Bekijk het origineel

De Handoplegging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Handoplegging

6 minuten leestijd

2.

Wie de bevestiging van een kandidaat bijwoont, wordt betrokken bij een plechtig gebeuren. Na de prediking wordt door de bevestiger het formulier voor “de bevestiging van een dienaar des Woords” voorgelezen. Aan de kandidaat worden drie vragen gesteld. Deze moet die door een “ja ik, van ganser harte” beantwoorden. Hierna komt onder het zingen van een passende psalm de bevestiger van de kansel. De kandidaat gaat naar de knielbank en knielt. Vervolgens nemen vier ouderlingen de kansel-bijbel en houden die, geopend, boven het hoofd van de kandidaat. Aanwezige predikanten stellen zich in een kring rondom de kandidaat. De bevestiger legt daarna zijn rechterhand op het hoofd van de kandidaat en spreekt: “God, de hemelse Vader, Die U geroepen heeft tot deze heilige dienst, verlichte U door Zijn Geest, versterke U door Zijn hand en regere U zo in Uw bediening dat gij daarin behoor-lij k en vruchtbaar moogt wandelen tot groot-making van Zijn Naam en tot uitbreiding van het Rijk van Zijn Zoon Jezus Christus”. De predikanten, die in een kring rondom de kandidaat staan, leggen ook, ombeurte, de hand op het hoofd van de kandidaat en spreken een tekst uit. De uitgsproken tekst heeft vanzelf betrekking op het dienstwerk, dat wacht. Tenslotte wordt door de gemeente, staande, een zegenbede gezongen. Een bijzonder gebeuren. Onvergetelijk voor wie het meemaakt en bijzonder voor de betrokkene.

Men is nu wettig dienaar. Dienaar van het Goddelijke Woord. Wie zich echt van de Heere geroepen mag weten tot de dienst, kan dit moment nimmer vergeten. Naast de wettigheid van het staan in de dienst is er door de handoplegging ook een Goddelijke bevestiging van het komen tot het ambt. De zekerheid van de roeping wordt onderstreept. De handoplegging is dus geen plechtig gebaar. Het is niet iets, wat door een mens is uitgevonden. Het is voluit Bijbels. In de Heilige Schrift komen we de handoplegging regelmatig tegen. Zo wel in het Oude als in het Nieuwe Testament.

De handoplegging had onder het oude verbond een veelzijdige betekenis. Vandaar dat ze bij onderscheiden omstandigheden plaatsvond. Het werd gezien als een teken van overdracht. Bijvoorbeeld van zegen. In Genesis 48 lezen we van het zegenen van Jacob. Hij zegende twee zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, door de oplegging der handen. In Leviticus 9 staat dat “Aaron zijn handen ophief en zegende het volk”. De handoplegging moest ook gebruikt worden om mensen te vervloeken. Als het gaat over het straffen van een Godslasteraar sprak de Heere tot Mozes: “Breng de vloeker uit tot buiten het leger en allen die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.

Door het laten steunen van de handen op het hoofd van de vloeker werd de zonde zowel van het spreken als van het horen naar die vloek op het hoofd van de vloeker geconcentreerd.

In de ceremoniële eredienst had de handoplegging ook een eigen plaats.

De offeraar naderde met zijn offer, aan de deur van de tent der samenkomst. Alvorens men tot het slachten en offeren overging, vond de handoplegging plaats. De schuld van de mens, maar heel bijzonder werd het het doodsoordeel overgedragen op het dier en daarna voltrokken aan het dier. Calvijn merkte op: “er is derhalve geen twijfel aan of hun oordeel, welke straf ook verdiend is, brengen zij over op het offerdier, opdat zij Gode verzoening zouden doen”.

Op de Grote Verzoendag werd één van de twee bokken naar de woestijn verwezen en daar losgelaten. Voor dit gebeurde legde Aaron de handen op de kop van die bok. Door deze zinnebeeldige handeling werd de schuld van het volk overgedragen. Het dier werd het plaatsvervangende offer. De ware Israëliet, de echte priester, leefde bij deze werkelijkheid: het oordeel God verdiend te hebben. Des doods schuldig te zijn. Want er staat geschreven: “de ziel, die zondigt zal sterven”. Wat het dier onderging, moest de offeraar naar recht ondergaan. Hij zou de eeuwige dood moeten sterven. Maar nu het plaatsvervangend offer. Het offer door God de Heere Zelf aangewezen en gegeven. Het offerlam, het plaatsvervangend offer is dus van de Heere. Het was ook een sprekend offer. Een heenwijzend offer. Het wees heen naar en het sprak van het Offer. Het offerlam Jezus Christus. Hij is de Betaler, de Voldoener, de Verzoener! Hij gaf Zich. Gewillig. Vrijwillig. Hij de Onschuldige voor de schuldigen. Hij de Heilige voor onheiligen. Hij wilde op de plaats gaan staan van goddelozen. Hij wilde zich geheel geven voor godde-lozen. Zijn bloed, Zijn leven gaf Hij voor wetsovertreders. Hoe groot is Zijn liefde. Hoe goed is God de Heere. Wie nu vandaag zijn doodvonnis onderschrijft, de Heere billijkt in Zijn recht, buigt voor het eeuwig oordeel des Heeren, wordt klein, wordt stil door het verzekerend belijden des Heere: “ik voor U, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven”. De zondaar mag ook zijn hand uitsteken en leggen op het God-Lam. Wie het gelovig, hopend doet, wordt niet beschaamd. Nooit beschaamd, want Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

In het Nieuwe Testament wordt er ook over de handoplegging gesproken. Zij heeft te maken met het zegenen van kinderen en het genezen van zieken. De handoplegging wordt ook in verband gebracht met de gave van de Heilige Geest. Opvallend is dat Jezus niet de handen werden opgelegd. Hij werd wel gedoopt. In het uur van Zijn doop daalde de Heilige Geest op Hem neder in de gedaante van een duif en een stem uit de hemel sprak: “deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Den-welken Ik Mijn welbehagen heb”. God de Vader Zelf legde Zijn handen op Zijn Zoon. De Heere Jezus heeft Zijn discipelen ook niet de handen opgelegd, maar wel op hen geblazen uitsprekend de woorden: “ontvangt de Heilige Geest”.

Pinksteren kan ook genoemd worden de handoplegging van de Heilige Geest. En die werking van de uitgestorte Geest wordt in de Nieuw-testamentische kerk ook gezien in de ambtelijke handoplegging.

Geest en ambt. Zij horen bij elkaar. Dit moge meer spreken in onze tijd van ambtsverachting en ambtsonderschatting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1988

Bewaar het pand | 4 Pagina's

De Handoplegging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1988

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken