en in het onbegre-pene van het Godsbestuur nogal rechtvaardig te zijn en zelfs rechtvaardiger dan God. Wanneer wij het kromme in de wereld zien, menen we dat de Heere geen recht doet. Wat kan de rechtvaardige in ons oog lijden en de goddeloze ’goed’ leven. Ook ten opzichte van het doen des Heeren zijn we soms al te wijs. Dit is niet in orde. Dat deugt niet. Hadden wij te regeren, we zouden het anders doen of zelfs beter doen. Wat kunnen we de Heere, in ons hart beschuldigen van dwaasheid. Wat kunnen we het werk des Heeren veroordelen, bekritiseren. Wat zouden we de Heere graag dagvaarden voor onze rechtbank om rekenschap te geven van Zijn daden en handelingen. Tegenover onze eigen gedachten en bedilzucht heft Prediker zijn waarschuwende stem op. “Wil niet rechtvaardiger zijn dan God. Wil niet wijzer zijn dan de Heere”. “Stel u niet boven God, want wie zijt gij, zondaar, dat ge Hem recht zoudt voorschrijven en wie zijt gij, nietig mens, dat ge Hem uw wijsheid wilt opdringen? Waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?” Immers wie zijn hand tegen God opheft randt ten diepste Zijn eer aan èn de schennis van Zijn souvereiniteit en gerechtigheid kan de Heilige niet ongestraft laten.

Vervolgens; de werkelijkheden van het leven kunnen voor ons kromme lijnen zijn. Maar die lijnen mogen niet losgezien worden van ons aller werkelijkheid nl. de Godsverlating in het paradijs. Wat wortelt er niet in onze zonde en schuld. Welke gevolgen laten onze zonden niet zien? Vandaar de belijdenis: wat klaagt dan een levend mens, een iegelijk klage van wege zijn zonden. Verder is de Heere niet onrechtvaardig. Hij kan en mag handelen. Echter welk een goedheid temidden van Zijn rechtvaardige wegen en daden laat Hij in de donkerste nachten nog iets schitteren van zijn goedertierenheid en ontferming.

De psalmen getuigen daarvan en Gods kinderen spreken er van. Tenslotte, en dat staat vast, dit alles loopt uit op een Hem verheerlijkend einde. De levensgeschiedenissen van Gods kinderen getekend in Gods Woord zijn geen sprookjes die altijd een goede afloop laten zien, maar leidingen des Heeren. De Heere leidt alles tot een Hem verheerlijkend einde. De rechtvaardige zal leven en de goddeloze zal sterven. Gods molens malen langzaam, maar zeker. Vandaar ook de dringende waarschuwing: “Wees niet al te goddeloos en wees niet al te dwaas. Wee de mens, die zich ergert aan Gods doen en laten. Het heeft gevolgen, zelfs vreselijke gevolgen: “sterven buiten de gestelde tijd”.

De Heere is een heilig God, Wiens wegen recht zijn. Hij is een wijs God, Die Zich niet vergist. Hij is de souvereine God, Die Zijn welbehagen volbrengt. Zijn raad wordt volvoerd. Zijn besluiten worden uitgewerkt. Zijn woorden worden vervuld. Zijn beloften blijven gelden en de inhoud ervan maakt de Heere waar. In de praktijk wordt het gezien en bemerkt. Hij maakt alle dingen schoon op Zijn tijd. Vandaar dat er staat:“Wentel uw weg op de Heere en vertrouw op Hem; Hij zal het maken. En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht en uw recht als de middag. Zwijg de Heere en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die de Heere verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten”. Psalm 37 : 5-9.

Daar dit zeker is staat er in Prediker 7 : 18: “het is goed, dat gij daaraan vasthoudt nl. aan de gegeven vermaning (Prediker 7 vers 16, 17) en trek uw hand niet af; laat geen ogenblik die vermaning los; want die God vreest, die ontgaat dit alles”. Nu zegt ons dit niet dat men van alles gevrijwaard zal zijn. Gods Woord geeft aan hoe de weg kan zijn en wat meegemaakt kan worden, maar men ontkomt aan de verwoesting en het verderf. Men sterft niet voor, buiten de tijd. De godvrezende ontvangt het kinderlijk vertrouwen dat de getrouwe Heere het goed maken zal. Er mag zijn, of er komt, de berusting in Zijn liefde, al voert de weg door diepe dalen heen. Wat David beleed wordt gekend: “wat buigt gij u neder, o mijn ziel en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. De Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens”. Welk een kracht zit er in de vreze des Heeren. Welk een kracht gaat er van uit. Zijsterkt in het uur van de verleiding. Zij houdt staande in de branding. Zij bewaart voor opstand. Zij leidt tot het dragen, het gewillig dragen van het kruis. Door de kracht van de Godsvreze is er liefde tot de Heere. Het vastgrijpen van de Heere. Het zich vastklemmen aan de Heere. Het hopen op de Heere. Het geloven in de Heere. Het aankomen achter de Heere.

En zijn dan alle vragen opgelost en zijn alle levensraadselen weg? Zolang onze tijdsbede-ling zal bestaan zullen ze er zijn. Maar, en dat is groot en rijk, voor de Godvrezende is er houvast, is er zekerheid. En geloofshouvast, geloofszekerheid geeft de Heere iedereen op nieuw. Vandaar als anderen vallen of de vuist zelfs ballen en de satan zijn woorden laat horen: de godvrezende met overtuiging belijdt: “Hoewel een zondaar honderdmaal kwaad doet en God hem de dagen verlengt, zo weet ik toch dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijnaangezicht vrezen: maar de goddeloze zal het niet welgaan en hij zal de dagen niet verlengen: hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest”. Prediker 8 : 12, 13.

Bezit u de vreze des Heeren? Met en door Gods vreze en haar kracht gaat het ons wel. Gaat het goed en komt het goed. Vandaar dat er staat: “Uw hart zij niet nijdig over de zondaren, maar zijt te allen dage in de vreze des

Heeren; want zekerlijk, er is een beloning en uw verwachting zal niet afgesneden worden”. Spreuken 23 : 17, 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988

Bewaar het pand | 4 Pagina's

Een gebod met een belofte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1988

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken