Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor de Jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de Jeugd

Nehemia 79

9 minuten leestijd

En Ezra opende het boek voor de ogen des volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende stond al het volk.

Beste jongelui!

Wa gaan weer naar de kerk. Het is een voorrecht dat dit onder ons nog regelmatig kan. Ik geloof dat het beginnen met deze opmerking echt geen kwaad kan. Velen in de wereld zijn van dat voorrecht verstoken. Hetzij omdat er geen kerk is, of omdat het naar de kerk gaan een verboden zaak is. Dat komt voor in die landen waar men om des geloofs wil vervolgd wordt. We horen daar wel eens van. Of we er ook wel eens over na denken, weet ik natuurlijk niet. Het gevaar is altijd aanwezig, dat je er aan gewend raakt. Het is nu eenmaal zo. Zo is het al jaren. Het is erg ver weg (?). Wat is ver tegenwoordig? Doch jullie begrijpen me wel. Daarom, nogmaals, acht het een voorrecht dat wij regelmatig nog naar de kerk kunnen gaan. Of we ook willen gaan?

Ja, dat is weer een andere vraag. Ik hoop dit van al mijn lezers te mogen geloven. Doch van alle jonge mensen, ook van christelijke huize, is dat lang niet het geval. Ze gaan dan nog wel naar de kerk, doch zij vinden één keer meer dan genoeg. Dat is natuurlijk erg jammer. Het getuigt op alle manier niet van liefde tot de Heere. En dat is een slechte zaak. Want wie de Heere Jezus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maranatha! Zo staat het toch ook in de bijbel? Dat laatste vreemde woord betekent: Jezus komt! Je kunt dit lezen als een feit. Hij komt. Dat is wis en zeker. Hij komt weder op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden. En als we Hem dan niet lief hebben gehad, zullen we als een vijand behandeld worden. En dan lijkt dat mij niet best, maar zeer slecht. Denk er niet gering over. Want de Heere laat niet met Zich spotten. Hij laat ook niet met Zich sollen, als we denken dat wij de dienst uit kunnen maken, door naar de kerk te gaan “als ik er zin in heb”. We zullen dan straks eeuwig buiten moeten staan. Dat is voor eeuwig verloren moeten gaan.

Je kunt dat woord “maranatha” ook lezen als een gebed: Jezus kom, a.u.b. Als dat echt gebeden wordt, is dat nog niet zo slecht. Want dan drukt het een verlangen uit naar Zijn komst. En dat getuigt van liefde. En de liefde is hierin openbaar, dat wij Zijn geboden bewaren. Dat houdt ook in dat we gaarne opgaan naar Zijn huis, naar de kerk dus. En dan niet om mensen te zien of om gezien te worden, doch om dat de Heere dat wil. Omdat Hij daar spreekt. Omdat je heilbegerig bent, om Zijn stem te horen. Zijn heilstem namelijk. Want Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft. Zijn gunstgenoot van blijde troost en vree....

Misschien vraagt een opmerkzame lezer: Waar wilt u heen, met deze opmerking? U bent toch bezig met het boek Nehemia en niet met de kerk?

Accoord! Doch er wordt in het boek Nehemia wel over de kerk gesproken. We hebben het de laatste keer gehad over een samenkomst in de open lucht. Op de straat voor de Waterpoort, in Jeruzalem. Daar waren heel veel mensen. Ezra, de schriftgeleerde, priester, stond op een spreekgestoelte. Aan zijn rechterhand stonden nog zes mannen en aan zijn linkerhand stonden er nog zeven. Dat waren er dus veertien in getal.

Het was een hele lange kerkdienst. Want er werd uit het wetboek gelezen van het morgenlicht tot aan de middag, zie vers 4. Dat is dus zes uren achter elkaar, Ik denk niet dat jullie wel eens zo’n lange kerkdienst hebben meegemaakt. Het was nog een leesdienst ook. Want er werd gelezen uit het wetboek. Daar het voor een man als Ezra een hele opgaaf geweest is, om al die tijd achter elkaar te lezen, is het niet denkbeeldig, dat degenen die naast hem stonden van tijd tot tijd zijn taak zullen hebben overgenomen. Zo wordt er althans door verschillende schriftuitleggers beweerd. Ik geef dat maar door. Een mens blijft tenslotte altijd maar een mens. Iedereen is beperkt in zijn krachten. Dat gold van Ezra, dat geldt ook van dominees. We gaan dus weer naar de kerk. Jullie begrijpen nu wel wat ik daar mee bedoel. Het is in gedachten gaan naar die straat vóór de Waterpoort in Jeruzalem. Ezra staat op de stoel. De gemeente voor hem is vol aandacht. Het staat zo heel plechtig in de tekst: “En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks”. Je ziet het gebeuren. Heel eerbiedig heeft hij de rol open gedaan. Het was maar niet zo maar een rol — een boekrol. Het was een heilig boek. Het was het Woord van God, eenmaal aan Mozes gegeven. Dat men daar eerbiedig mee omgaat, is niet verkeerd. Ik dacht dat dit heel goed is. Niet om het papier, als zo danig, als heilig te verklaren, doch uit eerbied voor datgene wat er in staat. Zou het overbodig zijn dat ook hierover geschreven wordt? Want ik maak het nog al eens mee — en ik zal de enige wel niet zijn —dat er met bijbeltjes gesmeten wordt. Op katechisatie b.v. of op de verenigingen. Men gooit dan de boekjes naar elkaar toe. Dat is voor die boekjes op zichzelf niet best. Want die kunnen op den duur daar niet tegen. Zij raken er door uit de band, en zijn dan gauw kapot.

Nu neem ik aan dat dit meer gebeurt, uit onnadenkendheid, dan uit onverschilligheid. Doch het lijkt mij wel een zaak om er over na te denken. Ik ontmoette eens iemand, die liet het bijbeltje vallen. De persoon in kwestie kon daar echt niets aan doen. Hij was niet helemaal gelijk iedereen. Jullie begrijpen wel wat ik bedoel. Het was niet iemand met b.v. tien talenten, en ook geen vijf. Doch hij vond het zó erg, dat het bijbeltje viel, dat er een zucht over uit hart en mond kwam: O, o! Ik zocht de persoon wat te troosten door te zeggen, dat ik dat zo erg niet vond. Het was niet expres gebeurd. “Ja maar”, was het antwoord, “het is het Woord van God”. Kijk, daar sprak voor mij een ontroerende eerbied uit.

Daar werd in die gemeente te Jeruzalem op de straat vóór de Waterpoort, ook iets van verstaan: Eerbied voor het Woord van God. Want toen Ezra het boek opende, terwijl hij op de spreekstoel (preekstoel) stond, op een verhevenheid dus, zag al het volk dat. En het stond. Het zal wel zo verstaan moeten worden, dat men ging staan. “En als hij het opende, stond al het volk”.

Dat was geen vertoning, zoals dat tegenwoordig nog al eens voorkomt, in de z.g.n. liturgische diensten. Daar gaat men staan en zitten, iedere keer weer. Het kerkvolk lijkt dan wel een gedresseerd leger. De eerbied is dan, dunkt mij, ver te zoeken. Doch hier ging men staan uit eerbied. Niet voor Ezra. Niet voor diegenen, die rechts en links hem terzijde stonden. Doch voor het Woord van God. Om het nog konkreter te zeggen: Voor de God van het Woord. Geef dan eeuwig’eer / Onze God en HEER; / Klimt op Sion, toont / Eerbied, waar Hij woont, / Waar Zijn heiligheid / Haren glans verspreidt; / Heilig toch en t’ eren / Is de HEER’ der heren. Ps. 99 : 8.

“En Ezra loofde de HEERE, den groten God”. Daar is de dienst mee begonnen. Ik geloof dat dit een goed begin is: God loven, God prijzen, God groot maken. God is groot. Hij kan nooit genoeg geprezen worden. In het prijzen van God, wordt God verheerlijkt. Zo wil God het ook. Hij is jaloers op Zijn eer. In de hemel doet men nooit anders dan God loven. Op aarde doet men het al te weinig. Althans onder de mensen. Want in de natuur looft alles de HEERE. Dat doen de zon, de maan, de sterren, de winden, de wolken, de vogels, de vissen, de dieren der aarde, de grassprieten, de korenaren, de bloemen enz. God heeft alles geschapen tot Zijn verheerlijking. En alles beantwoordt aan zijn doel. Behalve de mens. De mens zou een opperzangmeester moeten zijn van dat ganse scheppingskoor om de HEERE te loven. Doch wat komt daar van terecht? God vloeken is meer “in”, dan “loven”. Desondanks draagt God en spaart Hij het mensdom nog. Wat weer een reden te meer is om Hem te loven!


Looft den HEER’, want Hij is goed
Looft Hem met een blij gemoed.
Want Zijn gunst alom verspreidt
Zal bestaan in eeuwigheid.


De laatste twee regels vormen een refrein, wat je in psalm 136 zes en twintig keren tegen komt. Dat is niet voor niets, dacht ik.

Toen Ezra de HEERE loofde, zeide al het volk: AMEN, AMEN! Dat wil zeggen: Men stemde er hartelijk mee in. God is het waard dat Hij geloofd, geprezen wordt. Stemmen jullie daar ook mee in? Van harte?! Want daar gaat het over. Looft den HEERE! Ook als je geslaagd bent. Ook als je met vakantie gaat. Doe het altijd! Doe het overal! God is het eeuwig waard.

Jullie aller vriend,

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de Jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken