Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mijn Wet in uw binnenste 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Mijn Wet in uw binnenste 4.

8 minuten leestijd

In een preek over zondag 37 schrijft ds. Van Sliedregt op blz. 139 vv. o.a. het volgende: Het ijdel gebruik van de Naam des Heeren, dat we bij de overheid in verband met de eedzwering nogal aantreffen, heeft helaas de kerk ook door haar praktijken op haar erf niet weinig in de hand gewerkt. Hoe dan? Wordt er dan ook op het erf van de kerk de eed afgenomen? Ja en neen. Neen, als gedoeld wordt op de eed, zoals we die op het terrein der overheid kennen; ja echter, als het gaat om de zaak, die de eed bedoelt: nl. om trouw en waarheid te bevestigen. De leden der kerk worden immers telkens weer tot het jawoord geroepen; in de openbare belijdenis des geloofs, bij de doop van kinderen, bij de bevestiging in het ambt, enz. Dit is ook eedaflegging, al ontbreekt de vorm van eedzwering, zoals die op het erf van de overheid is. U moet echter verstaan: het ontbreken van die vorm van de eed is geen gebrek. Neen, zoals reeds gezegd, kan en mag op het erf der kerk de eed niet voorkomen. We hebben erop gewezen, dat de eed er is om der zonden wil. Hij dient als een teugel voor de boosheid en om de leugenachtigheid in te tomen. In het paradijs was de eed niet, omdat de mens niet behoefde getrokken te worden voor zijn bewustzijn in de directe tegenwoordigheid van de Majesteit Gods, want hij leefde bewust voortdurend daarin. Zijn ganse leven was eedsleven, hebben we gezegd, in getuigenis van waarheid en oprechtheid, in hart en woord en daad.

Zo zal er ook in het Rijk der heerlijkheid geen plaats voor de eed zijn, daar ook dan de leugen zal verdaan zijn, en waarheid en gerechtigheid heerschappij zullen hebben. Maar in de kerk is in beginsel het Godsrijk reeds aanwezig, in de heerschappij van Christus door Zijn Geest en Woord in de harten der gelovigen. En van daaruit is het te verstaan, dat ook op het erf der kerk voor de eed geen plaats is. Op het heilig erf der kerk wordt immers altoos in de tegenwoordigheid des Heeren gesproken, en daarom moet elke verzekering met de eed gelijk gesteld worden. Daarom is b.v. de modernisteneed in de roomse Kerk (sinds 1910) iets, dat volkomen strijdt tegen het karakter der wet. Hier kan dus nooit sprake zijn van exceptionele eedzwering, om de eenvoudige reden, dat het gehele christenleven in het huisgezin Gods eedsleven is, een leven in de directe tegenwoordigheid Gods. En dat moet alle leden der kerk helder voor ogen staan en hun altijd weer bijgebracht worden. Het ja-woord bij belijdenis en Doop moet dus volkomen gelijkgesteld worden met de eedzwering voor de rechter.

Nu is het wel te begrijpen, dat het ook de taak der kerk is, om dit ja-woord niet openlijk tot een bespotting te laten worden, door b.v. gelaten toe te zien, dat zij het ja-woord uitspreken bij belijdenis en Doop, die in hun leven dagelijks het tegendeel bewijzen. En waar dat helaas, vooral in de laatste twee eeuwen is geschied, is het geen wonder, dat de gewetens, en dit ook door toedoen van degenen, die voorstanders der gemeente moesten zijn, geheel zijn afgestompt en dat men het ja-woord prevelt en tegelijk het “neen” uitleeft. Door de houding van de Hervormde Kerk in het algemeen ten aanzien van de Doop (maar dopen, wat in het doophuis komt), heeft zij zelf schuld eraan, dat de Naam des Heeren op haar erf ijdel gebruikt wordt. En is het dan wonder, dat dit kwaad ook op het terrein der overheid zich uit-breidt? Zo de moeder de kinderen kweekt, zo leven ze later hun praktijken uit op andere gebieden.

Er moet dan ook in de kerk des Heeren oefening zijn van opzicht en tucht, opdat erover gewaakt wordt, dat geen valse eden worden afgelegd. Op dit punt heeft de kerkeraad een zeer ernstige taak; en daarom houdt hij ook zij n doopzittingen, waar eerst met de ouders, die met hun kind zullen ten doop staan, gesproken wordt, terwijl daarna, zo nodig, ook thuis nog met hen gehandeld wordt.

Alles, opdat verstaan wordt, dat eerlijkheid en oprechtheid dient betracht te worden en dus niet de ouders tot het ja-woord kunnen worden toegelaten, indien zij niet bewijzen in hun gedrag daar ernst mee te maken. Indien de kerkeraad in deze zijn moeilijke taak zoekt te vervullen, dan doet hij dat dus niet uit motieven, die hij zelf zoekt, maar vanwege de nood, hem van Godswege opgelegd. Indien hij dat niet zou doen, zal hij ontrouw zijn aan zijn opdracht, zal hij ertoe meegewerkt hebben, dat de gewetens worden afgestompt en onvatbaar worden voor elke vermaning, die toch niet ernstig genomen wordt, en zo schuldig staan en het bloed dergenen, die verloren gaan, op zijn geweten hebben. Daarom moet hij, in heilige ernst, zij het met teerheid, erop staan, dat de leden der gemeente, die het ja-woord zullen uitspreken, ook in hun kerkelijk gedrag bewijzen dit ja-woord waar te maken.

Ach, dat toch allen op het erf der kerk mochten beseffen, dat het ja-woord bij belijdenis en Doop gelijk is aan het afleggen van een eed voor het aangezicht Gods, in Zijn directe tegenwoordigheid, bij de aanwezigheid van Zijn geduchte majesteit.

Dat ja-woord staat zo hoog bij God de Heere aangeschreven. We mogen daaruit wel besluiten, hoe ontzettend het is, met dat jawoord te spelen. We denken hier aan allen, die belijdenis gedaan hebben. Het is een Amen zeggen op de vloek en de zegen des Verbonds geweest. Leven we uitwendig, maar ook inwendig met deze zaak op het hart? O, indien dit ja-woord toch eenmaal veroordelen moet, omdat we geen acht op de getuigenissen van Gods genade hebben geslagen!

En nog erger klemt dit bij de Doop. Wat lopen de ouders maar toe, zonder een ogenblik erbij stil te staan. In het ja-woord betuigt u toch in tegenwoordiheid Gods, dat de enige hoop voor uw kind het bloed van Christus is, dat u het daarop zult wijzen, dat u alles zult doen om het daarmee in kennis te brengen, dat u het voor zult gaan in het zoeken van de dingen van het Koninkrijk Gods. En hier kan nooit enige verontschuldiging op haar plaats zijn, omdat u in dat ja-woord ook bevestigt, dat er bij God ontferming is en een horen van degenen, die tot Hem roepen. Ja, u bevestigt ook, dat God schrikkelijk toornt over het moedwillig schenden van Zijn Verbond. O, houd toch de Heere uw eden. Zo alleen zult u uzelf en uw kinderen ten zegen mogen zijn. Schik u daarom gewillig onder opzicht en tucht van de kerkeraad, want deze zijn niet bedoeld om te heersen over u, maar om u te dienen tot uw eeuwig welzijn. (....)

We eindigen met erop te wijzen, dat de eed ons er wel bij bepaalt, in welke door de zonde verscheurde wereld wij leven. In deze wereld is echter geopenbaard en verschenen de Warheid, nl. Christus, de Amen, in Wie de eden Gods bevestigd zijn en vervuld. Hij is de Waarheid. Geen bedrog is in Zijn hart ooit geweest. Buiten Hem zijn we in de leugen verstrikt en aan de leugen overgeleverd. Daarom zal ook niemand in de diepste zin de waarheid betrachten, indien hij buiten Hem is. Alleen door het geloof in Hem zal er waarheid en trouw zijn in ons hart. Dan leven wij uit de Waarheid, in de Waarheid, door de Waarheid. Alleen zó zal de oprechte oprecht zijn en zal zijn ja, ja zijn en zijn neen, neen, en zal hij de eed heiligen, terwijl hij met smart weet leugenachtig van zichzelf te zijn.

Hebt u het erkend en ondervonden in de leugen jammerlijk verstrikt te liggen? Wie zal voor God rechtvaardig zijn in het heiligen van des Heeren Naam, in zijn eden en beloften? “Heere, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg Uwer heiligheid?” O, degene, die het om waarheid is te doen weet, hoe verslagen hij hier neerzonk, aan de voet van deze berg, buiten de tent.... totdat hij oog ontving voor Hem, in Wie gevonden wordt: “Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt”, enz., en ook vernam: “Al het Mijne is het uwe”.

Zo haalt de onvruchtbare midden in de winter de oogst binnen en mag wandelen door de Geest van die dierbare Christus in de Waarheid en mag waar en trouw zijn, ook in zijn eden. Van hem geldt: “Die deze dingen doet. zal niet wankelen in eeuwigheid” (Ps. 15).

Hier eindigt de preek over de eed en begint ds. Van Sliedregt met preken over het vierde gebod: Laat ons de rustdag wijden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Mijn Wet in uw binnenste 4.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken