Bekijk het origineel

Voor u gelezen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor u gelezen

6 minuten leestijd

21.

(Uit het jaarboekje voor de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland 1899)

De tuinbaas en zijn arbeider (III)(vervolg) “Toen de eerste ontroering bedaard was, zetten zich man en vrouw, over elkander verwonderd, aan tafel om elkander mede te deelen wat grote dingen hun de Heere gedaan had.

De vrouw is de eerste, die de lof des Heeren vertelt en verhaalt het volgende:

“Nadat ik u verlaten had en mijn reis naar Friesland vervolgde, kwam ik te Kampen om met de buurman vandaar over de Zuiderzee de plaats mijner bestemming te bereiken. Wij hadden in den beginne een zeer voorspoedige reis en dachten met de gunstige wind zonder enig omhaal de haven in te zeilen.

Maar wat een teleurstelling! Nauwernood halverwege gekomen, overviel ons in open zee een hevige storm. De wind, die gedraaid was, blies met hevige rukken dwars tegen boord, de golven verhieven zich en telkens meenden wij in de diepte weg te zinken. Maar hoe werd onze benauwdheid vermeerderd, toen de kapitein beneden kwam en met angstig gelaat ons toeriep: “mensen! bidt tot God, want er is groot gevaar voor ons in de golven te zullen omkomen!” Onze angst werd doodsangst en de mijne is met geen woorden uit te drukken. Heel mijn levensloop, ja al onze zondige levensjaren werden mij herinnerd. Al mijn zonden, van de jeugdaf, rezen als bergen voor mijn oogen. Ik dacht zoo, zóó voor een rechtvaardig God te zullen verschijnen om......voor eeuwig veroordeeld te zullen worden. Ik kon niets ter verschoning bedenken en riep in de angst mijner ziele: “verloren, verloren, voor eeuwig verloren!” Na een enkel uur bedaarde de storm en kregen wij van de kapitein de geruststellende verzekering, dat het gevaar was geweken, hoewel de zee nog bleef voortwoelen en ’t schip geweldig slingerde. Wij waren dan ook niet gerust voor wij de haven binnenliepen, en ieder reiziger in de kring zijner familie de zoo gevaarvolle reis kan mededelen.

Ook ik deed mededeling van mijne ervaring aan onze familie en dacht weldra de vorige kalmte weer te zullen genieten. Maar, o mijn lieve man, wat stormen staken op, toen ik op mijn leger was. Dezelfde herinnering aan het leven, dat achter mij is, dook voor mijn geweten op. Hetzelfde besef der rechtvaardigheid en heiligheid Gods ontwaakte; weer kwam dezelfde benauwdheid; nu niet om in de golven om te komen, maar alleen, omdat ik tegen God gezondigd had en vreesde voor altoos van Hem verstooten te worden; dit deed mij uitroepen van weedom des harten. Sedert die nacht ben ik biddende geworden. Ik heb voor mijzelf en voor u geroepen; want wij beiden zijn verloren. O, man! laat ons dan bidden, dat God Zich nog ontferme en ons redde van de eeuwige dood.”

Daarop verhaalt ook de man wat we reeds weten, en weldra liggen een zondaar en een zondares voor ’t eerst in hun leven te zamen geknield aan de troon der genade. Zij belijden met heete tranen het zo zondige leven, dat achter hen is. Beide doen zij met een volkomen hart afstand van zonde en ongerechtigheid. De onberouwelijke keus: “Ik en mijn huis wij zullen den Heere dienen, is in beider ziel geboren!

Wat er na die bede bij hen omging, is niet uit te drukken. Weenend vallen man en vrouw, zonder een woord te kunnen uitbrengen, weer in elkanders armen. De liefde Gods is in beider harten uitgestort. Eene te voren nooit gekende betrekking bindt hen nu samen, en als zij later hunne ervaring mededeelden, betuigden beiden: “daar, daar zijn we bij vernieuwing getrouwd.”

Sedert die gelukkige ure was bij hen al het oude voorbijgegaan en was alles nieuw geworden. De wereld ontvlood hen en zij lieten de wereld met al hare begeerlijkheden varen. De lieden dezer wereld vonden niet meer zoals vroeger een plaats in hunne woning en geen genot meer in hun gezelschap. Met woord en daad betoonden beiden: “Ik ben een metgezel van allen, die den Heere vreezen.” Het leven was hun Christus geworden, en de Heere was hun voor- en achtertocht. Hij vervulde aan beide de belofte: “die in het huis des Heeren geplant is, dien zal het gegeven worden te groeien in de voorhoven des Heeren.”

Jaren aaneen werden beiden geacht en bemind door Gods volk, maar ook door de wereld gevreesd en ontzien vanwege den godzaligen wandel.

Wat Salomo van godvruchtige vrouwen zegt, werd aan de echtgenote van den tuinman bewaarheid: “een kloeke huisvrouw is de kroon haars heeren.”

Aan de tuinman werd de genade bewezen, die ook aan Abraham is ten erve geworden. Hij werd gezegend met geestelijke zegening uit den hemel in Christus, Zijn naam werd groot gemaakt in Gods Kerk en voor velen is hij een zegen geweest.

Jaren diende hij met eere als ouderling de gemeente des Heeren, was de vraagbaak van eerstbeginnenden, de leidsman van meer gevorderden, maar ook een middel in ’s Heeren hand, waardoor zondaren en zondaressen werden toegebracht tot de gemeente, die zal zalig worden.

In 1875 stierf zijn echtgenote aan een langdurige, zeer pijnlijke ziekte. In de volle verzekerdheid harer staatsverandering ging zij de dood tegemoet; in zalige onderworpenheid aan de smartelijke krankheid was zij onder de smarten als een gespeend kind; in ’t blij vooruitzicht met Gods Beeld te zullen worden verzadigd, trad zij de doodsvallei in. Haar zwanenzang was de juichtoon van Azaf: “Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uwen raad en daarna in heerlijkheid opnemen.”

Na de dood van dit kind des Heeren, dat als een vuurbrand uit den vure was gerukt, bleek het aan de tuinman, wat een man verliest, wien een godzalige vrouw ontvalt, - een sierlijke kroon, de lust zijner oogen was hem ontnomen. Zijn leven was geknakt. Hij was de opgewekte man van vroeger niet meer. Vooral in de laatste dagen zijns levens had hij een moeilijk leven. Groote bezwaren drukten hem; een zware strijd deed hem zuchten. Toch bleef de hope op God zijn sterkte tot hij dit tranendal verliet om in te gaan in de vreugde zijns Heeren, waar geen zorgen meer drukken.

Zij beiden rusten in vrede op hunne slaapsteden en verbeiden de dag der verlossing om, naar ziel en lichaam verheerlijkt, de God hunner zaligheid te lieven, te loven, met Hem in eeuwige zaligheid te leven en hem daar eeuwig te prijzen.

Utrecht, Juni 1898,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor u gelezen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken