Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MEDITATIE

5 minuten leestijd

“Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!’

Hoe duidelijk tekent de Heilige Schrift ons de Heere, Die, naar Hij Zelf betuigt, Zijn handen uitbreidt, de gansen dag tot een wederstrevig volk, een volk dat wandelt op een weg die niet goed is, naar hun eigen gedachten. (Jes. 65 : 2).

Ook Jeremia 3 toont ons duidelijk de aard van het verbondsvolk. Maar ook wordt ons de goedertierenheid des Heeren getoond. Die goedertierenheid komt juist tegen de zwarte achtergrond van de zonde zo heerlijk openbaar. Ook in de bovengenoemde tekstwoorden. Het volk wordt genoemd: afkerig. De wil is verdorven. Het volk wandelt in grote dwaasheid naar het goeddunken van hun boos hart. Hierin wordt ons beeld getekend. Een mens is altijd al hetzelfde geweest. Door Adams val is de verdorvenheid tot alle mensen doorgegaan. En zoals de profeet Jeremia het volk door middel van de prediking hun boosheid moest voorhouden, zo moet de Heere het vandaag de dag nóg doen. Door Woord en Geest opent Hij blinde zielsogen. Mensen gaan zien hoe boos, hoe verdorven zij zijn.

Zijn ook uw ogen in beginsel reeds daarvoor geopend? Dan komt er berouw. Inkeer tot onszelf. Dan wordt er geween en smeking gehoord, zie vers 21. Heeft de hemel het van u reeds mogen horen? Denk aan de bekende gelijkenis van de verloren zoon. De vader zag zijn zoon van verre. Heeft Hij u reeds van verre gezien, door schuldbesef getroffen en verslagen? Hoort Zijn welmenende lokstem, o zondaar! Vrees niet, als gij vanwege uw schuld niet durft te naderen. Vrees niet, als gij het wederom verdorven hebt. Wanneer hebt u het eigenlijk wél eens goed gedaan? Vrees niet, maar keer weder!

Het komt uit Gods eigen mond. Welk een wonder van genade. Het is God tegen Wie wij gezondigd hebben. Welnu, déze God, roept tot zondaren: keert weder. U hebt niets mede te nemen dan uw schuld. U mag alles achterlaten, dan alleen uw kwaal. “Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden! (vers 13a). U mag komen zoals u bent. Maar u kunt niet blijven zoals u bent. U moet van uw afkeringen genezen worden.

Een zondaar meent dat hij zich eerst moet opknappen om tot de Heere te kunnen naderen. Maar dat is alleen zo als u bij de koningin op bezoek gaat. Past u zich dan alstublieft een beetje aan, aan die koninklijke sfeer. Maar bij de Koning der koningen kunt u zich niets anders voordoen als dat u werkelijk bent. Hij ziet door de buitenkant heen uw verdorven hart.

Maar: Hij zal uw zondekwaal genezen. U moet veranderd worden. De zondekwaal is dodelijk. Het is bovendien een kwaal, waar u zelf schuldig aan bent. Het is niet zo, dat u er niets aan kunt doen, dat u zo bent. Het is een grote zonde.

Wat is het middel in de goddelijke apotheek tegen de kwaal der zonde? Dat is het dierbaar bloed van Christus. God moet de zonde straffen. U kunt voor Hem niet bestaan, afkerig kind! Maar God heeft, eer Hij de zonde ongestraft liet blijven, die gestraft aan Zijn Eigen lieve Zoon! Voor afkerige kinderen, die hun afkerigheid mogen kennen, is er vergeving in het bloed van Christus. Wat een zegen, als een verloren zoon wenend in de armen van zijn vader ligt, en de bewijzen van diens liefde mag smaken. Wat een zegen, als een verloren mens door Woord en Geest vertroost mag worden, vertroost mag worden om en in Christus, het Lam Gods.

Wie met ogen des geloofs op dat bloed mag zien, zal ondervinden, dat dit bloed niet slechts verzoent, maar het verandert, het vernieuwt, het heiligt ook. Je gaat er door veranderen. Er komt een liefdesbetrekking op de Heere Jezus. En waar die liefdeband met Hem mag functioneren, daar ben ik de zonde een ogenblik de baas.

Ja, de zonde gaat mij de dood worden. Ik ga de zonde afsterven. Zo geneest de Heere de Zijnen van de dodelijke zondekwaal. Hoe kleeft onze ziel nog aan het stof. Hoe hebben wij naar ons bestaan de zonde nog lief. Hoe moeten de kastijdingen Gods kind op zijn plaats brengen en houden. Dan komt de hemelse Geneesheer er in ons leven aan te pas met wellicht een bittere pil ter genezing. Een zieke ontvangt nog wel eens een injectie. Het operatiemes moet er wel eens in. Maar het is alles tot ons bestwil. We gaan de genezing liefkrijgen. We gaan er naar verlangen om “beter” te zijn. Zoals een ziekenhuispatiënt er naar verlangt om naar huis te mogen, zo gaan Gods kinderen ook verlangen naar “Huis”. Daar waar geen inwoner meer zal zeggen: Ik ben ziek. Hier in beginsel komen zij aan, door het goddelijk licht geleid: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE onze God. De HEERE, de trouwe Verbondsgod. God in Christus, de gehoorzame Knecht des HEEREN. Die het Vaderhuis verliet om de weg te banen naar datzelfde Vaderhuis voor verloren zonen en dochteren. O, wat dunkt u van deze Christus?

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken