Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 87.

9 minuten leestijd

“Voorts op de vier en twintigste dag der maand verzamelden zich de kinderen Israëls met vasten en met zakken, en aarde was op hen. En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden en deden belijdenis van hunne zonden en hunner vaderen ongerechtigheden....”

Beste jongelui!

Het loofhuttenfeest is gevierd. Dat duurde van de 15e tot de 22e van de zevende maand. Het was een dankbaarheidsfeest. De Heere had dat volk vele weldaden geschonken. En het paste om Hem daarvoor te erkennen. Dat was de Heere waard. Dat heeft ook het volk gedaan. God had het alzo voorgeschreven in Zijn woord. Hij maakte de dienst uit. Vergeet dat nooit. Want veel mensen denken zelf de dienst uit te kunnen maken. Men zoekt dan God te dienen op een manier zoals het hun goeddunkt. Doch dat is eigenwillige godsdienst, die wel het vlees behagen kan, maar niet de Heere.

Nu we hoofdstuk 9 gaan lezen, zijn we twee dagen verder. Het is de vier en twintigste van de zevende maand. Het is nu geen feestvierende menigte, doch veeleer een rouwdragende menigte.

Mogelijk vraagt deze of gene hoe het mogelijk is, dat men eerst feest kan vieren over de weldaden des Heeren, en dat men daarna in rouwgewaad voor Zijn aangezicht verschijnt? Ik geloof niet dat het antwoord zo moeilijk is. Ieder weet dat men drie stukken kennen moet om welgetroost te leven en zalig te sterven. Dat is Ellende, verlossing en dankbaarheid. Wie nu recht in het stuk der dankbaarheid terecht komt, leert zijn ellende het beste kennen. Want in het derde stuk wordt de wet behandeld, die men betrachten moet uit dankbaarheid. Doch juist dan wordt in het licht van de wet de ellende het best gezien. Namelijk dat men er in de praktijk zo weinig van terecht brengt. De Heid. Cat. zegt niet voor niets dat ook de allerheiligste maar een klein beginsel heeft van de nieuwe gehoorzaamheid. Wie dat goed voor ogen houdt, zal er niet zoveel moeite mee hebben, dat men twee dagen na de viering van het Loofhuttenfeest samenkomt op een boetedag. Een zelfde gesteldheid kom ik ook tegen in het leven van Petrus. Hij had een grote visvangst meegemaakt. Hij had niet kunnen geloven dat dit mogelijk zou zijn. Doch toen hij het als een werkelijkheid zag, viel hij neder aan de voeten van Jezus, zeggende: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Een verbroken hart is het beste offer der dankbaarheid. Men gaat dan de weldaden zien die God geeft, tegen de zwarte achtergrond van het leven. En dat j uist verbreekt de mens. Weten jullie daar ook iets van? Men komt dan niet in de bomen terecht, dat is in de hoogte, maar in de vernedering, da is in de laagte. En dat is altijd de beste plaats. Want de Heere slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die nederig knielen.... De wateren van de vrije genade zoeken altijd de diepste plaatsen.

Zo komt het volk die vier en twintigste dag van de zevende maand bijeen, waarschijnlijk weer op dezelfde plaats, waar het twee dagen te voren ook had verkeerd. Dat is op het plein bij de Waterpoort te Jeruzalem. Zij waren bijeen gekomen in rouwgewaad. Het uiterlijke moest aangeven hoe het van binnen gesteld was, n.l. in het hart.

Zij vasten, dat wil zeggen, zij onthielden zich van spijzen. Dat behoorde bij de oosterse wijze van rouw bedrijven. Zij waren met zakken bekleed en aarde was op hun hoofd. Nu is het natuurlijk mogelijk dat men uiterlijke vormen in acht neemt, terwijl het hart zich verre van de Heere houdt. De farizeërs waren daar pikeurs in. De schijn konden zij heel goed ophouden De mensen keken daarnaar en geloofden dat het bij hen echt was. Doch de Heere Die het hart kent en doorgrondt, oordeelde daar anders over. Want Hij noemde hen witgepleisterde graven, die van buiten wel een schone schijn hadden, doch die van binnen vol roof en onmatigheid waren. Je kan, om het nog anders te zeggen, de gedaante van Godzaligheid hebben, terwijl men de kracht daarvan mist.

Ik schrijf deze dingen ter waarschuwing, opdat men aan het uiterlijke zich niet zal verkijken, daar men zich daarin zeer vergissen kan.

Anderzijds is het natuurlijk ook waar, dat als men van binnen rouw draagt, dat dit naar buiten op de een of andere wijze wel te zien is, zonder dat men er mede te koop loopt. De Heere zegt: Indien gij vast, zo zalft uw aangezicht en wast uwe klederen, opdat het van de mensen niet gezien worde, maar van uw Vader, Die in de hemelen is. Hij heeft dat niet gezegd om alle vormen aan de kant te schuiven, verre vandaar, doch opdat men van de vormen geen grond zal gaan maken. Daar moeten wij ook altijd voor op onze hoede zijn.

Dat het bij die menigte maar niet alleen een vertoning was, al zullen die er ongetwijfeld wel tussen hebben gezeten, blijkt uit het vervolg. Want het zaad Israëls scheidde zich af van de vreemden. Zij hadden zich in het verleden met de heidenen vermengd. Joodse jongens waren met heidense meisjes getrouwd en joodse meisjes waren op stap gegaan met heidense jongens. En dat was kwaad in de ogen des Heeren, Die wil dat Zijn volk apart zal wonen en dat men zich met de omliggende volken niet verzwageren zou. Want dit had alleen maar ellende tot gevolg. De geschiedenis had dit al zo menigmaal geleerd. En dat zal uit het vervolg ook nog wel blijken. Want dat niet iedereen zich afscheidde komt later openbaar, zie Neh. 13 : 23 v.v.

Doch laten wij ons houden aan hen die het oprecht gedaan hebben. Dat is natuurlijk geen kleine zaak. Want als men met iemand getrouwd geweest is en daar samen mee geleefd heeft, dan is het niet zo eenvoudig om zich van de zodanigen af te scheiden. Het waren tenslotte net mensen als wij. Mensen van vlees en bloed. Niets menselijks was hen vreemd.

Daar liggen voor ons natuurlijk lessen in. Als je getrouwd bent met iemand uit de wereld, dan mag je daar nü niet van scheiden, doch er staat wel in het Nieuwe Testament dat we geen juk aan moeten gaan met een ongelovige. Dus, beste vrienden, bezint eer ge begint. Want als je een partij hebt die nergens aan doet, dan zeg ik niet dat het nooit goed uit kan komen. Want Ruth is ook uit het Moabitische land gehaald en bij Israël ingelijfd. Doch de praktijk leert wel, dat het negen van de tien keer negatief uitvalt. Dat men door de verkeerde partij de verkeerde kant op getrokken wordt. Vandaar de waarschuwing, door Paulus gegeven, onder de leiding van de Heilige Geest, dat je geen juk aan moet gaan met een ongelovige.

Van de daar in rouwgewaad samen gekomen menigte staat geschreven “dat zij belijdenis deden van hunne zonden en van de zonden hunner vaderen” (hunner vaderen ongerechtigheden). Door het horen van de wet en de verklaring daarvan gegeven, zo als dat in hoofdstuk 8 verhaald is, zagen zij nu in, hoe zeer zij het in het verleden verzondigd hebben. Hun vaderen hadden gezondigd en de kinderen waren in het voetspoor van de vaderen gegaan. Zo gaat dat meestal. Zo als de ouden zongen, zo piepen de jongen. Dat is een bekend gezegde. Mogelijk ook voor jullie. En als je het nog nooit gehoord zou hebben, neem het dan toch maar ter harte. Want het overkomt mij meerdere malen dat uitdrukkingen, waar ik in mijn jeugd bij opgegroeid ben, in deze tijd totaal onbekend zijn. Nu wil ik niet al het oude goed keuren en aanbevelen omdat het oud is, doch als het waar is, dient men er wel acht op te slaan.

Wat er op dat plein gebeurde, wordt zo schoon verwoord in Psalm 106 : 4:


Wij hebben God op ’t hoogst misdaan;
Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan;
Ja wij, en onze vaderen tevens,
Verzuimend alle trouw en plicht,
Vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wonderen had verricht.


God had in ’t verleden Zijn wonderen aan dat volk groot gemaakt. Doch men erkende Hem er niet voor. Alle weldaden werden aan de afgoden toegeschreven en in de zonden doorgebracht. Dat zagen zij nu in. Ze hadden niet alleen tegen God gezondigd, natuurlijk dat ook, maar dit kwelde hen vooral, dat zij tegen een goeddoend God hadden gezondigd. Als ik het zo schrijf, hoop ik dat jullie begrijpen wat ik bedoel. Het doet het hart meer pijn als je een goede moeder of vader op het hart getrapt hebt, dan wanneer je eens ruzie met je buurman hebt gehad. Dat laatste mag natuurlijk ook niet en daar kun je ook goed last van hebben. Maar het eerste ligt toch anders, veel teerder.

Wie dat beleeft kan het niet voor zichzelf houden. Hij gaat het belijden voor God. Wie dat oprecht doet, doet het goed. En die ervaart ook, dat wie zijn zonden belijdt en laat, vergiffenis ontvangt. Want God is een gaarne vergevend God. En dat altijd terwille van Zijn Zoon, Die al het oordeel gedragen heeft. Hoe dat daar allemaal in zijn werk ging, hopen we jullie een volgende keer te vertellen. Je hebt voorlopig wel weer het nodige ontvangen om er over na te denken. Gods Geest geleide jullie. Jullie aller vriend,

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken