Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 2.

6 minuten leestijd

Doch dit daar latende, zal ik mij alleen ophouden met haar zielsgestalten.

1. Van het eerste ogenblik van haar ziekte heeft ze een sterke indruk gehad, dat zij sterven zou. Zondag en maandag was zij stil en toen hadden de vrienden nog zo grote indruk van haar ziekte niet, maar dinsdag de 14e januari was zij begerig om ds. Immens te spreken, die des namiddags bij haar kwam en met haar sprak. Toen zeide zij tot hem: “Ik heb niet van mijzelf en van mijn staat durven spreken, maar ik denk dat ik zal sterven. Daarom wilde ik mijn staat en zielsgestalte wel eens voor u openleggen”. Zij sprak zo zacht, en ds. Immens met haar, dat ze van de vrienden, die daaromtrent waren, even kon gehoord worden. Zij begon aldus:

2. “Ik verzoek dat u mij nu trouw naar Gods Woord behandelt. O, ik schrik mij te bedriegen. O, wat zou dat zijn, te sterven en bedrogen uit te komen!“

3. Hierop deed ze een omstandig verhaal met veel beweging van haar ziel, hoe de Heere God haar te Dordrecht op haar 17e jaar had getroffen door Zijn pijl en dat bij gelegenheid dat zij u hoorde prediken uit Joh. 3 : 5: Voorwaar, vooncaar zeg Ik n. zo iemand niet wedergeboren wordt uil Wateren Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan, hetwelk haar wonderlijk trof, en juist op die tijd, toen zij te Dordt was, hoorde zij J.V.D. over de ruime en gulle aanbieding des Verbonds, hoe God dat in het evangelie laat aanbieden aan de grootste zondaars en zondaressen, wat haar enigszins bemoedigde. “Dit“, zei ze, “is mij bijgebleven en heeft mij ernstig zoekende gemaakt, totdat ik mij overreed vond om mij aan de Heere Jezus over te geven en op te dragen. Ik heb mij in het vervolg honderd en honderdmaal aan de Heere Jezus in het eenzame opgedragen, dikwijls met zoveel aandoening, liefde en barmhartigheid, met opzegging van de dienst aan de wereld, de zonde en de Satan, maar mijn bijblijvende verdorvenheden aan de ene kant en mijn stil humeur aan de andere kant en het voorbijstappen van anderen en haar meer doorbreken voor God, heeft mij dikwijls beklemd en over mijzelf doen twijfelen. hoewel ik moet bekennen dat God mij heeft ontdekt de boosheid van mijn hart en de dierbaarheid van de Heere Jezus, zodat mijn ziel in veel levendige uitgangen naar Hem is gelopen, zodat ik dikwujls heb gestaan om mijn hand in de hand van de Heere Jezus te brengen in geloof, in liefde en zo ik dacht in oprechtheid (de Heere is mijn getuige met zeggen, met schrijven, ja zweren, dat ik de Zijne wilde zijn), maar altoos als ik op het punt stond was ik bedeesd, zodat ik nooit, ja nu nog niet, het besluit voor mijzelf heb kunnen opmaken met blijdschap.“

4. Zij betuigde, dat haar wonderlijk had verkwikt de laatste oefening, gedaan door ds. Immens, tot een voorbereiding van het Avondmaal, over de natuur van het geloof, te meer omdat zij 6 a 7 weken weinig ter kerk was geweest. Zij was niet in staat om uit te drukken met wat zielsbeweging zij daaronder was geweest. Anderen hebben betuigd, dat ze het oog op haar gehad hebben. Thuis komende was zij op een stoel gaan zitten en met tranen in de ogen dankte zij God, dat zij dit had mogen horen tot haar zielsbemoe-diging. Zij betuigde ook meteen hoe aangenaam en gezegend haar het gezelschap was geweest op vrijdag 10 januari aan het huis van ds. Immens, waar de stof van het gesprek was aangaande Christus’ vernedering. “O“, zei ze, “toen is mijn hart daardoor wonderlijk in liefde en dierbare achting omtrent Jezus werkzaam geworden, zodat ik toen mijn hart aan Jezus opdroeg om het in Zijn lijden alleen te zoeken, echter nog als tevoren zonder mij te kunnen verzekeren; het was al weer met schuddingen.“ Haar werd toen daarop gevraagd: dat was immers niet, omdat gij het niet meende of omdat gij het niet wilde? Haar antwoord was, neen. maar het was, dacht ze, te groot voor haar. Ik ben, zeidezij, te zondig, het scheen mij loealsal te vrijmoedig. Haar werd geantwoord: O, dat nederig en gelovig toegaan is Jezus zo aangenaam. Ga maar zo naar Jezus; hoe kleiner, hoe nederiger gij bij uzelven zijt, hoe groter en dierbaarder Jezus is. Men kan daarop leven en sterven, al gaf God niet meer. Echter was al weer het slot: Ik kan mij niet verzekeren. Haar werd geantwoord: gij moet wel onderscheid maken, gij kunt van uzelven niet ontkennen uw gelovig uitgaan naar de Heere Jezus, daar scheelt het niet aan, en gij moet onderscheiden Gods wederantwoord in de vertroosting aan zo’n tot Hem gaande ziel. Het laatste mist gij. Ja maar, zeide zij, ik vrees mij lebedriegen, enz. Dit en nog meer gesproken zijnde verzocht zij dat voor haar mocht gebeden worden. (Al dit gezegde is bevestigd door hetgeen na haar dood zakelijk met haar eigen hand geschreven is gevonden).

5. Ds. Immens, haar verzoek voldaan en voor haar gebeden hebbende, nam gelegenheid om het gesprokene in stilheid weer op te vatten en te vervolgen: zij was zeer werkzaam, bijzonder als haar het opzettelijk overgeven aan God en de Heere Jezus werd voorgesteld. Zij zei na het gebed: “Dat, al had zij zich nog nooit aan de Heere Jezus overgegeven gelijk zij wel wilde en doen moest, dat de Heere haar getuige was, dat ze nog een welgevallen vond in de weg van God om zondaren zalig te maken en te behouden”. Dit is wat op dinsdag de 12e is voorgevallen. En voorts was zij die gehele dag en nacht zeer stil en sprak zeer weinig.

6. Woensdag de 13e zei ze tot een van haar zusters: “Ik zal zeker sterven en daarom wenste ik nog wel ds. de Freine eens te zien en te spreken, dewijl ik voor hem veel liefde gehad heb.” De vrienden wilden aan haar verzoek voldoen. Zo is zijn eerw. bij haar gekomen, doch alzo de zwakheid van haar lichaam toen zeer groot was en de koorts sterk, zo heeft zij maar weinig tot zijn eerw. gesproken, alleen maar kort verhaald, hoe ze eerst overtuigd was, door wat middel, en hoe God dat achtervolgd had door meer en meer haar lust op te wekken om zich aan God en aan Zijn dienst over te geven, doch dat ze van zichzelf nooit had durven geloven, dat God het genadewerk in haar ziel gelegd had. Doch, zeide ze, ik ben nu niet in staat om veel te spreken.

7. Toen heeft ze omtrent tot de middag toe stil gelegen en toen kwam ds. Immens weer bij haar en vond haar genoegzaam in dezelfde gestalte, doch met nog meer indruk dat ze sterven zou, met veel betuigingen dat ze het op de Heere Jezus en Zijn verdiensten wagen zou op hoop tegen hoop.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 2.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken