Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis 10.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis 10.

10 minuten leestijd

De Drieëenheid beleden en bestreden

Vorige keer kwamen we met de behandeling van art. 9 nog niet tot het eind. Het laatste gedeelte, dat gaat over de strijd tégen- en de bewaring van de belijdenis der Drieëenheid, moet nog besproken worden. Het lijkt mij belangrijk om aan dit onderwerp een afzonderlijk artikel te wijden.

Wellicht zegt iemand: heeft het werkelijk zin om hier apart aandacht aan te geven? Het gaat immers allereerst al over een gedeelte, dat allesbehalve gemakkelijk te verstaan is en zich ook niet zo eenvoudig laat vertolken. De rij namen van ketters, die hier genoemd wordt, nodigt dan ook bepaald niet uit om er diep op in te gaan. Het schijnt meer een bezigheid voor iemand, die theologie studeert dan voor een eenvoudig gemeentelid. Dan: men zal er op wijzen dat een strijd van zovéél eeuwen geleden toch niet meer actueel genoemd kan worden. Het gaat hier om mannen, die allen geleefd hebben in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Sommigen gaan nog verder. Zij zetten niet alleen een vraagteken achter de zin van dit belijden, maar spreken ook met stelligheid over het onnodige daarvan. Totaal zinloos achten zij het om over die oude verschilpunten te praten. Leven we niet in een tijd, dat velen afhaken van de kerk? Dat in veel gevallen het bestaan van God nog nauwelijks erkend wordt? Het woord “Godsverduistering” wordt in dit verband veel gebruikt. Welnu, zegt men, wat moet je met het ophalen van zo’n strijd in die situatie? Haast ben je geneigd te zeggen, dat die zo spreken eigenlijk zeggen: wat moetje met het belijden van een Drieënige God in zo’n situatie? Het bezwaar tegen het spreken over de strijd tegen - en het belijden van - vallen vaak samen.

Het is daarom goed iets te zeggen over de plaats van de strijd tegen het belijden van de Drieënige God in artikel 9. Hier is niet de lust om deze breedvoerig te vermelden. Dan zou er trouwens wel meer van te vertellen zijn. Hier spreekt veeleer de lust om het belijden van de Drieënige God te onderstrepen.

Ongetwijfeld was er aanleiding voor Guido de Bres in de historische omstandigheden van toen. Het verwijt van de Roomsen was er, dat de Reformatie een nieuwe leer bracht. Er waren ook in die tijd allerlei secten, die afweken van de belijdenis van de Drieëenheid. Zo werd hier duidelijk beleden dat de Kerk van de Reformatie onveranderd deze belijdenis wilde handhaven en de afwijkingen bestreed in de lijn van de eerste Christelijke Kerk.

Dit betekende toch tegelijkertijd de benadrukking van deze belijdenis in het raam van wat in het geheel beleden wordt. Wie de Drieënige God is tot zaligheid. Daarom moet het hier opvallen dat er eerst aan het éind over de bestrijding van deze leer gesproken wordt. Niet de strijd is uitgangspunt, doch het belijden. Ook overheerst in dit gedeelte de positieve toon: “Deze leer van de Heilige Drievuldigheid is altijd beweerd en onderhouden geweest bij de ware Kerk van de tijden der apostelen af tot nu toe....”.

Ondertussen is wat hier over de strijd tegen deze belijdenis gezegd wordt ook vandaag actueel. Calvijn heeft het in de Institutie bij de behandeling van ditzelfde onderwerp over Satan, die ook tegenwoordig uit de oude vonken een nieuw vuur tracht aan te wakkeren”. Het zou ook in onze tijd geschreven kunnen zijn. Het blijft ook zo vandaag nodig de bedreiging van de belijdenis der Drieëenheid te verstaan, opdat de boodschap van deze God helder mag blijven klinken.

De Islam en deze belijdenis

Als bestrijders van de Drieëenheid worden hier het eerst genoemd de Joden en Mohammedanen. Opmerkelijk is hier dat er zó ook aandacht gegeven wordt aan de Islam. We hebben vandaag met deze oprukkende wereldgodsdienst te maken tot in onze eigen omgeving. In veel dorpen en steden wonen de buitenlandse werknemers, die voor een deel aanhangers van de Islam zijn. Het valt op dat zelfs zij, die weinig van het Christendom kunnen vertellen, wél weten van de Drieëenheid. Het is hun algemene gedachte: “Wij belijden één God, maar jullie Christenen hebben drie góden...”.

In de Koran, het bekende boek van de Islam, wordt op meer dan eenplaats ingegaan tegen de gedachte van een Drieënig God. Vooral Jezus wordt als Zoon van God geloochend. Daarbij is de voorstelling opmerkelijk, alsof de Christenen Jezus zouden beschouwen als een lichamelijke Zoon van God. We kunnen van die bezwaren én voorstelling lezen in de Koran bijv. soera (hoofdstuk) 4:171: “Gelooft dan in Allah en zijn boodschappers. En zegt niet: drie. Houdt daarmede op: dat is beter voor u. Immers Allah is een enig God, ver is het van Zijn lofprijzing dat Hij kinderen zou hebben....”.

De loochening van de Drieënige God en de misverstanden rondom de belijdenis van Hem vormen mede de moeiten, die zich voordoen bij de benadering van de Moslems met de prediking van het Evangelie. Verdoezelen van dit onderscheid tussen Christendom en Islam is niet alleen in strijd met Gods Woord maar betekent ook het onthouden van de boodschap van Gods genade in Christus aan onze naaste. Hier is de roeping van de Kerk om die God te prediken ook aan de Mohammedanen, Die in Christus zondaren zaligt en door Zijn Geest toebrengt uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Valse Christenen en ketters

Verschillende namen worden hier genoemd van hen, die binnen het christendom de belijdenis van de Drieënige God hebben bestreden: Marcion, Mani, Praxeas, Sabel-lius, Samosatenus, Arius. Het is niet mijn bedoeling hen ieder afzonderlijk te bezien. Het zou te ingewikkeld worden. Daarom maar enkele lijnen om het verwoestende van hun gedachten te laten zien. Zij zijn -zegt hier artikel 9 - “met goed recht door de Heilige Vaders veroordeeld geweest”.

Marcion en Mani nemen hier een aparte plaats in. Marcion maakte een scheiding tussen de rechtvaardige God van het Oude Testament en de goede God van het Nieuwe Testament, Die het Evangelie gegeven heeft en Zich in Christus openbaarde. Mani had soortgelijke en nog verder gaande gedachten.

Verder zien we hier twee richtlijnen. Die van Arius (in dezelfde lijn: Samosatenus) en die van Sabellius (in dezelfde lijn: Praxeas). De eerste loochende de Godheid van Christus en in wezen ook die van de Heilige Geest. Alleen de Vader is de eeuwige God, de Ongeborene. De Zoon is het eerst Schepsel van de Vader. Hij wordt tot God verheven. Er is een rangorde van meer en minder tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De tweede wil wel van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest spreken. Alleen: als openbaringsvormen van één en dezelfde God. God treedt te voorschijn als Vader, als Zoon en als Heilige Geest, zoals een man drie functies kan hebben; man van zijn vrouw, vader van zijn kinderen en eigenaar van zijn bedrijf. Men spreekt tegenwoordig bij voorkeur over modaliteiten in de kerk. Het kan een bedriegelijke aanduiding zijn om de wezenlijke verschillen te bedekken. Die van het Woord Gods en de belijdenis afwijken zijn maar geen onschuldige modaliteit in de kerk. Zo zouden er van God verschillende “verschijningsvormen“ zijn.

Wat ons duidelijk moet zijn is hier dat deze gedachten producten zijn van de menselijke geest, die niet wil buigen voor het Woord. Zij zijn God-onterend. God wordt alleen geëerd, ook al gaat het boven ons verstand uit, in de erkenning van Zijn Woord. Zij zijn óók gericht tegen de verlossing van arme zondaren.

Hoe onmogelijk zou die verlossing zijn bij de voorstelling van de rangorde van meer en minder tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. Nooit zou de verlossing verworven zijn door de Zoon en nooit zou de Heilige Geest één zondaarshart die deelachtig kunnen maken. Hoe onzeker zou de verlossing zijn bij de voorstelling van één God met drie verschijningsvormen. Een verschijningsvorm kan nooit zaligen, alleen God Zelf.

Tot nu toe

De ware Kerk is niet bezweken bij de verleiding, die van de menselijke gedachten over de Drieënige God is uitgegaan. Het is te danken aan Gods trouw en genade, waardoor er mannen geschonken worden, die met wijsheid gesproken hebben en de belijdenis van de Drieënige God hebben vertolkt. Onze belijdenis spreekt hier van de “heilige Vaders”. Zij waren van God uitverkoren om de Kerk des Heeren zo te dienen. We kunnen hier denken aan Athanasius, bisschop van Alexandrië, die zovaak verbannen werd vanwege de waarheid Gods en die de gunst van God stelde boven die van de keizers in die tijd.

Door die strijd heen hebben we de geloofsvormen gekregen, waarin de Drieënige God wordt beleden. God heeft door de eeuwen heen de bestrijding van de waarheid gebruikt om Zijn Kerk te brengen tot nadere vertolking van het geloof. Tot de dag van vandaag leggen daar de apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius getuigenis van af. Zij klinken nog door tot de dag van vandaag. Het zou aanbeveling verdienen dat ook de laatste twee door de eredienst - bijv. op bijzondere dagen - meer bekendheid onder ons kregen! Zij bevatten een schat van onderwijzing, die nog al te ver van ons af staat. Dit artikel heeft het ook aan het eind over “hetgeen daarvan door de Ouden in gelijkvormigheid met deze besloten is”. Daarmee worden de synoden bedoeld, die de dwaalleer hebben veroordeeld en de zuivere leer beleden. Met dankbaarheid wordt daarin de leiding Gods erkend. Zo is er de band aan de oude Kerk. De Kerk van de reformatie begeerde daarvan te spreken.

“Tot nu toe”. Het zijn woorden die ook na de opstelling van onze Nederlandse geloofsbelijdenis zijn blijven spreken. Hoe is telkens de belijdenis van de Drieëenheid niet weer bedreigd door allerlei ketters en richtingen. In de tijd van Calvijn maakt Michael Servet de leer van de Drieëenheid bespottelijk. Hendrik de Cock wist in de tijd, net vóór de Afscheiding, van de afwijkende meningen van de z.g.n. Groninger richting. Hij schrijft aan zijn voorganger in Ulrum, de latere prof. Hofstede de Groot, ook over de Drieëenheid. Hij had met hem een gesprek gehad, waarin mede deze zaak besproken was. Hoe scherp heeft ds. de Cock opgemerkt, waarom het te doen is. “Wij spraken.... over de H. Drieëenheid, welk woord door u afgekeurd werd, gelijk ik weet dat dit heden ten dage algemeen het geval is, maar ik ondervind ook meer en meer, dat die het woord afkeuren ook de zaak verwerpen....”.

“Tot nu toe”. Zien we het vandaag niet, hoe de bestrijding van de belijdenis van de Drieënige God onder prachtige woorden doorgaat? We weten van vrijzinnigen en Jehovagetuigen dat zij er tegen zijn, maar hoe gevaarlijk is het als men de namen van Vader, Zoon en Heilige Geest gebruikt maar in wezen niet gelooft in de Drieënige God, Die Zich in Zijn Woord zo geopenbaard heeft. “Tot nu toe”. Het betekent ook dat de Heere deze belijdenis Zelf zal bewaren. Het ontslaat ons niet van de eis om tegen te staan, die daarvan af zoeken te brengen. Maar het blijft de waarheid die het hart verheugt, dat in de Drieënige God alles heeft leren zoeken en vinden. Hij is de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in der eeuwigheid!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis 10.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken