Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis 8.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis 8.

10 minuten leestijd

De Drieënige God

In de artikelen 8 en 9 wordt de Drieëenheid Gods beleden. We kunnen het kort samenvatten. God is één in Wezen en drie in Personen. Zo hebben we het onder ons van kind af aan in de prediking gehoord en op de catechisatie geleerd. Het gaat om een grote verborgenheid en tegelijk om een fundamentele zaak, die beslissend is voor de zaligheid. Onze belijdenis gaat er niet vlug aan voorbij en besteedt er twee artikelen aan. In het eerste - artikel 8 - wordt de inhoud van deze belijdenis uitgewerkt. In het tweede - artikel 9 - wordt het bewijs van de Drieëenheid gegeven.

Allereerst moet in de tekst de aansluiting opvallen aan het voorgaande. We hebben al gehoord van de enige God in artikel 1. Daarna is beleden de openbaring van God en hoe deze tot ons komt in de Heilige Schrift. En nu begint artikel 8 met een duidelijke verwijzing naar de belijdenis van het geschreven Woord Gods: “Volgens deze waarheid en dit Woord Gods zo geloven wij in een enige God, Die een enig Wezen is, in hetwelk zijn drie Personen...”. Gelijk wordt hier de overeenstemming met Gods Woord gesteld. Alleen Gods Woord is de waarheid. Dat Woord alleen kan ons beslissend zeggen, Wie God is. Het is niet een uitvinding van een mens. Het is geen gedachte van een wijsgeer. Het geloof in de Drieënige God wordt bepaald door het Woord van God. In het volgende artikel wordt dit nader uitgewerkt, maar hoe goed is het dat het al staat aan het begin! Het raakt de eer van God, dat Hij niet anders beleden wordt dan zoals Hij Zelf gesproken heeft. Het is tegelij k het hoogste belang van de Kerk des Heeren, dat het geloof geen denkbeeld van God zoekt, maar zoals Hij is naar Zijn eigen Woord.

De wijze van belijden

Vaak wordt er in onze tijd - zoals trouwens ook al in de tijd van de opstelling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis - bezwaar gemaakt tegen de wijze, waarop in dit en het volgende artikel de Drieënige God beleden wordt. Men wijst dan op het gebruik van woorden als Personen en Drievuldigheid. Ik teken daarbij aan, dat de laatste uitdrukking in art. 9 een ander woord is voor Drieëenheid. Men zegt dan: déze wijze van spreken is niet direct ontleend aan de Schrift en vrucht van menselijk denken.

Het valt op, dat vooral zij, die deze belijdenis in het verleden verworpen hebben óf vandaag verwerpen, zich zo druk maken over deze uitdrukkingen. Deze hebben trouwens hun plaats gekregen in de strijd tegen deze ketters, die niet wilden weten van de Drie-ënige God. We kunnen zulke woorden al vinden in de geloofsvorm van Athanasius. Het is dan ook geen wonder, dat velen vandaag hun best doen om die belijdenis af te kraken. Het zou een uitéénzetting zijn, die.... “de redding van zondaren niet met de heilsgeschiedenis verbindt, maar aan een abstracte eeuwigheid ophangt”. Het blijkt telkens weer, dat het uiteindelijk niet gaat om de bezwaren tegen bepaalde termen, maar tegen de schriftuurlijke inhoud van de leer van de Drieëenheid. Trouwens: hoeveel moeilijke uitdrukkingen worden niet ingevoerd door hen, die deze belijdenis bestrijden of die in eigen schema inpassen!

Wat moeten we zeggen van deze uitdrukkingen? Ze zijn niet direct aan de Bijbel ontleend. Zou het dáárom verkeerd zijn, als ze tóch weergeven, wat in Gods Woord duidelijk geopenbaard wordt? Calvijn heeft van deze bezwaren al geweten. Hij schrijft er over, als hij in de Institutie-boek I, hoofdstuk XIII, 3-handelt over de Drieënige God. Hij neemt het óók op voor het spreken overeenkomstig de Schrift. Dan kunnen we echter lezen: “Maar wat is er tegen om dingen die in de Schriften voor ons begrip ingewikkeld en moeilijk zijn met duidelijker woorden uit te leggen, maar toch met woorden, die vromelijk en getrouwelijk de waarheid der Schrift zelf dienen....?” Het is ook goed te letten op wat aan het eind van dit gedeelte door hem wordt opgemerkt: ”En wanneer dan bewezen zal zijn, dat de kerk door de grootste noodzaak gedwongen wordt om de woorden “Drieëenheid” en “Persoon” te gebruiken, en iemand dan de nieuwheid der woorden laakt, zal men dan niet met recht oordelen, dat hij het licht der waarheid onwaardiglijk draagt, daar hij slechts dit laakt, dat de waarheid helder en duidelijk gemaakt wordt?” Moeten we niet zeggen: dat is in de roos geschoten? Het geldt heel vaak: men moet de belijdenis niet, omdat deze de waarheid helder en duidelijk maakt.

Een grote verborgenheid

Gods Drieëenheid is een grote verborgenheid, die ons verstand ver te boven gaat. Vanouds heeft men geprobeerd met allerlei beelden uit de natuur deze voor te stellen. We kennen allen het meest aansprekende beeld: vader, moeder en kind. Ook wordt wel getracht de Drieënige God voor te stellen door een berg met drie toppen of een driehoek met drie hoeken binnen hetzelfde meetkundig lichaam. Het blijft proberen.... immers geen beeld kan ons voorstellen, wat deze verborgenheid inhoudt. Het heeft ons ook wat te zeggen, dat onze belijdenis niet probeert deze verborgenheid op een of andere manier te verklaren. Hier is geen indringen met het verstand in wat ons niet geopenbaard is, maar een getuigenis van wat Gods Woord zegt in woorden, die door de eeuwen heen beproefd zijn.

De éénheid van God wordt hier allereerst beleden. Héél Gods Woord spreekt daarvan. Er is maar één God. Hij is één in Wezen. Toch getuigt datzelfde Woord van 3 Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Zo groot is God, dat Hij in drie Personen bestaat. Onze taal is te arm om het weer te geven. Toch is het goed hier op te merken, dat we niet zeggen: God bestaat “uit” drie Personen, maar God bestaat “in” drie Personen. Geen verdeling maar de volheid van God belijden we. De volheid van het Goddelijk leven komt in de drie Personen openbaar.

De drie Personen zijn onderscheiden. Zij zijn geen drie namen of drie verschijningsvormen van dezelfde Goddelijke Persoon, zoals in het aardse leven een huisvader verschillende functies heeft. Nee, deze drie Personen zijn, zoals art. 8 belijdt: “in der daad en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen”. De onmededeelbare eigenschappen.... we zullen begrijpen dat deze uitdrukking hier niet gebruikt wordt voor Gods eigenschappen naar het schepsel toe maar voor de eigenschappen van de drie Personen in onderlinge verhouding. “De Vader is de oorzaak, oorsprong en begin aller dingen, zowel zienlijke als onzienlijke”. Uit de Vader zijn alle dingen.

Hij is de Fontein van alle leven. “De Zoon is het Woord, de Wijsheid en het Beeld des Vaders”. Hij ontvangt het leven uit de Vader. Hij is “het Afschijnsel Zijner Heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid” (Hebreën 1: 3). Hij is het Woord, in Wie de Vader spreekt. “De Heilige Geest (is) de eeuwige Kracht en Mogendheid, uitgaande Van de Vader en de Zoon”. Van beide, Vader en Zoon, gaat de Heilige Geest uit. Hoe vol troost voor al de Zijnen!

Toch die drie bestaanswijzen maken geen drie Goden. Het Wezen Gods is niet gedeeld. Alle drie Personen hebben één en hetzelfde Wezen. Zij vormen niet ieder een derde deel. Zij zijn alle drie God. Zij horen bijeen in alle onderscheid. Zij zijn “niet gedeeld noch ondereen gemengd”. Enerzijds: “de Vader is niet de Zoon, de Zoon niet de Vader en de Heilige Geest niet de Vader noch de Zoon”. Anderzijds: “de Vader is er niet zonder de Zoon en zonder de Heilige Geest”. De Vader is volkomen God, zoals ook de andere twee Personen. Toch vormen ze geen drie Goden maar de éne God.

Hier is op zij n plaats wat we kunnen lezen bij v.d. Kemp in de catechismuspreek over Zondag 8: “Wilt niet te diep met uw verstand in deze verborgenheid indringen maar gelooft ze eniglijk op Gods getuigenis....”.

Drieëenheid en zaligheid

De belijdenis van de Drieënige God is gericht op de zaligheid van arme zondaren. Hier is het geloof aan het woord, ook in dit belijden. Dat geloof weet: alleen in die God, Die één is in Wezen en drie in Personen, ligt de volle zaligheid vast van de Kerk des Heeren. Héél de verlossing komt uit de Drieënige God. De Vader heeft in eeuwig welbehagen de verlossing uitgedacht. De Zoon heeft de verlossing gegrond in Zijn Middelaarswerk. De Heilige Geest past de verlossing toe in zon-daarsharten.

God is volzalig in Zich-Zelf. Dat belijden we ten volle. Hij is de grote God, Die niemand en niets buiten Hem nodig heeft. Zo is Hij ook de Drieënige met al de volheid in Zich-Zelf. Het is goed en dringend nodig, dat we dit in onze dagen onderstrepen. In veler beschouwingen over de Drieënige lijkt het wel alsof het van mensen afhangt, dat Hij zó is. We denken aan het afhankelijk stellen van de Drieënige God van het z.g.n. partnerschap tussen God en de mens. Het miskent de grootheid en hoogheid Gods, Wie Hij is in Zich-Zelf.

Maar tegelijk is er in die God alles wat arme zondaren nodig hebben. Hij kan en wil juist zo’n God zijn, Die voor schuldige zondaren een God ter zaligheid is. In die God is de zaligheid te vinden, vergeving der zonden en het eeuwige leven. Het staat er hier niet voor niets “Want de Vader heeft het vlees niet aangenomen, noch ook de Heilige Geest, maar alleen de Zoon”. Het wil onderscheid tussen de drie Personen benadrukken, maar toch is er de herinnering aan het “aannemen van het vlees”, waardoor er verlossing is voor verloren Adamskinderen. En hoe rijk is de betuiging aan het eind dat de drie Personen alle drie één zijn in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barmhartigheid”. Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij hebben Zich verbonden in eeuwige vrijwillige liefde om de verlossing ten volle waar te maken, gestalte te geven tot in de eeuwige heerlijkheid voor mensen, die in zichzelf niet anders dan de eeuwige doem hebben verdiend. Zo ligt in de Drieënige God de volle waarborg voor het levend geloof van de volkomen zaligheid.

De belijdenis van de Drieënige God is voor onze vaderen geen abstractie geweest. Zij hebben eruit geleefd en de troost eruit gekend. We kunnen er van lezen in het Doops-formulier en de gebeden in ons psalmboek. Daarin heeft de Drieënige God telkens zo’n grote plaats. De wereld spot tot de dag van vandaag met deze belijdenis. Het ongeloof bestrijdt deze. Het schijngeloof past die aan bij een godsdienst, die niet van zonde en genade weet. Maar voor die God vrezen ligt hier een rijke troost. En hoe nodig is het, dat uit die troost door de kerk des Heeren geleefd wordt. Helaas moet gezegd worden dat de prediking in onze tijd vaak zo weinig getuigt van het werk van een Drieënig God. We hébben deze belijdenis, maar in de praktijk functioneert deze zo mager. Ook in het persoonlijk leven van Gods kinderen wordt er weinig van gehoord. Laat het ook onder ons, die aan deze belijdenis gehecht zijn, gezocht worden: de beleving van het heil in de Drieënige God. Er is een rijk uitzicht voor allen, die in levend geloof van een Drieënig God in hun leven weten. Vader, Zoon en Heilige Geest maken het Woord waar, alle beloften worden bevestigd tot in de eeuwige zaligheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis 8.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken