Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gods wil doen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gods wil doen

7 minuten leestijd

“Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen”.

“Welzalig die, bij dagen en bij nachten, Gods wil bepeinst”. U kent deze regel uit een van de psalmen. Gods wil, dat is blijkens het tekstverband: het niet vergeten van gastvrijheid, het gedenken van gevangenen, het rein houden van het huwelijk, een wandel zonder geldgierigheid, een tevreden zijn met wat we hebben, een gedenken en gehoorzamen van voorgangers, een uitgaan buiten de legerplaats, een Gode brengen van lofoffers, weldadig en mededeelzaam zijn.

Daar hoeven we niet alleen aan te denken. We mogen denken aan heel Gods wil. Gods wil zoals die is samengevat in de tien geboden. Daarin heeft God uitgedrukt wat Hij van ons wil.

In het paradijs was Gods wet geschreven in het hart van de mens. Van binnenuit wist hij wat Gods wil is. Door de zondeval is dat schrift uitgewist. Wij weten niet meer van uit onszelf wat Gods wil is. Ons geweten is verduisterd. Reageert niet meer zoals het behoort. Het zwijgt als het spreken moet. Zelfs bij het ouder worden kan ons geweten als toegeschroeid met een brandijzer zijn. Overtredend Gods wil zwijgt de aanklager van binnen. De zonde wordt niet meer als zonde gezien. Omdat ons geweten verduisterd is, is het zo gevaarlijk te leven bij: ik meen, ik denk, ik voel.

Nu is God gekomen met Zijn wil geschreven op twee stenen tafelen. Dus die wil komt nu van buitenaf tot ons. Die wil alleen is de norm, die bepaalt wat goed is. Dus niet wat de ander zegt of wat de massa denkt of wat ik wil - neen, wat God wil daar hebben wij mee te maken. Die wil alleen moet zijn richtsnoer voor het leven.

Het kenmerkende voor Gods kinderen is, dat zij grote begeerte hebben om Gods wil te doen. Denkt u aan Psalm 1: “zijn lust is in des Heeren wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht”. Of aan Psalm 40: “Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen”. Of aan Paulus’ woord: “want ik heb een vermaak in de wet Gods”.

Soms stelt men voorop: och dat ik het weten mag, dat ik hemelreiziger ben, dat ik vergeving der zonde heb, dat de Heere Jezus mijn Borg en Middelaar is. Doch voorop staat die hartsvernieuwende genade: ik krijg lust om te leven naar Gods wil. Of ik nu klein of groot ben in het genade-leven, dat doet er niet toe. De allerkleinste heeft die lust, die begeerte. Was het niet Paulus’ eerste bede toen hij bekeerd werd: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal”?

Wie pelgrimreiziger is naar de stad die fundamenten heeft, wordt toebereid, pasklaar gemaakt voor de hemel. Daar boven wordt alleen Gods wil gedaan. Daar alleen dienstknechten, volkomen, van de Allerhoogste. Zonder die toebereiding zou de hemel tot hel zijn.

Nu - zeg het eens -, is het doen van Gods wil uw vermaak geworden? Neen, u wordt niet gevraagd of u de wil van God volbrengt, maar of het doen van die wil uw lust en vermaak is. De wedergeboorte geef toch een hele verandering in ons? Van nature is het: doende de wil des vieses en der gedachten. We lopen achter onze eigen wil aan. Niet wat God wil, maar wat wij willen staat voorop. De dienst van de Heere is voor de natuurlijke mens een last, geen lust. Wat kan die mens redeneren: dan mag ik dit niet meer en dat niet meer. Och - van onszelf hebben we er geen verstand van dat het dienen van de Heere een vreugdedienst is, een liefdedienst die nooit verdriet.

Soms kan het gebeuren dat we zo maar weten of iets Gods wil is of niet. We hebben er ook nog geen tekst voor. Bij de Godvrezende psalmdichter was het anders. Die moest bidden: och dat ik klaar en onderscheiden zag hoe ik mij naar Uw bevelen heb te gedragen. Soms kunnen we de dingen zo verwarren dat we menend Gods wil te doen slechts eigen wil doordrijven. We zijn zo geraffineerd. We hebben zo’n arglistig hart. Zelfs Gods kinderen ontkomen er niet aan. Met scha en schande moeten ze wijs worden. God laat vastlopen, en dan moeten ze met het schaamrood op het gelaat belijden: ik ben eigen wil gevolgd, het was niet anders. Paulus, aan het slot van zijn brief, bidt de Hebreeën toe, dat zij Gods wil ten einde toe volbrengen. Hij schrijft niet: we blijven zondaren tot het einde toe, en genade is genade, en Jezus Christus heeft alles volbracht, dus een beetje zonde doen is niet zo erg, we komen er evengoed wel. O neen! Het nieuwe leven kent de begeerte tot volkomen heiligmaking. Het is geworden de begeerte, de drang, het verlangen om volmaakt te mogen zijn, zonder zonde, slechts Gode leven. Evenwel - het volbrengen is er niet. Hoe kwam dat uit in de gemeente der Hebreeën. Echter het niet volbrengen wordt een groot verdriet in het leven van Gods kind. God is het zo waard om volmaakt voor Hem te leven. En als er zicht is op wat Jezus Christus heeft gedaan, op de diepte waarin Hij Zich vrijwillig begaf om verloren zondaren te zaligen, om hun zondeschuld te betalen, om alle gehoorzaamheid te volbrengen, dan is de begeerte sterk, ja zeer sterk om het leven Hem toe te wijden, geheel en al. En nu alle dag nog weer zonde en schuld, niet gedaan Gods wil, elke dag de onvolmaaktheid, dat geeft droefheid, grote droefheid, en dat geeft hemelverlangen, om te komen daar waar God alles is en in allen.

’t Is vandaag als in de gemeente der Hebreeën. Geen verdrukking, geen vervolging. Plooibaar geworden. Water bij de wijn doen. Bij de wereld geëerd en gezien willen worden. De Hebreeën stonden zelfs op het punt om af te vallen. U zegt: dat kan niet, dat kan nooit. Eens bekeerd, altijd bekeerd, en verkorenen van eeuwigheid kunnen in der eeuwigheid niet meer verloren gaan. U hebt gelijk. Maar dat woord uit de Hebreeënbrief blijft ook staan: “want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden”. En ook dat nog meer aangrijpende woord: “want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.”

Is Paulus bevangen geworden door een wettische geest? Predikt hij de heiligmaking om daardoor bij God gerechtvaardigd te worden? Koppelt hij werkverbond en genadeverbond aan elkaar? Voert hij nu onder de Hebreeën een soort klopjacht of drijfjacht? Zo in de zin van een mens moet dit en een mens moet dat? Zeer beslist niet. Hij werpt hen op God, op de God des vredes. Hij zegt: God volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen.

God door de Heilige Geest grijpt de natuurlijke mens aan. Hij begint, zet voort en voleindigt. Hier is Zijn werk in de mens, Zijn werk dat door niets wordt afgebroken. Die Hij geroepen heeft, die verheerlijkt Hij ook. We worden geworpen op God, de Almachtige, Die volmaakt is in alle goed werk. Door dat werk komen er andere mensen, levende voorbeelden.

Weet dit: zonder heiligmaking zullen we de Heere niet zien.

God volmaakt in alle goed werk.

De openbaring daarvan is dat u doet Gods wil.

Hier is het ten dele. Straks het volkomene: alleen maar doen wat God wil. Dat maakt de hemel tot hemel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Gods wil doen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken