Bekijk het origineel

Petrus Datheen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Petrus Datheen

7 minuten leestijd

7

De afgevaardigden waren nog niet voldaan. Zo schreven we in het vorige artikel. We laten weer dr. Ruys aan het woord:

“Wel verblijdde het hen te horen, dat Datheen de ketterijen van Chunradus verwierp en de wens had te kennen gegeven bij de Gereformeerde belijdenis te volharden, hetgeen zij dan ook, bij monde van Gerobulus, duidelijk deden blijken, maar aan de andere zijde deed het hun leed, bij Datheen zo weinig van schuldbelijdenis te bemerken.” (......) “Tegen over dit verwijt nu, dat hij ten opzichte van sommige punten een gewijzigd inzicht zou hebben bekomen, heeft toen Datheen, daarmede min of meer van het onderwerp afdwalende, erkend, dat hij wel eens wat al te vurig was geweest in het aanraden van oorlogen, hetgeen toch niet het juiste middel was, om de voortplanting van de godsdienst te bevorderen. De apostelen en de martelaren waren immers anders opgetreden! Het berouwde hem dan ook, dat hij teveel aan uiterlijke ceremoniën was gehecht geweest en daardoor het voornaamste wel eens nagelaten had: bij het volk aan te dringen op bekering des harten. Over dergelijke dingen had hij met sommigen wel eens wat te vrij gesproken, maar ten opzichte van de voornaamste geloofsartikelen was zijn belijdenis in geen enkel opzicht veranderd”.

De afgevaardigden hadden Datheen gevraagd zich uit te spreken over een bepaalde uitdrukking, die hij gebezigd had. Daarop had Datheen geen antwoord gegeven. Daarom vroeg Gerobulus Datheen er zich duidelijk over uit te spreken, wat hij met die uitdrukking had bedoeld. Datheen legde toen een verklaring af, waarmee de afgevaardigden echter geen volkomen genoegen namen, omdat Datheen de gewraakte uitdrukking in verband met de gehele godsdienstleer gebruikt had. De afgevaardigden hebben Datheen toen de brief voorgelegd, die hij eigenhandig aan Chunradus geschreven had en waaruit zijn afwijkende gevoelens duidelijk bleken. Zij vermaanden hem om toch zijn gehele gemoed voor hen uit te storten. Dit had tenslotte het gewenste succes. Dr. Ruys vertelt het volgende:

Datheen beleed thans - naar Pezelius meldt, onder een vloed van tranen - hoe zijn geloof tijdelijk ingezonken was geweest en hoe in de verbittering zijner ziel enige twijfel in hem was opgerezen. Maar toen, in die hoogst-ernstige levenscrisis met een hevige krankheid op het ziekbed geworpen en worstelende met de dood, had hij al de twijfel, die in hem was, weer van zich mogen werpen, tegelijk met alle gramstorigheid en wrevel, en had hij door gebed en berouw alle schuld bij God afgebeden, zijnde nu verzekerd weer volkomen met Hem verzoend te zijn. Vurig wenste hij dan ook, dat zijn bezoekers hiervan ten stelligste overtuigd zouden zijn, dat hij, met Gods hulp, alle twijfel, die in hem mocht geweest zijn, had overwonnen en dat het thans zijn ernstig voornemen was nooit van de ware leer af te wijken, waarvoor hij God bad hem tot zijn laatste ademtocht te willen bewaren.

De afgevaardigden waren thans van Da-theen’s oprecht berouw volkomen overtuigd. Niettemin achtten zij het hun plicht, de afgeweken broeder nog eens met ernst op zijn bedreven zonde te wijzen: hoe grote ergernis was er niet ontstaan door de verspreide geruchten en door het bekend worden van die fatale brief! Datheen had toch moeten bedenken, welk een aanleiding de tegenstanders uit dat alles zouden nemen om de kerk schade aan te doen! En hoeveel zwakke broeders waren daardoor niet geschokt in hun geloof! Ook had hij de heilige dienst niet zonder reden eigener beweging mogen verlaten. Niettemin namen zij voorlopig met Datheen’s schuldbelijdenis gaarne genoegen en vermaanden zij hem, zich weer aan het predikambt te gaan wijden, terwijl Gerobulus zijn verklaring aangaande de welwillende gezindheid der Synode jegens hem nog eens herhaalde en hem ook, zo nodig, financiële hulp toezegde.

Opdat Datheen nu aan de Synode volkomen voldoening geven zou, vroegen de afgevaardigden van hem een eigenhandig geschreven verklaring, dat hij het voorgevallene diep betreurde. Aan dit verzoek voldeed Datheen gaarne en de volgende dag reikte hij aan de deputaten het verlangde stuk over, daarbij nog eens mondeling verzekerende, voortaan nimmer meer van de zuivere leer te zullen afwijken en het voornemen te koesteren weer tot de heilige dienst terug te keren, zo God hem daarvoor de lichaamskrachten schonk en hem een niet te zwaar beroep zou worden aangeboden.

Deze zeer belangrijk verklaring van Datheen luidde in zijn geheel als volgt:

“Genade en vrede door Christus Jezus. Eerwaarde mannen broeders, waarde ambtgenoten! De afgezant der Synode, te ’s-Gra-venhage gehouden, Johannes Gerobulus, getrouw dienaar der kerk te Vlissingen (dit slaat op zijn verleden; Gerobulus was thans emeritus), voorzien van uw credentiebrief, alsook de heer Pezelius, zeer beroemd godgeleerde, zijn behouden tot mij gekomen en hebben, met door toeval, maar door de bijzondere voorzienigheid Gods, tot reisgenoot verkregen de heer Menno Alting, ’n broeder, bij mij zeer geliefd, wier aankomst mij hoewel geheel onverwachts toch zeer aangenaam, ja hoogstaangenaam, is geweest. Ik heb het gevoelen der eerwaarde Synode verstaan en hare toegenegen welwillendheid mijwaarts duidelijk bemerkt en ben ten hoogste dankbaar voor de broederlijke belangstelling, die zij jegens mij heeftgelieven aan de dag te leggen. Ik heb de heren broederen open en oprecht geantwoord, dat ik, enigermate bekoord door de schitterende beloften van die onheilige en onreine Chunradus (van wiens omgang mijn ziel gruwt), en beledigd en verbitterd door die onheuse behandeling, waarmede mij sommigen van het hof te Utrecht onbillijk hebben bejegend, in het begin enige dingen te ruw gezegd en geschreven heb; en dat ik, door de zucht naar ik weet niet wat verborgen leer en ontstoken door de inblazing van die bedrieger, de lezing heb verlangd van sommige boeken, die ik nooit had gezien en die ik, nadat ik ze met het uiterste der lippen geproefd had, daar ik in die windselen van woorden niets sappigs of degelijks vond - versmaad, ja verfoeid heb Doch eindelijk niet slechts door aanhoudende en dodelijke ziekten neergedrukt, maar zelfs ook de laatste ure elk ogenblik verwachtende, ja verlangende, heb ik al wat in mijn ziel aan weifeling, bitterheid of wrok is geweest geheel terzijde gesteld en heb ik, door de genade des heiligen Geestes, mijn ziel zó gesterkt in die godsdienst, welke ik tot hiertoe beleden heb, dat ik hoop daarbij (met afkeuring en veroordeling van de godslasteringen en dwalingen der David-Joristen, Libertijnen, Enthusiasten, Wederdopers en

alle andere secten) naar de belijdenisgeschriften der orthodoxe kerk, door de gunst van de algoede en allerhoogste God, tot aan mijn laatste ademtocht te blijven volharden en daarin dagelijks vorderingen te maken. Waarom ik echter, met verzaking mijner vorige roeping, tegen mijn wil een ander levensberoep gekozen heb, zal de heer Ge-robulus u breedvoeriger uiteenzetten: dat dit nl. niet geschied is door enigerlei verachting van het predikambt, maar wegens gebrek aan de nodige middelen om te leven en opdat ik niemand tot last zou zijn. Ik ben trouwens indachtig aan het apostolisch woord: het is zaliger te geven, dan te ontvangen. Intussen was het mij hoogst aangenaam, dat de broeders, gedachtig aan mijn bekrompen omstandigheden en langdurige tegenspoeden, mij een vriendelijke tegemoetkoming mildelijk hebben aangeboden. Maar wijl in deze uiterste gedruktheid der kerk talloze vromen in de hoogste nood verkeren, zal het beter zijn thans dit bedrag ten hunnen behoeve bijeen te brengen, hetwelk ik echter niet versmaden zal, zo God mij in mijn kwijnende ouderdom, of liever uittering, door huiselijk gebrek zou willen beproeven. Meer te schrijven gedoogt niet de tijd en mijn zwakheid. Al het overige beveel ik aan de trouw van de heer Gerobulus en aan de oprechtheid der uitstekende mannen Peze-lius en Menno aan, terwijl ik alleen dit verzoek, dat de broeders zich hiérvan levendig overtuigd willen houden, dat ik, zo God mij de nódige krachten opnieuw zal geschonken hebben, met vreugde tot vroegere arbeid terug zal keren. God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verrijke u allen met Zijn gaven en ontferme zich over Zijn zeer bedrukte kerk. Amen.

In haast, 22 juli 1586.

Uw ambtgenoot en broeder in Christus, Petrus Dathenus”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Petrus Datheen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken