Bekijk het origineel

De heilige vermaking van de christen -2-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De heilige vermaking van de christen -2-

7 minuten leestijd

Leven uit Christus als onfeilbare vrucht van de verkiezing. Uiteraard is er meer te zeggen dan reeds gezegd is. Immers Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft, Zijn gunstgenoot van blijde troost en vreê. Hij geeft uit Zijn volheid genade voor genade. Hij geeft Zichzelf als het levende Brood, waardoor hongerenden verzadigd worden. Hij spreekt: Ik delg uw zonden uit; Ik neem uw ongerechtigheid en geef u Mijn gerechtigheid; Ik neem uw onheiligheid, en geef u Mijn heiligheid. Ik leef en gij zult leven.

Ik voor u, dar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Mijn dood uw leven. Hij leidt in het binnenste heiligdom, Die verzoent met God. God geen rechter meer, maar Vader. Geestelijke blijdschap en heilige vermaking. Ja -maar dan niet alleen vanwege het waarnemen van die vrucht van verkiezing. Christus Zelf het voorwerp en de inhoud van de geestelijke blijdschap en de heilige vermaking.

Door de Dordtse Leerregels wordt een tweede vrucht van de verkiezing genoemd. En die is kinderlijke vreze Gods.

Er is een knechtelijke vrees. Die is duidelijk te onderscheiden. Daarbij staat God niet voorop. Doch de mens. Men leeft volgens het “do ut des” principe - ik geef, opdat Gij geeft. Van huis uit zijn we godsdienstig. Een vaag begrip dat het tussen ons en God niet in orde is, is ons eigen. Door onze godsdienst trachten we God gunstig te stemmen. Soms door gebod op gebod en regel op regel, en laag neerziende op de goddelozen rondom ons. Zelfs na ontvangen genade kunnen we met de werkkiel aan lopen, menend dat we nog iets kunnen toebrengen, nog iets kunnen verdienen en aan onze zaligheid toedoen. Als onbekeerde godsdienstige is het: ik zal het doen. Na bekering wordt het: ik en de Heere, wij samen zullen het doen. Jakob in de Pniëlsnacht leert het: de Heere doet het alleen. Wie de knechtsgestalte heeft, geeft genade de doodsteek, en rukt de kroon af van het hoofd van Christus. Zeg nu niet te spoedig : het is genade alleen, ’t Zou een bewijs kunnen zijn dat u nog niet weet, dat u leeft bij een verbroken werkverbond. We zijn zulke vijanden van genade, van vrije gunst. Het ene is nog niet weggeslagen of we hebben het volgende al weer vast. We willen zo graag recht op loon laten gelden, ’t Beste medicijn om daarvan af te komen is het leren buigen onder het recht van Gods oordeel. Wie leert spreken: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig, wie ontdekt wordt aan de vuile bron van wanbedrijven, die sterft aan de knechtsgestalte. Die kan niets meer toedoen, en die ervaart het: de Heere doet het alleen. Hij is een God van volkomen zaligheid.

’t Gaat om de kinderlijke vreze Gods. Die is vrucht van de verkiezing en niet de knechtelijke. De kinderlijke vreze heeft niets te maken met bangheid, met angst. Het is kinderlijke eerbied, heilig ontzag voor God.

De Heere maakt een stenen hart tot vlees. Wat voorheen een last was, wordt dan tot lust En omgekeerd. We krijgen de Heere hartelijk lief. “God heb ik lief” en “nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, o God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen”. De kinderlijke vreze doet wenen als de hemel gesloten is, doet hijgen naar de ontmoeting met de Heere, doet dorsten steeds weer naar de levende God. Als het Aangezicht afgewend is dan doet het smeken dat het Aangezicht zich weer wendt. De kinderlijke vreze doet kennen de verborgen omgangen met de Heere. Doet hunkeren daarnaar.

’t Zou kunnen zijn dat een kleine in de genade teveel dingen toeschrijft aan de natuur van de mens. Alsof geestelijke dingen vanuit onze natuur opkomen. Veracht de dag der kleine dingen niet. Werp ze niet weg. Word bemoedigd en houd aan. Totdat de Zon ten volle opgaat en u spreekt: “Ik roem in God, ik prijs ’t onfeilbaar Woord, ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord”.

Vanuit de kinderlijke vreze komt op het gebedsleven. Is het een heilige vermaking in het hart te bespeuren de drang om tot de Heere te gaan, om met alles tot Hem te komen? Ik begrijp als u zegt: door al mijn bidden gaat een streep. Zou het van mijn bidden afhangen, gewis ik zou voor eeuwig verloren gaan. Dat te leren is noodzakelijk, opdat er plaatskomt voor de biddende Hogepriester aan ’s Vaders rechterhand. Alleen vanwege Zijn voorbede worden mensen zalig. “Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude”. Maar ondanks het leren van eigen onbekwaamheid om te bidden, is het bidden zo’n heilige vermaking. Dat uitgaan tot de Heere, dat openleggen van het hart, dat uitzeggen van het weer gestruikeld zijn, dat spreken met Hem over mijn ongerechtigheden, over mijn zonde ,en schuld, over mijn verdorvenheden en weerbarstigheid, dat uitstorten van het hart voor Zijn aangezicht, de dingen van het leven van elke dag, de moeiten, de zorgen, het kruisdragen, het verdriet, de dingen van het werk en van de kerk, de dingen van het gezin en van ons land. O, wat moet een onbekeerd mens toch veel missen. Die mist een toevlucht. Die vermaakt zich met de dingen van beneden Hij kent de heilige gebedsvermaking niet. Vanuit de kinderlijke vreze komt ook op het leven naar al Gods geboden. Wie de Heere liefkrijgt, krijgt ook Zijn wet lief. Is hier dan volmaaktheid? O neen. Dat wordt wel de begeerte, de diepste begeerte. Waarom dan op de leerschool van Gods Geest leren: minder zonde doen en groter zondaat worden? Wel, om al meer op Christus geworpen te worden, om uit Hem te leven. En opdat er heimwee komt naar een beter vaderland, hemelverlangen, de plaats waar geen ongehoorzaamheid meer is, maar de kinderlijke gehoorzaamheid, volmaakt.

Het doen van de geboden van de Heere wordt hier het vermaak. Die liefdedienst, zegt de psalmdichter, heeft mij nog nooit verdroten. Er zijn er die menen dat de dienst van de Heere een harde dienst is. Dan mag dit niet meer, dan mag dat niet meer. ’t Is een leugen. Satan wil dat wijs maken. De ik-dienst, de dienst van de satan, van de zonde, van de wereld is een harde dienst. Aan de zwaarte van de dienst gaan we uiteindelijk ten gronde. Er zijn er ook die zichzelf christen noemen, maar toch zelf de dingen uitmaken, zelf uitmaken hoe men de Heere zal dienen. Men weet zelf alles precies. Men heeft niet de minste moeite om te weten wat mag en wat niet mag. Maar de ware christen vraagt alles aan de Heere. Wordt er bevreesd voor om stiekem, eigen wil door te zetten. De Heere laat vastlopen, en dan moet met schaamrood op het gelaat beleden worden: Heere, ’t was niet Uw wil, doch slechts mijn eigen wil die ik volgde.

Zegt u nu Paulus na: “Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens”? Of die psalmdichter: “want al mijn vergenoegen, al mijn vermaak is Uw wet alleen”? Weer zeg ik: niet slechts het waarnemen van de onfeilbare vrucht van de verkiezing heilige vermaking, maar de zaak zelf. En dat is hier de kinderlijke vreze van de Heere.Dat is de vermaking van het kind van God. Daarom zingt het uit en met het hart: “Wie heeft lust de Heere te vrezen?”

Er is nog een derde onfeilbare vrucht van de verkiezing. En ook het waarnemen van die is tot heilige vermaking.

Daarover de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

De heilige vermaking van de christen -2-

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken