Bekijk het origineel

Een gebod met een belofte 8

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een gebod met een belofte 8

7 minuten leestijd

Het tweede deel van het vijfde gebod wijst op een belofte: “opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft”.

Deze belofte had vanzelf ook betrekking op de voortduur van het volksbestaan. Israël zou als volk leven in het beloofde land, wanneer het Goddelijk gezag werd erkend. De eerbiediging van het gezag waarborgde het volksbestaan. Men werd ook gewaarschuwd voor ondermijning van het gezag en de verwerping van het Goddelijk gezag. Dit zou persoonlijk en nationaal ontzettende gevolgen laten zien.

Die waarschuwing des Heeren geldt ook nu nog. Een volk dat zich keert tegen gezag en van gehoorzaamheid niet wil weten of slechts ten dele, zal daar de gevolgen van ondervinden. Het veronachtzamen van de ordinantiën in het vijfde gebod leidt tot ontbinding van het leven, in gezin, maatschappij en volksinstituut. De geschiedenis bewijst het en de praktijk bevestigt het. Maar het leven bij en naar het gebod werpt rijke vruchten af. Nationaal en persoonlijk. In staat, kerk, gezin en eigen leven. Het leven onder de wijnstok en de vijgeboom is daar het bewijs van.

Nu is de belofte in het vijfde gebod zeer verstrekkend. Zij heeft betrekking op dit en het toekomende leven. Het rijke, gezegende leven in Kanaan is beeld, afschaduwing van het leven in het hemelse Kanaan. Het leven op de nieuwe aarde. In de Heilige Schrift wordt gesproken over de toekomst. We worden gewezen op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Deze zullen komen. Deze zullen er zijn. Door de arbeid van Christus. Naar Gods welbehagen. Er komt een nieuwe hemel. Er komt een nieuwe aarde.

Nu moeten we het woord “nieuw” goed verstaan. Het betekent niet dat er een totaal nieuwe schepping zal zijn, maar er zal zijn een herschepping van hemel en aarde. Een herschepping in een vóórdien ongekende gedaante.

Van de nieuwe aarde wordt nog gezegd, dat daarin, daarop, gerechtigheid zal wonen. Het volkomen, volmaakt doen van Gods wil zal er zijn. De vreze des Heeren zal aller denken en doen regelen. Men zal er niet in gestoord worden. Belemmeringen, beïnvloedingen zijn geheel uitgesloten. De vreze des Heeren vervult geheel de aarde. De gerechtigheid zal wonen op de aarde. En dat komt door de tegenwoordigheid des Heeren.

De Heere woont dan bij Zijn volk en de Zijnen mogen wonen bij Hem. Overschaduwd door Zijn heerlijkheid. Openbaring 21 : 3. Ezechiël 37:27. Niet één zondaar wordt dan op de aarde gevonden. De invloed van satan is dan voor altoos uitgesloten. Hij is gebonden tot in eeuwigheid. Er zal vrede zijn en een vredesleven. Een glimp van de toekomende vrede-op-aarde was reeds te zien in de woestijn van Judea, toen de Heere Jezus de verzoekingen van de satan doorstaan had en het na veertig dagen bleek, dat de duivel het verloren had. Het staat zo opvallend in Markus 1 : 13. “En Hij was bij de wilde gedierten en de engelen waren Zijn dienaars. Zij eerden Hem”. Hoe rijk spreekt Jesaja profetisch van de paradijsvrede. Denk aan Jesaja 11 : 6-9, waar het gaat over de wolf en het lam, de luipaard en de geitebok, over de leeuw en het rund. En in Jesaja 65 : 25 lezen we: “De wolf en het lam zullen tezamen weiden en de leeuw zal stro eten als een rund en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn ganse heiligen berg, zegt de Heere”. Nu staat er in datzelfde hoofdstuk nog iets opvallends. En daar dient op gelet te worden. In vers 20 lezen we: “Vandaar zal niet wezen een zuigeling van weinig dagen noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar honderd jaar oud zijnde zal vervloekt worden”. Uit het verband weten we dat hier Jesaja profeteert van het nieuwe Jeruzalem en het eeuwige leven dat daar genoten zal worden. Wat in dit leven voorkomt, zal dan niet meer zijn. Hier is verdriet, rouw, gemis. Hier zijn tranen. Hoe donker, hoe moeilijk kunnen de levensnachten zijn. Welk een werkelijkheden kunnen plaatshebben. De verkorting van het leven is er in de menselijke samenleving. De goddeloze sterft dikwijls “vóór zijn tijd” (Prediker 7 : 17), omdat hij door eigen schuld “verwoesting” over zich brengt. “De mannen van bloed en bedrog volbrengen (vaak) hun dagen niet ter helfte” (Psalm 55 : 24). Maar ook kinderen des Heeren kunnen jong sterven. Als kind of in de rijpere jeugd door ziekten of ongeval. Een zuigeling kan goed heengaan. Een man of vrouw in de bloei van het leven kan heengaan en ingaan in het Koninkrijk Gods. Hoe rijk het sterven ook moge zijn, men verlaat eigen of vrienden. Banden worden losgemaakt. Scheiden maakt een wond. Daarbij kan het vreemde, raadselachtige, het hart treffen; een goddeloze kan in ongebroken kracht voortleven en een zondaar in gezondheid honderd jaar worden.

Maar al wordt een hoge leeftijd bereikt, de Vloek komt. De vloek zal treffen. De Heere roeit hen uit, die afhoereren en Hem de trotse nek toekeren. Men wordt voor eeuwig vervloekt. Vervloekt door de hoogste Rechter. Men valt onder het eeuwig oordeel van God. Maar de Godvrezenden zullen leven. De kinderen, de jongeren, gestorven in de Heere, zullen evenals de ouderen tot volle heerlijkheid komen. De vroeggestorvenen, zelfs de zuigelingen zullen de rijpheid van de volwassenheid verkrijgen. Zij zullen kennen. Zij zullen beleven. Zij zullen roemen. Allen zullen belijden: “de zaligheid zij onze God, Die op de troon zit en het Lam”.

En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. De zegeningen van het eeuwig leven worden genoten in heerlijkheid. Het leven met de Opstandings-Vorst zal zijn op de nieuwe aarde. Door Christus’ arbeid, door Christus’ opstanding is dit vast.

Welk een waarde heeft Pasen! Het getuigt van de levende Heere. Hij is opgestaan uit de doden. Hij is opgewekt door Zijn Vader. Hij is de Eersteling geworden van degenen, die ontslapen zijn. Zijn opstanding is het zekere pand der zalige opstanding. De opgestane Christus Zelf is het vaste pand van de opstanding in heerlijkheid. Die opstanding in heerlijkheid is bezittend en levend met een verheerlijkt lichaam. Een lichaam gelijkvormig aan Christus heerlijk lichaam. Een lichaam zonder zonde, zonder sporen van de zonde. Zonder gebrek. Rijker en heerlijker dan het lichaam van Adam in het paradijs. En dat eeuwig!

Welk een leven wacht Gods kerk. Job mocht in zijn donkere nacht er zicht op hebben toen hij beleed: “Want ik weet mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal en mijn ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot”.

Dat onze ogen mogen opengaan voor de heerlijkheid van Christus Jezus en de onverwelkelijke gaven, die Hij uitdeelt. Dan zijn we bereid alles te verkopen voor de parel van grote waarde en alles schade en drek te achten om deze uitnemendheid. Zolang we alleen uitzien naar aardse voordelen, talen we niet daarnaar. Bedenkt dit wel en weet wat daarvan de gevolgen zijn. Door eeuwigheidslicht, door Geesteslicht en leiding wordt het:


Weg wereld, weg schatten
Gij kunt niet bevatten,
Hoe rijk ik wel ben.
k Heb alles verloren,
Maar Jezus verkoren,
Wiens eigen ik ben.


Eigen voor eeuwig! Dat is leven! Leven nu! Leven straks! In de hemel en op de nieuwe aarde. Dan gaat volkomen in vervulling, wat vastligt in het vijfde gebod “dat het u welga”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Een gebod met een belofte 8

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken