Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 94

9 minuten leestijd

“En Gij hebt hun Uw heiligen sabbat bekend gemaakt, en Gij hebt hun geboden en inzettingen en een wet bevolen door de hand van Uwen knecht Mozes. En Gij hebt hun brood uit de hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd dat zij zouden ingaan om te erven het land, waar Gij Uw hand over ophieft, dat Gij het hun zoudt geven”.

Beste jongelui!

Wij staan in gedachten weer op het plein bij de Waterpoort te Jeruzalem. We hebben daar al verschillende keren vertoefd. Ik hoop niet dat het jullie gaat vervelen. Als dat het geval zou zijn, deugt dat natuurlijk niet. Want het gaat daar over een volk dat bezig is de weldaden des Heeren te gedenken. Daar komen wij des zondags ook altijd voor naar de kerk, als het goed is. Dat is ook roeping. De Heere zegt het zo duidelijk: Vergeet geen van Zijn weldadigheden. Vergeet ze niet, het is God, Die ze u bewees. De weldaden des Heeren zijn groot en veel. Ze zijn elke dag weer nieuw. Het erge is dat we het grote en vele niet meer zien, evenmin als dat we er oog voor hebben dat ze elke dag weer nieuw zijn. Dat mocht ons dagelijks wel een wonder wezen. Doch wat is ten deze de mens een ondankbaar schepsel. Wie dat niet alleen maar zegt, doch er ook iets van beleeft, want daar komt het altijd weer op aan, die kan er alleen maar klein onder worden.

In de hoop dat dat gebeurt, gaan we verder met het memoreren van alle dingen die God Zijn volk gegeven heeft, om er de nodige toepassingen dan maar weer bij te maken. Dan wordt hetgeen wij overdenken niet een stukje oude geschiedenis, wat zijn betekenis heeft verloren. Dan wordt het boek Nehemia aktueel. Daar hebben we al eer en meer op gewezen. En dat blijft zo.

Wat God heeft, na al hetgeen reeds genoemd is, ook aan dat volk Zijn “heiligen sabbat gegeven”. Dat was steeds weer de zevende dag der week, waarop het volk rusten moest van hun dagelijkse arbeid om zich te verlustigen in de werken des Heeren. Zo heeft de Heere het Zelf het volk voorgedaan. Dat staat duidelijk in het vierde gebod. Hij heeft in zes dagen de hemel en de aarde geschapen, met alles wat er op en in is. Daarna heeft Hij gerust en Zich vermaakt in de werken Zijner handen. Dat moeten nu de schepselen ook doen. Dat moest ten dagen van Nehemia gebeuren en dat moet ook nu nog gebeuren. Ik ga thans maar voorbij aan het feit dat wij niet de zevende dag, maar de eerste dag als de rustdag dienen te vieren. Dat houdt verband met de opstanding van de Heere Jezus Christus, Die alles volbracht heeft wat tot zaligheid van een zondaar van node is. Dat is nog een reden te meer om te denken aan alles wat de Heere heeft gedaan. Want als het over “alles” gaat wat de Heere heeft gedaan, dan zal men in der eeuwigheid daar niet over uitgedacht komen. Dat we daar zo weinig aan toe komen, is weer een gevolg van onze diepe val. Mochten we dat ook maar overdenken, en dat dit ons dan, onder de leiding van de Heilige Geest, mocht brengen tot de rust des geloofs in Christus, Die op de zevende dag gerust heeft van Zijn werk in het graf. Hij kon dat doen omdat Hij al Zijn werk volbracht had. Wie dat gelovig verstaat, komt tot de ware rust, die er eenmaal overblijft voor het volk van God. Dan zal men zich eeuwig in Hem verblijden. Weten jullie in beginsel daar reeds iets van? Een vraag die toch wel gesteld mag worden? Of liever: Een vraag die gesteld moet worden!

Want we leven in een onrustige wereld. Een wereld die voortjaagt naar het einde. En als men in de werken des Heeren, in natuur en genade, nooit zijn vermaak heeft gekregen, dan komt men in de eeuwige onrust terecht. Daar is de massa blind voor. Jij toch niet? Of wel? Vraag dan nog of de Heere je de ogen er voor wil openen. Dan kan hetgeen nu geschreven wordt nog dienstbaar zijn tot je eeuwig behoud.

De Heere gaf niet alleen een bijzondere dag waarop men gedenken moest wat Hij allemaal gedaan had, doch Hij gaf ook Zijn geboden en inzettingen en beval hen te leven naar de wet, die hen door de hand van Mozes was gegeven. Niemand kon zeggen dat hij niet wist of weten kon waar hij zich aan had te houden. Het was hun duidelijk genoeg bekend gemaakt. Ik geloof dat dit ook van ons wel gezegd kan worden. Want van kindsbeen af zijn we, als het goed is, onderwezen in die dingen die ter zaligheid van node zijn. Doch is er ook de nodige interesse en dat uit liefde tot de Heere, om te doen datgene wat ook ons bevolen wordt om te doen? Of nemen we het altijd maar weer voor kennisgeving aan, of nog minder misschien, zodat we er dwars tegen ingaan? Dan is dat natuurlijk wel een verschrikkelijke zaak. Vergeet dan niet, dat we toch eenmaal verantwoording moeten afleggen van al hetgeen door ons gedaan, gezegd en gedacht is, en ook gelaten. Want God is nooit een ledig Toeschouwer.

De Heere deed nog meer. Het wordt daar allemaal op dat plein beleden. Niemand kon zeggen dat God niet goed voor hen gezorgd had. God gaf brood uit de hemel en water uit de steenrots. Heel eenvoudig: Brood en water, eten en drinken. Dit diende tot instandhouding van het broze bestaan. De woestijn, waarin zij zich bevonden bracht dat niet voort. Doch nu werden zij “dagelijks begenadigd; Met manna, hemels brood verzadigd. Gods hand bracht in dat dorre oord, rivieren uit een steenrots voort...”. Wat een wonder, elke dag weer. Veertig jaren lang. Elke morgen had men het eten maar voor het oprapen en het drinken voor het opscheppen. Dat het niet altijd gewaardeerd werd, zal jullie duidelijk zijn, wanneer je geen vreemdeling bent in het woord van God. Want in Neh. 21 : 5 staat zelfs dat zij zeiden: “En onze ziel walgt van dit zeer lichte brood”. Als je daar goed over nadenkt, moet je zeggen: Wat is God toch goed, dat Hij ondanks zo’n snode ondankbaarheid niet naliet, om het volk toch elke dag maar weer van het nodige te voorzien.

Als we denken aan de zorg die God aan ons besteedt, elke dag weer, is dat wonder dan minder groot? Want er regent nu geen manna uit de hemel en er komt geen water uit de steenrots voort. Of toch wel? Ik dacht van wel. Want we leven in een vruchtbaar land. Alles groeit in overvloed. Is dat dan geen wonder? Want als God de aarde niet vruchtbaar maakte van Boven, zou ze ons niet op haar gewas kunnen onthalen. Zie Ps. 65. Dan was mens en dier gedoemd om te sterven van honger en dorst. Doch er is overvloed, elke dag weer. Als je het hele leven overdenkt, dan zijn de wonderen des Heeren niet af te malen (te schilderen). Wie daarvoor de ogen mist, en dat is helaas met de meeste mensen het geval, die vindt alles heel gewoon. Hij schrijft het toe aan “de natuur” en gaat God voorbij. Hij leeft gelijk de varkens, die knorrende vet worden... om dan geslacht te worden.

Denk daar maar eens over na! Want God omringt ons met Zijn goedertierenheden, opdat we er door tot bekering zouden worden geleid. En als dat niet het geval is, worden we door de weldaden alleen maar verhard. Hoe past hier toch de bede: “Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden....”. Bidden jullie dat wel eens? Ik dacht niet dat het een overbodige zaak zou zijn. Integendeel! Het is een zeer nodige zaak.

Als het over het manna gaat en het water uit de steenrots, dan is er natuurlijk nog veel meer van te zeggen. Want we hebben tot nu toe alleen nog maar aandacht gegeven aan het natuurlijke levensonderhoud, waar de Heere zorg voor droeg. Doch wordt het door de Heere Jezus Zelf niet gezegd, sprekende over het “manna in de woestijn”, dat Hij het ware Brood is, dat uit de hemel is neergedaald? Staat er ook niet in de bijbel dat de steenrots ons moet doen denken aan Christus, waaruit het Water des levens voortkomt? En wie van dit Brood eet en van dit Water drinkt, die zal in der eeuwigheid niet meer hongeren en niet meer dorsten. Want Hij is Zelf de Spijs en Drank, die verzadiging geeft ten eeuwigen leven. Wordt daar ook naar uitgezien? Wordt daar naar gehongerd en gedorst? Met andere woorden: Hebben we behoefte aan de Heere Jezus, als de Zaligmaker van zondaren? We leven nu in de lijdensweken. Dat zijn weken in het kerkelijke leven, waarin bijzonder wordt stilgestaan bij het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus. Hij heeft Zijn lichaam laten verbreken en Zijn bloed laten vergieten, tot een verzoening voor al onze zonden. Hij heeft Zijn leven gegeven. Hij is een smadelijke, smartelijke en vervloekte dood gestorven, daar wij anders de eeuwige dood zouden moeten sterven. De eeuwige dood sterven! Dat is geen kleinigheid. Dat is zó iets verschrikkelijks dat alle woorden en beelden te arm zijn, om de werkelijkheid daarvan weer te geven. “Je zonden en vervloeking overdenken”, staat in het avondmaalsformulier niet voor niets voorop, om het lijden en sterven van de Heere Jezus te kunnen waarderen. Gelukkig zijn diegenen, die Hem mogen kennen en mogen zeggen: Hij voor mij! Het zijn maar drie woorden. Doch ze houden de gehele zaligheid in. Hij naar de hel. En ik naar de hemel! Wie dat mag verstaan, zegt: “Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil”. Dat wens ik jullie allemaal toe. En nu moet ik weer gaan eindigen. Tot de volgende keer.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken