Bekijk het origineel

De droefheid naar God 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De droefheid naar God 3.

12 minuten leestijd

In een vorig artikel zijn we begonnen met de bespreking van een aantal karakteristieke kenmerken van de droefheid naar God. We hebben allereerst gezien dat deze droefheid beantwoordt aan Gods bedoeling, vervolgens benadrukten we hoe de zonde hier erkend en beleden wordt als zonde tegen God en tenslotte is ons opgevallen dat zij vooral een droefheid van het hart is. Dit keer willen we nader stilstaan bij een drietal andere kenmerken.

Geen verbittering.

In de droefheid naar God is geen verbittering te vinden. Als Paulus in 2 Corinthe 7 : 10 over deze droefheid spreekt zegt hij onder meer dat het gevolg daarvan is een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Daarmee wil hij zeker zeggen dat we van de bekering nooit spijt zullen krijgen. Maar er ligt in deze uitkering nóg een gedachte opgesloten: De bekering — en de droefheid naar God die daarmee verbonden is — kan niet gekarakteriseerd worden door woorden als spijt en bitterheid. Hoe dat komt? Een vorige keer hebben we gezien dat de droefheid naar God opkomt uit een verbroken hart. En wanneer ons hart verbroken wordt dan krijgt ons verzet tegen God en de verbittering die daaruit voortvloeit de doodsteek. Dat gebeurt omdat de liefde van God ons hart heeft aangeraakt. Onder de stralen van die liefde smelten alle brokken van vijandschap tegen God in ons binnenste weg. We gaan inzien dat wij van Hem zijn afgevallen en tegen Hem gezondigd hebben. Daarvoor kunnen we geen enkele verontschuldiging aanvoeren; We willen het ook niet meer, want we beseffen dat de Heere goed en recht is en wij dwaas en slecht! Als onze ogen voor deze dingen opengaan, leren we de hand op de mond leggen en ootmoedig buigen voor wat Hij doet.

Van deze ootmoedige overgave zijn heel wat voorbeelden in de Bijbel te vinden. Allereerst denk ik aan de openingswoorden van Psalm 130: “Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat; Heere, wie zal bestaan? In heftige ontroering roept de dichter van deze psalm vanuit de diepten tot God. “In dit woord ’diepten’ weerspiegelt zich zijn felle angst, zijn smartelijk gevoel dat hij van God gescheiden is door het allervreselijkste dat bestaat in eens mensen leven: de zonde” (Dr. Joh. de Groot). Terwijl hij onder die last gebukt gaat is er in zijn hart één schreeuw tot God. Toch heeft zijn gebed niets dwingends; Er is geen wrevel of bitterheid in te vinden. De dichter van deze psalm lijkt daarin sprekend op de tollenaar uit de gelijkenis die van verre stond en zijn ogen niet durfde opheffen naar de hemel en zó bad: O God, wees mij zondaar genadig! (Vgl. Lukas 18 : 13). Als we zo in ootmoed leren buigen kan de Heere ons geen kwaad meer doen: Zelfs al zouden we op onze gebeden een afwijzend antwoord ontvangen, is er nog geen reden voor verzet of opstand. Dan is het toch goed en recht wat de Heere doet. We vinden van deze gesteldheid van het hart iets terug in de altijd weer ontroerende geschiedenis van de kananese vrouw. Als de Heere Jezus zich teruggetrokken heeft in de streek ten noorden van Galilea, het gebied van Tyrus en Sidon, komt ze tot Hem. Ze heeft een dochter die gruwelijk lijdt omdat ze van de duivel is bezeten. Overstelpt door verdriet roept ze dringend — maar toch ook eerbiedig — of de Heere zich over haar en haar dochter wil ontfermen. Er komt echter geen antwoord: Het lijkt alsof de Heere Jezus haar niet eens gehoord heeft! Al zal dit haar zeker ontmoedigd hebben, toch keert ze zich niet wrevelig van de Heere af. Ze overlaadt Hem ook niet met verwijten. Het enige dat we lezen is dat ze blijft roepen, blijkbaar met dezelfde eerbiedige woorden en, naar we mogen aannemen, met steeds meer aandrang.

Tenslotte is er nog maar één schreeuw over: Heere, help me! Bij het horen van die woorden opent Hij Zijn lippen, maar wat Hij zegt valt zo tegen! Want nu wijst Hij haar verzoek ronduit af als Hij zegt: “Het is niet betamelijk het brood der kinderkens te nemen en aan de hondekens voor te werpen” (Matth. 15 : 26). Daarmee onderstreept de Heere de woorden die Hij eerder sprak, namelijk dat Hij alleen gekomen was voor de kinderen,” de verloren schapen van het huis Israël”, en niet voor de “hondekens”, de heidenen. Opnieuw komt deze vrouw niet in opstand, maar ze erkent — zonder verbittering — haar onwaardigheid: “Ja Heere, ik ontken niet dat ik bij de “hondekens” hoor, maar die eten toch ook van de kruimels die bij de maaltijd van de tafel vallen?” (Vgl. Matth. 15 : 21-28).

We moeten nog één kanttekening maken bij de stelling dat in de droefheid naar God geen verbittering te vinden is. Dit betekent namelijk niet, dat iemand wiens hart verbroken is, dus onmogelijk met allerlei bittere raadsels en vragen kan rondlopen. Het tegendeel is waar! Wie iets beleeft van de droefheid naar God, loopt met zichzelf vast. Hij erkent zijn zonde en schuld. Hij beseft ook maar al te goed hoe koud en ongevoelig zijn hart eigenlijk is. Hij ziet hoeveel wrevel en bitterheid er woont in zijn binnenste. Daar tobt hij over en daar heeft hij het moeilijk mee. En toch.... kan hij in dat verdriet over die zonde geen harde gedachten hebben over de Heere! Dát bedoelen we eigenlijk als we zeggen: In de droefheid naar God is geen verbittering te vinden.

Ik laat U niet los...

Nauw verbonden met het voorgaande aspect is het feit dat deze droefheid God niet kan loslaten. Er is al op gewezen dat de uitdrukking “de droefheid naar God” allereerst betekent “een droefheid die naar Gods wil is”. Toch wil ze zeker ook zeggen dat deze droefheid zich op God richt. Eigenlijk is dat iets heel wonderlijks. Als ons hart verbroken is, beseffen we namelijk dat we tegen God gezondigd hebben. Daardoor is er een diepe afgrond gekomen tussen Hem en ons. De Heere heeft zich van ons afgekeerd... en toch kunnen we Hem niet meer loslaten!

Waarom dat zo is, kunnen we meestal niet goed uitleggen. Dit is echter zeker: Al hebben we de Heere vertoornd en bedroefd door onze zonden; al is zelfs het minste teken van Gods genade verzondigd, tóch worden we naar Hem toegedreven en roepen we om Zijn genade! Er wordt in de droefheid naar God dan ook iets van de diep-gevoelde drang zichtbaar waarmee een man als Jacob worstelde met God: “Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent!” (Gen. 32 : 26). We zouden ook kunnen zeggen dat hier iets doorleefd wordt van het “nochtans” van Job. De laatste zegt in zijn bange worsteling tot zijn vrienden: “Zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?” (Job 13 : 15). Vaak wordt in dit verband — terecht — de uitdrukking gebruikt dat wie zo de Heere zoekt met een verbroken hart, Hem wel moet vrijlaten, maar niet kan loslaten!

Dit samengaan van ootmoedig buigen en vrijmoedig pleiten komen we telkens weer in de Bijbel tegen. Wat daarbij altijd weer opvalt is dat degenen van wie dit in de Schrift gezegd wordt, heel klein denken van zichzelf en hoge gedachten hebben van de Heere. We vinden dit terug in een groot aantal psalmen en ook in verscheidene oud-testamentische gebeden die we buiten het psalmboek aantreffen. Daarnaast kunnen we denken aan verschillende ontmoetingen van de Heere Jezus toen Hij door het land reisde. Een fraai voorbeeld is de genezing van de knecht — eigenlijk staat er: de slaaf — van de romeinse centurio in Kapernaüm. De knecht van deze man — onder ons bekend als “de hoofdman over honderd” — was ernstig ziek. Blijkbaar was deze hoofdman bijzonder op zijn slaaf gesteld. Daarom zond hij enige oudsten uit de Joden naar de Heere Jezus om Hem te verzoeken zijn zieke slaaf te genezen. Toen de Meester in de buurt van zijn huis kwam stuurde de centurio enkele vrienden naar buiten die moesten zeggen: “Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht, om tot U te komen”. U ziet op wat voor een aangrijpende wijze hij belijdt dat hij de hulp en de genade van de Heere Jezus onwaardig is. Tegelijk horen we ook hoe hoog hij denkt van Zijn macht en Zijn gunst. Hij zegt: “Zeg slechts een woord en mijn knecht zal genezen worden!” Daarmee belijdt hij dat de Meester bij machte is om door één enkel woord zijn slaaf van de dood te redden. Hij kent aan de Heere goddelijke kracht, luister en genade toe. Daarom durft hij, ondanks zijn onwaardigheid, dringend en vrijmoedig te pleiten. We horen het hem als het ware zeggen: “Heere, spreek slechts een woord!.... U bent toch de machtige Verlosser?.... Doe het om de eer van Uw naam!”

Het is bijzonder opvallend dat de Heere Jezus als reactie op deze woorden tot de schare die Hem volgt zegt: “Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël nietge-vonden” (Lukas 7 : 9). In de ogen van de Heere zelf is er dus bij deze hoofdman over honderd sprake van het “nochtans”van het geloof! Het zijn vooral de engelse puriteinse schrijvers geweest die benadrukt hebben, dat de echte droefheid naar God verbonden is met het geloof. Nu is het waar dat iemand wiens hart gebroken wordt en die zijn onwaardigheid vóór zich ziet, bij zichzelf geen geloof zal kunnen ontdekken. Tóch wordt hij naar de troon der genade gedreven... ootmoedig pleitend om genade. Waarom? Wel, zoals al aangestipt werd, dat kan hijzelf meestal niet uitleggen. Eén ding is echter wel duidelijk: Hij kan die troon niet loslaten! Vaak wordt later het geheim opgelost, als de Heere zelf laat zien dat daar nu de eerste ritselingen lagen van het toevluchtnemend geloof dat naar Hem uitging. Daarom is er in de droefheid naar God ook iets van de kracht van het “nochtans” van het geloof. Laten we nog een keer luisteren naar de diepe geestelijke wijsheid van Thomas Watson. Hij zegt dat de geestelijke droefheid samengaat met geloof, zoals een schitterende regenboog verschijnen kan tegen de achtergrond van waterige wolken. Dan vervolgt hij: “Die droefheid is niet goed die het oog van het geloof verblindt. Als de morgenstond van het geloof niet gloort in de ziel, is het geen droefheid die vernedert, maar een die wanhopig maakt”.

Scheiding.

De droefheid naar God verbindt niet alleen aan God, zij brengt ook scheiding met de zonde. Paulus zegt in 2 Cor. 7 : 10, dat deze droefheid een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Daarmee wordt duidelijk onderstreept dat er een onlosmakelijk verband is tussen de droefheid over de zonde en de bekering. Op deze onderlinge verbondenheid wijst ook de Heidelberger Catechismus in Zondag 33 — de Zondag die aan de bekering gewijd is. Zoals bekend wordt daar benadrukt dat de ware bekering twee zijden heeft: De afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. De afsterving van de oude mens wordt dan als volgt omschreven: “Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden”(Zond. 33 H.C. vr.89). De drie kernwoorden in deze geladen zin zijn: leedwezen, haten en vlieden. Deze woorden zijn onderling verbonden. Ze zeggen dat het verdriet over de zonde een innerlijke afkeer van de zonde met zich meebrengt en dat dat ook zichtbaar zal worden in een breken met en een vluchten van de zonde!

Het is goed om vanuit Schrift en belijdenis aan deze dingen herinnerd te worden. We benadrukken vaak dat echt geestelijk leven een zaak van het hart is. Dat is het zeker ook in de allereerste plaats. Maar als het goed is blijft het niet in ons binnenste verborgen: Het komt ook naar buiten in het leven van alle dag. Echte droefheid over de zonde is dan ook niet iets dat beperkt blijft tot de verborgen roerselen van ons hart. Het treedt aan het licht doordat we onze schuld gaan belijden, ons afkeren van de paden van de zonde en zoeken te wandelen in de wegen van de Heere. We moeten zelfs zeggen dat het echt geestelijk karakter van de droefheid naar God blijkt in het zich afwenden van en vluchten voor de zonde. Terecht waarschuwt Prof. Wisse dat we onszelf kunnen bedriegen “door te menen: Ik heb wat gemoedsaandoeningen, enige tranen, enz.; Het is nu wel in orde! Maar als dan inmiddels handel en wandel dezelfde blijven, dan is het ook niet wel van binnen. Aan de vruchten zal de boom gekend moeten worden!” En zoals een boom die geen vruchten voortbrengt dood of ziek is, zo leeft die droefheid over de zonde niet echt die niet naar buiten komt in de bekering.

Kort en krachtig wordt dit principe onder woorden gebracht door Augustinus als hij schrijft: “Hij betreurt oprecht de zonden die hij gedaan heeft die nooit (meer) de zonden doet die hij betreurd heeft”. We kunnen het ook zó zeggen: De zonde maakt scheiding tussen God en ons hart. De droefheid naar God maakt scheiding tussen ons hart en de zonde.

(wordt vervolgd)

Middelharnis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 mei 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De droefheid naar God 3.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 mei 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken