Bekijk het origineel

Het gebed als ademtocht 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het gebed als ademtocht 4.

11 minuten leestijd

Het Koninkrijk Gods is dus enerzijds verschenen in Christus, en komt tot openbaring in dat volk, dat in Christus tot Zijn lichaam wordt samengevoegd. Christus neemt immers door Zijn Geest gestalte aan in de Zijnen, zodat bij dat volk de verzoening met God en ook de vrijwillige liefdedienst jegens God zijn beslag krijgt, door wedergeboorte en geloof in Christus. Anderzijds wordt de volle openbaring van het Koninkrijk Gods verwacht in de grote dag van Christus, als Hij al de vijanden Gods in het eeuwige verderf werpen zal en het Koninkrijk aan de Vader zal overgeven. En er alleen vrijwillige liefdedienst in volle kennis des Heeren zal zijn, in gezegende harmonie van alle dingen op de nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal. Dan zal Gods volle glorie in Zijn volle Koningsschap zijn.

De bede: “uw Koninkrijk kome” bedoelt daarom niet te zeggen, dat er nog niets van het Koninkrijk Gods verschenen is, maar is bedoeld als de hijgende begeerte van de Kerk Gods in deze bedeling naar de voortgang der toevergadering tot het volk in het Koninkrijk Gods, opdat dit Koninkrijk zich alzo eenmaal in al zijn heerlijkheid mag openbaren. In de toevergadering tot het lichaam van Christus, dus in het gestalte aannemen van Christus in Zijn gelovigen, wordt het Koninkrijk Gods gebouwd. Want zo ontvangt God Zijn eer in een vrijwillige dienst van Zijn volk, en Zijn volk wordt gezegend door Hem met al de zegeningen in Christus: Genade, gerechtigheid, liefde, vrede. Daarom zal deze bede ook maar alleen uit ons hart opklimmen, als we zelf onderdaan van dat Koninkrijk zijn geworden. Dan moet de vijandschap in ons hart tegen God zijn omgezet in liefde tot God. Dan moet Christus gestalte in ons aangenomen hebben door het geloof in Hem. Anders hebben we toch de Koning, Zijn Rijk, Zijn volk niet lief. Dan begeren we niet, dat Zijn Koninkrijk gebouwd wordt. Daarom lezen we: “Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3 : 3).

Het wederbarend werk des Geestes legt de verbinding tussen Christus en ons hart. Zo worden we toevergaderd tot Zijn lichaam, en gaan door Zijn genade op de Heere aan leven, terwijl we eertijds ons afkeerden. Weet u daarvan, dat u dat Rijk, dat volk, die Koning lief kreeg, en nu uit ziet naar het steeds meer komen van dat Koninkrijk, waarin voorlopig de verheerlijkte Christus Koning is, totdat het straks de Vader zal worden teruggegeven? Kent u de tweeërlei begeerte: 1. dat u steeds meer toevergaderd wordt; 2. dat u zelf steeds meer als onderdaan van dat Rijk mag openbaar komen?

Met deze laatste begeerte begint ons antwoord: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Het Koningschap sluit in regeren, en het onderdaan zijn gehoorzaamheid. Daarom zullen we alleen met hart en ziel in dat Rijk leven, indien we de onderwerping kennen aan onze Koning. Hier ligt nu alles, wat we uit Adam meedragen, in ons tegenin. Daarom die gedurige bede. Dat is dus een bede tegen ons eigen vlees in. Het is de bede, dat het uit zij met ons rijk, ons willenen lopen; dat alleen God in Zijn Christus het te zeggen heeft, en dat ik mij daaraan steeds meer vrijwillig onderwerp. Het is dus niet maar, dat ik de voorzienige leidingen Gods in mijn leven onderkenne en daarin met volkomen genoegen berust, zoals we dat bezingen:


Dat Isrel op e HEER’ vertrouw’;
Zijn hoop op Gods bescherming bouw’,
En stil berust’ in Zijn beleid,
Van nu tot in all’ eeuwigheid.


Neen, het is meer, het is een gehoorzamen van ’s Heeren stem, die in Zijn Woord tot ons komt. En nu is de begeerte, dat de Geest daarbij het Woord zo inprent in ons hart, dat we het gewillig volbrengen. Niet dus regering door de Geest alleen, wachten op inwendig licht, ook niet alleen door het Woord, maar door Uw Woord en Uw Geest. In het Woord hebben we de stem des Konings; daarin horen wij de wil van onze eeuwige Koning. Maar nu is het de Geest, Die ons hart steeds meer overreedt, steeds meer inwint tot gewillige onderwerping aan dat Woord, zodat de inzettingen Gods onze vermaking en raadslieden zijn. Daarin ligt het behagen Gods en daarin ligt ook de rijkdom des levens, dat Hij een vrijwillig volk heeft op de dag Zijner heirkracht.

Hiermee worden we gevoerd in het strijdperk. Want het is niet zo, dat we hier in deze bedeling tot een ongestoorde onderwerping komen. Hier blijft de strijd met de oude Adam. Gods kinderen dragen naar eigen ervaring altijd het boze hart om, dat tegen deze onderwerping vecht. Ja, ze moeten belijden, dat ze vleselijk zijn, verkocht onder de zonden. Altijd duiken weer de boze begeerten en prikkelingen op, die tegen het Woord Gods indruisen. Op het onverwachts worden ze meegesleept en gaan ze luisteren naar de stem van de boze en hun arglistig hart, in plaats van naar de stem Gods.

Zelfs loopt Gods kind het gevaar om uit de dingen van het Koninkrijk Gods zichzelf een rijk te bouwen. Dan gebruikt hij de heilige dingen, en het Woord Gods, de christelijke beginselen, als een burcht om zichzelf in te verschansen. Hoe vaak toch ligt de verleiding aan het hart, om onze dienst, ons ambt, onze prediking te gebruiken tot eigen eer. O, wie onder Gods volk kent niet die duivel van ikzucht, eigenbelang en hoogmoed. Dan wordt het: Zie hier het grote Babel, dat ik mij gebouwd heb. Ja, zelfs het geestelijke leven, de bevinding, de weg die de Heere met de Zijnen gehouden heeft kan in deze vorm een verzoeking worden. We kunnen gaan pronken met onze rechtvaardigmaking, terwijl we de Weldoener vergeten. Dan luisteren we naar onze eigen stem, niet naar de stem des Woords.

Daarom, de Heere heeft niet voor niets deze bede voor gebeden. Zij moet niet eenmaal en nog eens een keer, maar voortdurend op de lippen en vooral in het hart der Kerk zijn. Ja, het is zelfs zo, dat, als van deze bede een wijle afgeweken wordt, de mens terstond aan alle gevaren bloot staat, want hij is een onheelbaar ziek schepsel vol van ikzucht. Daaronder worde gezucht. Daarom is dus in de dagelijkse oefening nodig het gebed: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Alleen in voortdurend gebed om de regering door het Woord en door de Geest zal de onderdaan onderdaan zijn.

Iedere burger wordt verondersteld de wetten van zijn land te kennen. Nu kan het zijn, dat hij ze niet alle kent, dan overtreedt hij onbewust. Zo kan het ook zijn in het Koninkrijk Gods. Maar dit verontschuldigt hem niet. Hij behoort het Woord te verstaan. Daarom is nodig het onderzoek des Woords, al biddende deze bede. Die bede kan nooit waarachtig zijn, of we begeren ook steeds meer het Woord te verstaan. Het is dus vanzelf ook de bede om dieper in het Woord in te dringen. En daarmee gaat vanzelf gepaard het onderzoek van het Woord. We begeren dan te graven in het Woord, opdat we met verlichte ogen des verstands de inhoud van Gods Woord mogen zien en ons eigen maken, ermee mogen vergroeien. Opdat we ook terstond bij allerlei aanvechtingen mogen onderscheiden: Dat is mijn eigen stem of die van de boze; dat is Gods stem, die ik gehoorzamen moet. O, hoeveel nalatigheid en slordigheid is er in deze, samenhangend met een niet beoefenen van dit gebed.

Maar verder hebben we niet slechts nodig de inhoud van het Woord te verstaan, maar ook de volvaardigheid van het gemoed om het

Woord te doen. Daarom ook de bede: Regeer ons door Uw Geest. Die is het, Die ons hart neigt tot gehoorzaamheid. Die is het trouwens ook, Die ons verstand verlicht tot recht verstaan van het Woord. Dat alles zagen we reeds. Alleen willen we er nu nog op wijzen, dat dit regeren door de Geest de regering is door de Geest van Christus. Deze bede om de regering door de Geest van Christus kan daarom niet anders zijn dan de bede om de gemeenschap met Christus; dan de bede, dat Hij door en in Zijn Geest gestalte in ons aan-neme. En zo is deze bede niets dan de smeking om het Beeld van Christus gelijkvormig te worden door het geloof in Hem. In Hem wordt de volkomen kennis van het Woord gevonden, de volkomen gewilligheid en gehoorzaamheid.

Waar Zijn beeltenis nu door Zijn Geest op ons hart wordt ingedrukt, daar komt Zijn beeltenis ook te voorschijn in onze kennis, handel en wandel. Daar straalt Zijn kennis door ons heen, en ook Zijn gewilligheid en gehoorzaamheid. Wie dus bidt de bede “Uw Koninkrijk kome”, die smeekt ten opzichte van zichzelf om steeds nauwere gemeenschapsoefening met zijn Hoofd Jezus Christus, opdat Deze in hem verschijnen mag en door hem heen strale in Zijn deugden van kennis, en gewillige gehoorzaamheid. Dit te beseffen en te beoefenen maakt het leven van Gods kind gezegend en vruchtbaar. Want nu leert hij in de beoefening het Woord te verstaan en te doen, zoals Christus dat in volmaaktheid voorgeleefd heeft.

Het grote kenmerk hiervan is “de gerichtheid op de eer des Vaders” en “de priesterlijk dienende liefde”. Daarin heeft immers Christus Zich bewogen. Het zich onderwerpen aan het Woord Gods zal dus ook daarin door de christen uitgeleefd worden. Daarom sprak Christus tot Zijn discipelen: “De oversten der volken voeren heerschappij over hen. Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; en zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen” (Matth. 20 : 25-28).

Zó, in deze gemeenschap met Christus, leert de christen de inhoud van het Koninkrijk Gods verstaan en proeven: Het Koninkrijk van gerechtigheid, vrede, liefde door de Heilige Geest. En voor alle gebrek en zwakheid wordt verzoening gevonden in Christus’ offerande. Nooit kan deze onderwerping aan God praktijk in ons hart en leven zijn, dan in de gemeenschapsoefening met Christus, waarin Hij in ons verheerlijkt wordt. Daarom is de bede: “Uw Koninkrijk kome” ten opzichte van onszelf ook niet anders dan de bede om de opwekking van de Hebreeënbrief op te volgen: “Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij behaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid” Hebr. 12:28). Die genade is Christus. De verborgen omgang met Hem. Nu moet wel verstaan worden, dat deze bede dan waarlijk praktijk voor ons kan zijn, als we Christus mogen kennen. Hoe zullen we anders bidden: Christus worde meer en meer in mijn hart en leven, in Zijn zoeken van de eer des Vaders en Zijn dienende liefde, verheerlijkt. Want dat houdt “Uw Koninkrijk kome” in, zoals we zagen. Wat dringt het Woord aan om Christus deelachtig te worden! Ach, verlaat toch uw gebroken waterbakken. Werp u toch neer in verlorenheid voor God, geef God de eer en beken dat u bent de goddeloze en geheel verkeerde, zo zal gewis Christus voor uw ogen gaan schitteren, en u zult kennis aan Hem krijgen. Zó kan deze bede praktijk voor u worden.

Maar wat moet helaas in deze ook Gods kind veelal gelaakt worden. Wat is er vaak kilheid en gebrek aan beoefening van dit gebed, omdat er gebrek is aan gemeenschapsoefening met Christus. Daarom heersen in hem zoveel de het leven ontbindende wetten van het rijk der duisternis. En wil men zo graag heersen over de ander, hoewel men die dingen van Gods Rijk hanteert. Hier hebben we onszelf te onderzoeken. Dat we toch onze gezegende Leermeester niet te schande maken, maar Zijn voorgezegde bede op de lippen nemen, en overdenken: Uw Koninkrijk kome, welk gebed de Geest van Christus in Psalm 119 aldus vertaalt: “Och, dat mijn wegen gericht werden om Uwe inzettingen te bewaren!” (vs. 5).

Men kan het bovenstaande vinden in de verklaring van de Heidelbergse Catechismus van ds. J. van Sliedregt, getiteld Uw enige troost, en wel in deel 6, blz. 102-107.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Het gebed als ademtocht 4.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken