Bekijk het origineel

Mijn Wet in uw binnenste 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Mijn Wet in uw binnenste 6.

10 minuten leestijd

In zijn laatste preek over het 5e gebod schrijft Ds. Van Sliedregt in zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus, uitgegeven door Den Hertog te Houten o.a. het volgende (zie blz. 213vv):

Van nature willen we vanwege natuurlijke ouderliefde onze kinderen wel het beste geven, doch in verdraaidheid des harten geven we in dat “beste” het slechtste. We zoeken slechts tijdelijk goed en kweken eerzucht aan, enz. Maar de Geest van Christus doet ons het eeuwig heil van onze kinderen in het oog vatten. En daarbij is een gulheid in het ouderhart, dat gaarne geeft. Dat alles wordt weer gedragen door gebedsleven. In de Heere wordt door de godvrezende ouder in het verborgene verkeerd met de eeuwige noden van onze kinderen. Job offerde voor zijn kinderen, naar hunlieder getal(Job 1).

Niet, dat de tijdelijke noden veracht worden. Maar de eeuwige nood is nummer één. O, de kinderen kunnen nimmer genoeg het voorrecht beseffen ouders te hebben, die in Christus voor hen een toegang kennen tot de troon. Zulke ouders zullen echter menigmaal de schijn van strengheid hebben, en het gevaar lopen voor hardvochtig te worden aangezien. Echter, de liefde van Christus dringt hen, want zij willen hun kinderen eeuwig gelukkig zien. En vanuit dat eeuwig heil bezien ze alles.

En nu komt de verzoeking wel telkens om de kinderen maar toe te geven naar hun lust te gaan, doch gelukkig als dan het liefdesdoen van onze God in Christus voor de geest moge staan, want dan weten we weer, dat de Heere onze wensen tegenstaat, als ze niet stroken met ons eeuwig welzijn. Zo maakt ons de Geest van Christus standvastig, terwijl we onze zwakheden en verkeerdheden betreuren. Ook verstaan we dan, dat we gezagsdragers zijn en onze kinderen hebben te leren ons te gehoorzamen, doch niet als aan een tiran, maar aan liefhebbende ouders. Om Gods wil, Wie te gehoorzamen het leven is, en niet omwille van onszelf. Ach, wat doen we hier tekorten op!

Mogen we in de kennis van Christus in het licht wandelen, dan brengt dat licht in onze kinderhouding ook iets geheel nieuws. De eenvoudige gehoorzaamheid, die we in Christus volkomen vinden, gaat ons zwaar wegen en wordt de bron van onze gehoorzaamheid door Zijn Geest. Niet in oudwijfse en fleemachtige zin, maar in frisse liefde, gelijk bij Jozef. De achting en eerbied in ons spreken over onze ouders typeren de oprechte vreze Gods. In het verborgene wordt droefheid gekend over onze struikelingen, ook al kwamen ze misschien niet eens openbaar.

O, wat behoeven we dan dicht te verkeren bij de fontein der verzoening. Ootmoedig buigen onder de gebreken en zwakheden van onze ouders en er niet over praten dan met de Heere, leggen getuigenis af van de wandel in Christus. Ook de liefdevolle zorg omtrent onze ouders in hun oude dag. Het beeld van onze dierbare Immanuël, op het kruis geheel toegekeerd tot Zijn moeder, gelijk blijkt uit Zijn woord: “Vrouw, zie uw zoon.” En tot Zijn discipel: “Zie uw moeder“, staat onuitwisbaar gegrift in de harten van hen, die des Heeren zijn. De Geest van Christus dringt ons om met verloochening van eigenbelang hun welzijn te zoeken voor tijd en eeuwigheid. Welgelukzalig zij hij en zij, die de Heilige Geest niet bedroeven, door Welke zij verzegeld zijn tot de dag der verlossing (Ef. 4 : 30).

De Geest van Christus legt ook de glans der godzaligheid op onze verhouding tot onze kinderen. Zij zijn Gods schepsels en behoren niet allereerst ons, maar God toe. Hun ziel is voor een eeuwigheid geschapen en wij dragen mede verantwoordelijkheid voor hen.

Daarom zal de vreze Gods ons tot een eerlijke wandel nopen, ook al opdat het kwade voorbeeld voor ons personeel niet tot een valstrik zou worden. Wij zullen niet wat vrome praat uiten ten aanzien van hun ziel en hen naar het lichaam gebruken tot winstbejag, maar ook met mildheid hen bejegenen en in de zegeningen, die we in ons bedrijf ontvangen, doen delen.

Hoe was onze gezegende Heere bezorgd over het lichamelijke welzijn der scharen, waarom Hij tot hun onderhoud de broden vermenigvuldigde (Matth. 14, 15). De patroon, beheerst door de Geest van Christus, zal enerzijds rechtvaardigheid ten toon spreiden, door gehoorzaamheid en trouwe ijver te verlangen, en ook de ontrouw en luiheid met gepaste middelen in eerlijkheid te laken. Doch anderzijds zal hij betonen: mildheid, vriendelijkheid, lankmoedigheid, meeleven en zorg voor tijdelijk en eeuwig welzijn. Hij zal niet zwijgen over de dienst des Heeren en de eis der ware zondagsheiliging, uit vrees, dat hij zijn knecht kwijtraakt, enz.

(....)

Wordt de ware godvrezende geroepen tot een overheidsambt, dan zal hem dat geen ere baantje zijn, maar hem des te dieper vernederen, en in steile afhankelijkheid brengen in besef van zijn onbekwaamheid. Tegelijk zal het eeuwig en geestelijk heil van het volk hem zwaar wegen, en zal hij zoeken dat allereerst te bevorderen. Daarom zal hij zeer achten des Heeren Wet. Welk een voorbeeld hiervan vinden we in de koningen Hiskia en Josia, die beide de zuivere dienst des Heeren weer herstelden, en het volk terugriepen tot God. Hoe vervulde ook Jojada heerlijk zijn ambt, hoewel hij de goddeloze vorstin Athalia misleidde, nl. door Joas zeven jaar voor haar te verbergen. Zie, niet maar een drijven op de staatskassen, maar zijn leven in de waagschaal stellen tot heil van zijn volk; geestelijk heil (2 Kor. 11).

Als vanzelf rijst voor ons ook op de gestalte van de godvrezende keurvorst van de Paltz, Frederik de Vrome, die allereerst erom bekommerd was, dat het volk in de waarheid zou onderwezen worden, en zo de stoot gaf tot het ontstaan van onze Catechismus. Zeker, de verhoudingen lagen toen anders dan nu, en deze eeuw van atheïsme en bijgeloof heeft gewijzigde omstandigheden, maar dat neemt toch niet weg, dat de ware christen-magistraat zich hierop allereerst richt, en daarover worstelingen kent aan de troon.

Als burger en onderdaan neemt Gods kind ook alweer een eenzame plaats in. De Geest van Christus doet de zonden van overheid en vorstenhuis niet luid van de daken bazuinen, maar wel gedragen worden aan de troon der genade. Die zich Christus eigen mogen weten, hebben zich gedurig hun Immanuël voor te stellen, Die Zich als onderdaan onderwierp aan het keizerlijk gezag. Wet en belasting ontduiken is hem een gruwel, ook al overschrijden de bemoeiingen van de overheid de grenzen der billijkheid.

Bovendien is hij (en hij voelt, dat hij dagelijks daarin door Gods Geest moet worden geoefend) traag om bepaalde daden en gedragslijnen van de overheid te veroordelen, waar hij eerlijk begeert te zijn en de grenzen van zijn kennen maar al te zeer beseft. Dat de overheid Gods dienares is ligt hem teer. Op godvrezende wijze zal hij zoeken, dat zij ook dat waarlijk moge beoefenen, maar tegelijk draagt hij haar mee in het gebed. Hij dwingt zich dagelijks om zijn God achter haar te zien, en om te beseffen, dat de Heere niet zonder reden thans deze overheid geeft. (....)

Blikken we tenslotte nog rond op het erf der kerk, waar het koningschap van Christus door Zijn Woord en Geest geoefend wordt, dan staat daar de godzalige ambtsdrager, predikant, ouderling of diaken verlegen. Onze bekwaamheid is niet uit ons; deze les moet hij wat overlezen. O, telkens weer komt hij zijn eigenliefde tegen, zijn gebrek aan geduld, geloof. Hij merkt, dat hij telkens weer zichzelf er niet voor over heeft, dat hij toornt, waar lijdzaamheid hem paste; dat hij draalt en verdraagt, war heilige verontwaardiging hem moest aangrijpen.

Dit alles brengt hem dagelijks in de nood aan de troon der genade, en doet hem verzoening zoeken in Zijn Middelaarsbloed en roepen om Zijn Geest, opdat hij de voetstappen van Zijn Meester mag drukken. Hij behoeft Immanuëls wijsheid om eerlijk de zielen te behandelen, de schapen van de bokken te onderkennen, de lammeren niet een dodelijke wonde toe te brengen, doch nochtans ze te ontdekken aan hun dwaasheden. O, mocht hij zielen tot Jezus brengen, maar ook de onboetvaardigen immer gepast weerstaan. Sions hoogste Profeet moet door hem heen getuigen; Sions opperste Herder door hem weiden; Sions enige Hogepriester door hem in liefde dienen en voeten wassen; Sions eeuwige Koning door hem regeren.

Dat kan alleen in gemeenschapsoefening met Hem, doordat in Zijn Geest Christus in hem verschijnt en door hem naar alle kanten naar buiten straalt. Maar dan ook zal hij, zijn ontrouw kennend en belijdend, getrouw zijn en velen mogen rechtvaardigen, parels hechten aan de kroon van zijn Middelaar en Gods kinderen tot steun, leiding en vertroosting zijn tot opbouw van het lichaam van Christus. En eenmaal, als de Opperste Herder verschenen is, het loon van de getrouwe dienaar ontvangen en ingaan in de vreugde zijns Heeren.

De godzalige houding van het lid der gemeente wordt gevonden in deemoed en begeerte om onderwezen en gevoed te worden. Die van Christus is en uit Hem leeft, begeert geen ereplaats in de kerk (zoals we wel eens meemaakten, nl. dat zij als gefundeerde christenen vooraan kwamen te zitten), maar zit onder het volk, zich als de minste kennend. Zo één matigt zich niet een oordeel aan over de leraar, aangaande zijn staat, enz.; keert hem ook niet de rug toe, omdat hij geestelijk niet zo diep is ingeleid, maar ziet op zijn Heere, Die nederzat aan de voeten van de joodse leraars, hen horende en ondervragende (Luk. 2). En we weten toch, dat dat geen begenadigde leraars waren. Die gestalte brengt zijn Geest in ons hart, indien we van Christus zijn.

O, daar eren we de ambtsdragers omwille van het ambt, al mogen we misschien dieper verstaan dan zij. We zien onze grote Ambtsdrager in hen tot ons komen. Wij dragen ze mee met hun gebreken in ons gebed en hebben ze als Hemelvaartsgeschenk van onze dierbare Koning bij ons, ons ten goede. En arm en behoeftig bedelen we aan de troon om voedsel door Zijn Woord en Geest, door middel van hen. Want dit weten we, dat, wanneer Hij Zijn priesters met heil bekleedt, Zijn gunstvolk weltevreê zal juichen (Psalm 132).

Deze godzalige houding kweekt in onze omgeving eerbied en achting aan voor de ambten en ambtsdragers. Ach, hoe weinig wordt dat helaas verstaan en beoefend. Vandaar de magerheid, die zich uitbreidt over Sion. Er is geen gebed, er is geen achting. En veelal geeft geestelijke hoogmoed de toon aan. Dan echter komen er allerlei geestelijke afdwalingen. Niet straffeloos wordt des Heeren wet verlaten.

Ach, kinderen des Heeren, laat ons aan de voeten van Jezus bedelen om in Zijn Geest lid der gemeente Gods te dezer plaatse te mogen zijn, door zo in het vijfde gebod te wandelen!

We willen hiermee onze artikelen, waarin we gedeelten overnamen van preken van Ds. J. van Sliedregt over de Heidelbergse Catechismus, afsluiten. Er zou veel meer aan te halen zijn, maar wat we overnamen is voldoende om belangstelling voor het werk van deze gezalfde dienaar des Woords, die nu al juicht voor de troon, op te wekken.

De verklaring van de Catechismus van Ds. Van Sliedregt verschijnt onder de titel Uw enige troost in 6 delen: 1. Adam en Christus, 2. Vaderschap en kindschap, 3. De Bazuin zal klinken, 4. Waartekenen en zegelen, 5. Mijn Wet in uw binnenste en 6. Het gebed als ademtocht. Elk deel kost gebonden ƒ 39,50. Het werk is uitgegeven door Den Hertog b.v., postbus 150, 3990 DD Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Mijn Wet in uw binnenste 6.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken