Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis 6.

10 minuten leestijd

De Apocriefe Boeken

”Wij onderscheiden deze Heilige Schriften va de Apocriefe...” Zo begint artikel 6 van de belijdenis, waar we mee bezig zijn. De meesten onder ons weten wel dat er naast de ons bekende Bijbelboeken ook z.g.n. apocriefe bestaan. Verder zal het met de kennis van de inhoud van die geschriften wel niet zo ver strekken. Mogelijk, dat men er in de tijd van de opstelling van dit artikel meer van wist. Zij staan vandaag ver van de gemiddelde kerkgangers af.

In de 2de eeuw vóór Christus hebben deze boeken een plaats gekregen in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint. Veel Joden woonden toen buiten eigen land in de verstrooiing. Zij kenden vaak hun eigen taal, Hebreeuws, niet meer. Zij konden beter Grieks spreken en lezen. Voor hun besef behoorden de apocriefe boeken tot de canon, hoewel dat in strijd was met wat de Joodse gemeente alleen als canoniek had erkend. Langere tijd hebben ze ook in de eerste Christelijke Kerk een grote plaats gehad. In de R.K.-kerk zijn ze officieel erkend, al hebben ze dan - naar de leer - niet precies de waarde van de Bijbelboeken die wij kennen. Wie kennis neemt van de inhoud der apocriefe boeken, waarin de verdienstelijkheid der goede werken niet weinig uitkomt, zal dit begrijpen.

Het is mogelijk, dat sommige lezers zich afvragen of het zin heeft om aan dit onderwerp een heel artikel te wijden. Er zullen in de meeste gevallen in onze kringen weinig herinneringen meer zijn aan de apocriefe boeken. Het zal zelden gebeuren, dat een bepaalde passage wordt aangehaald in de prediking. Soms hoor je nog wel eens spreken over ”het gebed van Manasse”, als er over zijn bekering wordt gepreekt. Een enkele keer wordt ”het gebed van Azarja in de vurige oven” aangehaald, als de aangrijpende geschiedenis van Daniël 3 spreekt. In beide gevallen gaat het om een apocrief geschrift. Ook is de geschiedenis van de Maccabeeën, vooral de ouderen, niet onbekend. Al met al horen we er weinig van. Daarbij: moeten we ons bezig houden met boeken, die we toch niet als gezaghebbend erkennen? Toch meen ik, zonder de betekenis te overtrekken, dat het goed is er nader kennis van te nemen. Het gaat hier om de onderstreping van de bijzondere waarde van Gods Woord. Ieder zal het daarbij verstaan, dat het dan gaat om het Woord Gods, zoals wij dat kennen in onze Bijbel. Van die waarde is onze belijdenis zo diep overtuigd!

Om het onderscheid

Het is geen loze kreet, dat het hier gaat om de onderstreping van het geïnspireerde Woord Gods. Héél artikel 6 laat dat zien. Het gaat niet om allerlei wetenswaardigheden óver de apocriefe boeken, maar om het onderscheid tussen die geschriften en de Heilige Schriften.

Heen al de aanduiding “apocrief” moet hier spreken. We kunnen denken aan “verborgen”. Dan zou het nog niet over boeken behoeven te gaan, die niet als Gods Woord erkend moeten worden. De Bijbel staat vol “verborgenheden”, die voor het levend geloof alleen maar zo’n rijke inhoud hebben. Het gaat er hier om, dat de oorsprong van deze boeken verborgen is. We kunnen het ook weergeven door “twijfelachtig”. Wat twijfelachtig is, kan nooit regel voor geloof en leven zijn. De canonieke boeken zijn het Woord van God en de apocriefe boeken kunnen én mogen niet zó erkend worden.

In die lijn heeft ook de Synode van Dordrecht 1618-1619 over de apocriefe boeken gesproken. Er was op deze kerkelijke vergadering enig verschil van mening onder de afgevaardigden of de apocriefe boeken ook opnieuw vertaald en bij de andere gevoegd zouden worden. Het ging daarbij niet zozeer om een verdeeldheid ten aanzien van het wezenlijk verschil tussen de canonieke- en apocriefe boeken. Echter, vooral bij de Nederlandse afgevaardigden was er vrees, dat bij opname “ten laatste door de onkundigen deze geschriften voor Goddelij k en canoniek gehouden zouden worden”. Al te veel had men de gevolgen gezien in de Roomse Kerk. En al te zeer was men overtuigd, dat het om niets anders dan menselijke geschriften ging, waarvan “sommige ook verdichte en valse...” Uiteindelijk besloot men om de apocriefe boeken wél te vertalen en een plaats te geven. Echter in het besluit komt duidelijk openbaar, dat het niet ten koste van de principiële overtuiging gaat. Zo wordt besloten “dat het niet nodig schijnt te zijn in de overzetting zulke zorgvuldigheid te gebruiken, als wel in de overzetting der Canonieke boeken vereist wordt”. Ook moesten ze met “andere, mindere letters gedrukt worden”, terwijl aan de kant alle plaatsen aangetekend en wederlegd moesten worden, die met de waarheid der Canonieke boeken zijn strijdende, en voornamelijk al degene, die de Papisten tegen de Canonieke waarheid uit deze boeken voortbrengen”. Tenslote mochten ze ook niet aan het eind van het Oude Testament worden opgenomen, maar na al de canonieke boeken, achter het Nieuwe Testament. Zo wilde men het onderscheid duidelijk uit laten komen. Eigenlijk wilden de Nederlandse afgevaardigden wel helemaal van opname af! We kunnen immers lezen in de acta van de tiende zitting “hoewel te wensen ware, dat al deze Apocriefe boeken nooit bij de Heilige Schriftuur waren gesteld geweest”.

De Kerk kan ze lezen

De apocriefe boeken worden hier genoemd, althans de Oud-Testamentische. Er bestaan ook nog andere, uit de Nieuw-Testamentische periode, die al eerder door de kerk zijn afgewezen. We kunnen die dus voorbijgaan. Vermeld worden: 3 en 4 Ezra, Tobias, Judith, het boek der Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, hetgeen toegevoegd is aan het boek Esther, het gebed van de drie mannen in het vuur, Susanna, Bel en de Draak, het gebed van Manasse, twee boeken der Maccabeën.

Van deze boeken wordt nu gezegd, dat de Kerk ze kan lezen. “Dewelke de Kerk wel lezen kan en daaruit ook onderwijzingen nemen....” Onze belijdenis verwerpt het goede gebruik van de apocriefe geschriften niet. Er zijn er onder, die gedeelten bevatten, die voor ons een zekere waarde hebben. In het begin van dit artikel is al gewezen op bijv. de boeken van de Maccabeën. Ze bevatten een, naar men over het algemeen aanneemt, betrouwbare aanvulling van wat we niet weten uit de Bijbel over de geschiedenis, voorafgaand aan de Nieuw-Testamentische tijd. Het is een belangrijke periode uit de geschiedenis van het Joodse volk. De trouw des Heeren tegenover de aanslagen van de vijanden in de bewaring en leiding van het volk der belofte komt vooral in het eerste deel uit. Het is alleen maar te betreuren dat dergelijke lectuur door velen niet meer gelezen wordt.

Er wordt ook gesproken van “onderwijzingen”. Ook die zijn er in de apocriefe boeken. De spreuken bijv. in het boek Jezus Sirach. Het is een verzameling spreuken, die veel geode raad bevatten, de vrucht van de vreze Gods in het leven. Het is niet moeilijk er voorbeelden van te noemen. Zó Jezus Sirach 21 : 2-4: “Vlied voor de zonde als voor een slang; want indien gij haar te nabij komt steekt zij U. Haar tanden zijn als leeuwetanden en doden de mens. Elke zonde is als een scherp zwaard en wondt, dat niemand het genezen kan”.

Wonderverhalen

In de apocriefe boeken vinden we ook veel, dat direct strijdt met wat we in de canonieke boeken vinden. In Judith bijv. wordt een verhaal gegeven dat niet alleen zeer “wonderlijk” aandoet, maar bijv. ten onrechte Nebukadnezar koning van de Assyriërs noemt, die na de ballingschap tegen Israël strijdt! Het boek Bel geeft een fantastisch verhaal over Daniël, dat onwaarschijnlijk lijkt en in de verte herinnert aan Daniël 6, de aanval op het gebed van Daniël. Daniël weigert volgens dit apocrief geschrift de God der Perzen (Bel) te aanbidden. De koning der Perzen spreekt hem er over aan en wijst op het eten door die afgod van de offerspijze en drank, die elke dag voor hem werden neergezet. De koning wist niet dat er een heimelijke gang was, die de priester gelegenheid gaf dat voedsel te eten en die drank te drinken. Wat gebeurt er? De koning beveelt, dat het eten en drinken voor het beeld gebracht werd. Als het zou blijken, dat het voedsel gegeten en de drank gedronken was, dan zou Daniël sterven. Wat doet Daniël? Hij beveelt zijn knechten, dat zij as zullen strooien in de gehele tempel. De volgende dag blijkt het, dat alles gegeten en gedronken is, terwijl de deur, die toegang tot het beeld gaf, met de ring van de koning verzegeld is. Niemand anders dan het beeld zou dit gedaan hebben. Het betekent, dat Daniël zou moeten sterven. Toch het gebeurt niet. Immers Daniël wijst op de voetstappen in de as. Het kost uiteindelijk niet Daniël maar de priesters het leven. Met opzet vertel ik dit verhaal voor wie niet beschikt over een boek met de apocriefe geschriften. Het is een “wonderverhaal”, dat meer tot verheerlijking van Daniël dan van God is.

Er zouden meer voorbeelden te geven zijn. Wat opvalt is vooral het prijzen van een wetsgetrouw leven, waarin toch alle diepgang gemist wordt. Zo geheel anders bijv. dan in Psalm 119 waari de zegen van het leven naar de Wet óók spreekt, doch vanuit de achtergrond van het wonderwerk Gods. Beïnvloeding van de Griekse wereld, waarin de Joden in de tijd van het ontstaan van de apocriefe geschriften hebben geleefd, is hier zeker door velen terecht aangewezen. Door die beïnvloeding is er weinig het spreken over zonde en genade. We kunnen hier wijzen op het gebed van Manasse, dat enerzijds wél getuigt van zijn eigen zonden, die “zijn als het zand der zee”, maar anderzijds ook deze woorden bevat “nademaal Gij een God der rechtvaardigen zijt, zo hebt Gij de boete niet opgelegd de rechtvaardigen, Abraham, Isaak en Jacob, die niet tegen U gezondigd hebben....” Het lijkt me niet tevéél gezegd, dat de verdienstelijkheid der goede werken hier geen vreemde gedachte is.

Niet de kracht en het vermogen

Wie artikel 6 goed leest en verstaat zal erkennen, dat het uitgaat van de Goddelijke oorsprong van de canonieke boeken. De kerk kan de apocriefe boeken lezen en er onderwijzingen uit nemen. Het blijft onderworpen aan wat beleden is over de Goddelijkheid der Heilige Schrift. Het gaat om onderwijzingen “voor zoveel zij overeenkomen met de Kanonieke boeken”. Het blijkt hier zonneklaar, dat onze belijdenis geen voet geeft aan de gedachte, dat de apocriefe geschriften aanleiding zouden zijn om de belijdenis van de Goddelijke oorsprong te ondermijnen. Die apocriefe boeken behoren niet tot de profetische Schriften, waarvan het Woord Gods Zélf spreekt!

Zo lezen we aan het eind “maar zij hebben zulk een kracht en vermogen niet, dat men door enig getuigenis van deze enig stuk des geloofs of der Christelijke religie zou kunnen bevestigen: zover is het van daar, dat zij de autoriteit van de andere, heilige boeken zouden vermogen te verminderen”. Deze woorden spreken voor zichzelf: geen woorden of gedeelten, van welk apocrief boek ook, zijn funderend voor geloof en leven. Alleen de canonieke boeken hebben Goddelijk gezag. De zinsnede “zulk een kracht en vermogen niet” moet wel apart tot ons spreken! Dat heeft het eigen Woord Gods wél. Dit Woord heeft kracht en vermogen in Zich-Zelf. Het ademt Goddelijke kracht en komt met Majesteit tot ons. Hoe kunnen wij er koud en onbewogen onder zitten, alsof het een apocrief geschrift is, een menselijk boek! Wie de kracht van het Woord in eigen leven kent en er smaak in gekregen heeft, wordt ernaar getrokken en begeert daaruit onderwezen te worden ten leven. In dat Woord wordt de Christus ontdekt, de zaligheid in de Drieeënige God. De Heilige Geest doet de kracht en het vermogen van dat Woord leven in het hart van allen, die de Heere vrezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis 6.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken