Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Laus Deo 65.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Laus Deo 65.

4 minuten leestijd

Door een zondvloed overstroomd

Calvijn legt er de nadruk op dat de erfzonde een verdorvenheid is van onze gehéle natuur. Sinds Adam van de Bron der gerechtigheid d.i. God Zelf is afgeweken, heeft de zonde álle delen van de ziel in bezit genomen. Hij gebruikt hier een beeld uit de oorlogsvoering:

“Schandelijke goddeloosheid heeft de burcht van zijn ziel bezet en de hoogmoed is tot in het binnenste van zijn hart doorgedrongen”.

Calvijn is ervan op de hoogte dat sommigen, zoals Augustinus en de hierna nog te noemen Franse bisschop Petrus Lombardus, de erfzonde beperkt hebben tot de begéérlijkheid. Augustinus schreef eens een boekje “over het huwelijk en de begeerlijkheid”.

Onder begeerlijkheid in de breedste zin van het woord verstaat hij dan: “de wet der zonde in ons zondige vlees”.

Calvijn heeft er geen moeite mee dat de erfzonde met het woordje begeerlijkheid (latijn: concupiscentia) omschreven wordt.

Maar, zegt hij, er moet dan wel aan toegevoegd worden “dat al wat in de mens is, van het verstand af tot de wil toe, van de ziel af tot het vlees toe, met deze begeerlijkheid besmet en vervuld is; of om het korter samen te vatten:

Dat de begeerlijkheid dus verstand en wil en al onze zinnen doortrokken heeft, willen velen niet toegeven.

Zij beperken de verdorvenheid die in de mens regeert tot de zinnelijke bewegingen. Zoals bijvoorbeeld de geslachtsdrift.

Calvijn kent er zelfs die deze begeerlijkheid “aanmaakhout” noemen die de zinnelijkheid in de mens als het ware aansteekt.

Daarmee wordt dan ook gezegd dat de begeerlijkheid geen invloed zou hebben op de hogere vermogens in de mens zoals het verstand en de wil.

Dat constateert Calvijn ook bij de in de latere middeleeuwen zo invloedrijke Parijse bisschop en hoogleraar Petrus Lombardus. Hij leefde in de twaalfde eeuw.

Het dogmatische handboek dat hij schreef, de Sententiarum Libri IV, was tot in de tijd van Calvijn één van de meest gezaghebbende leerboeken op de universiteiten.

In zijn gedachten over de zondeval stelt Lombardus dat de zetel van de menselijke verdorvenheid gezocht moet worden in wat hij noemt het vlees en niet in de gehele natuur.

Onder het vlees verstaat Lombardus blijkbaar alleen “de ongeregelde bewegingen der begéérten” en niet het menselijke verstand dat toch ook, zegt Calvijn, aan blindheid en het hart dat toch ook aan slechtheid onderworpen is.

Calvijn wil dus niet weten van een gedeeltelijke verdorvenheid die slechts in de lagere menselijke lusten zou zijn gelegen. Ons gehéle bestaan is verdorven.

Hij gebruikt ter verduidelijking hiervan het beeld van de zondvloed: “Hier heb ik slechts in het kort willen aanroeren dat de gehéle mens als door een zondvloed van het hoofd tot de voeten zo overstroomd is dat geen enkel deel vrij is van de zonde; en dat daarom al wat van hem voortkomt tot zonde gerekend wordt”.

Al wat uit de mens voortkomt is vijandschap tegen God. Of het nu gaat om zijn verstand, zijn wil of zijn lagere zinnelijke lusten.

Ter bevestiging van deze opvatting verwijst Calvijn allereerst naar Romeinen 3.

Daarin hebben wij een uitvoerige beschrijving van de erfzonde. Van ons hoofd tot aan de voeten zijn wij aan de zonde onderworpen. Niet alleen wat onze grove lusten betreft maar aangaande ons gehele bestaan.

Als Paulus vervolgens in Efeze 4schrijft over de Geestelijke vernieuwing van ons gemoed, dan bedoelt hij de “volle hervorming” van alle delen van de ziel.

De apostel schrijft dat wij vernieuwd moeten worden ’in de geest des gemoeds’ en de nieuwe mens aandoen.

Dat omvat veel meer dan dat alleen de grove lusten in ons leven teniet gedaan moeten worden.

Nee, dan gaat het om de gehéle mens: ook zijn verduisterde verstand en zijn verdorven wil.

Vernieuwd worden, schrijft de apostel Paulus.

Het is een heel diepe gedachte als Calvijn naar aanleiding van dit woord “vernieuwd” opmerkt dat ook het hoogste deel van onze ziel, hier “de geest des gemoeds” genoemd, niet alleen gewónd is, maar zó verdorven dat het niet alleen nodig heeft genézen te worden, maar als het ware een nieuwe natuur moet aantrekken. De radicale verdorvenheid vereist een radicale vernieuwing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 mei 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 65.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 mei 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken