Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vrolijkheid in Gods getuigenissen 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrolijkheid in Gods getuigenissen 1.

10 minuten leestijd

(Toespraak Bewaar het Panddag n.a.v. Psalm 119 : 111 “Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid)

Van dichterbij en verderweg horen we het verwijt: onze prediking zou zo weinig verblijdend zijn. Inhoudelijk zou er in de prediking al weinig gesproken worden over de blijdschap des geloofs. Nog minder zou deze tot die blijdschap stemmen.

Het gaat niet om een denkbeeldig verwijt. Niet lang geleden is er in deze richting openlij k iets gezegd. Op de meest brede vergadering van kerken, die eenheid met ons zoeken, werd opgemerkt, dat de prediking in Bewaar het Pandkringen “triest” maakt. Dat is dus heel wat. Triest betekent: somber, droevig. We zouden ook kunnen zeggen: vreugdeloos. Het is niet de bedoeling breed op de laatste opmerking in te gaan. Enkele vragen kunnen gesteld worden: hoe komt men tot zo’n benadering? Verstaat men wel onze begeerte om onderscheidenlijk te preken? Is het niet naar de Schriften om onderscheid te maken tussen de valse en ware blijdschap? Tussen de ongegronde vreugde en die gegrond is in Christus?

Het positieve willen we benadrukken! Dat gaat ons allen aan. Er is geestelijke blijdschap in het leven van die God vrezen. In de rechte verkondiging heeft die een plaats. De Heilige Geest werkt die onder de prediking naar Gods welbehagen.

Zouden we van de vreugde in God kunnen zwijgen? Gods Woord doet het niet. Op zoveel plaatsen in Oud- en Nieuw Testament wordt ervan gesproken. In de Psalmen niet het minst. We lezen van het gemis van de vreugde in God, van het hijgen ernaar, van de genieting ervan in het hart.

Psalm 119 zingt ook van de blijdschap. Die kan ook niet afwezig zijn in het “abc des geloofs”. Door heel de psalm heen gaat het erom. Tot twee maalwordt het woord gebruikt, dat er in bijzondere zin op doelt: vrolijkheid. In vers 14: “ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen dan over alle rijkdom”. en dan het vers, dat voor ons uitgangspunt is: “ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid”.

Hier is onderwijs in de ware vreugde des harten. Noem het maar “vrolijkheid”. In onze Statenvertaling wordt dit woord weergegeven door vreugde én vrolijkheid. Het zegt ook iets van de uiting der blijdschap. We zijn misschien bang voor dit woord. Is er geen “vrolijk” christendom, dat ons benauwen moet? Het is er. Echter een ongegronde blijdschap is geen oorzaak om dan maar te zwijgen van de ware blijdschap. Het kind van God, dat de vreugde in God door Christus kent, zou dat trouwens niet kunnen.

In het verband.

We behoeven naar de zin van vers 111 niet lang te zoeken. De dichter spreekt van de keus van zijn hart en leven, zoals die door Gods genade is. Gods getuigenissen zijn hem tot een eeuwig erfdeel. Zij zijn voor hem “het beste, het meest bestendige goed” (kanttekening Statenvertaling). Een mens in deze wereld is erg ingenomen met een erfenis. Toch... het blijft een aardse erfenis. Het geld of goed, dat we erdoor krijgen, is tijdelijk. Het kan zelfs zijn, dat iemand wel de erfenis in toezegging heeft, maar die nooit ten deel krijgt door allerlei omstandigheden. Gods getuigenissen zijn echter voor die de Heere in waarheid kennen een ééuwig erfdeel. Zij spreken van het goed, dat alles inhoudt in leven en in sterven.

In dat verband wordt het hier gezegd, dat die getuigenissen zijns harten vrolijkheid zijn. Zij zijn voor hem een oorzaak, een bron van wezenlijke, diepe vreugde. Hij vindt er het leven en de zaligheid in. Zo groot is de waarde van Gods getuigenissen voor de dichter.

Enig in zijn soort.

Dit woord doet ons allerlei facetten van de ware vreugde zien. Het laat allereerst zien het geheel enige karakter van deze vrolijkheid. Het is een boven-alles-uitgaande blijdschap. Een helemaal eigensoortige vreugde. Geen blijdschap in deze wereld na de val is er ook maar bij benadering mee te vergelijken. De mens van deze wereld verstaat die niet. Eigenlijk kijkt die er vreemd tegenaan. Het is de herstelde blijdschap van het eerste paradijs.

God heeft de mens geschapen tot het leven en de blijdschap. Blijdschap was er in het hart van Gods beelddrager. Het was een blijdschap in het kennen van God, in de gemeenschap met God. Het wandelen in het gebod der liefde was een wandelen met innerlijke vreugde. We zijn die vreugde door eigen schuld kwijtgeraakt. We zijn terechtgekomen in een wereld, waarin de zonde werkt en heerst en alle vreugde, die er nog gelaten is, vergaat.

Er is een blijdschap in het doen van de zonde. Wat laat die na? Hier vaak al wroeging en, als er geen verandering in het leven komt, na de dood het eeuwig wee. Er is een natuurlijke blijdschap. Een jongen is blij met zijn meisje. Ouders zijn blij met het kind, dat zij ontvingen. Blij mogen we zijn met de zegeningen, die God in het leven hier beneden op allerlei manier geeft. We moeten het hier zeggen, dat we arm zijn als onze blijdschap niet verder reikt. Soms is er meer een blijdschap in het verlangen dan in het bezit. En zeker is het dat de blijdschap van het natuurlijke leven buiten de vreze des Heeren eenmaal zeker wegvalt.

Ziet deze vrolijkheid is zo geheel enig omdat die uit Gód geschonken wordt en in wezen Gód tot inhoud heeft. Het is de vreugde die het eigenlijke leven is. Het door genade herstelde leven.

Het zijn de getuigenissen Góds. Uw getuigenissen... daarzingt deze dichter van. God spreekt erin. God openbaart Zich erin. In die getuigenissen ontmoet een arm zondaar in zichzelf de ontfermende God. Dat vervult het hart met ware vrolijkheid door de Heilige Geest. Zo zijn Gods getuigenissen zijns harten vrolijkheid. De hele wereld, alle rijkdom kan zo’n blijdschap niet geven. “Uit al de schat ’t grote wereldrond, is nooit die vreugd in mijn gemoed gerezen, die ’k steeds in Uw getuigenissen vond... ”Inderdaad: nooit! Zo groot is de diepte van die vreugde in God.

De zekere grond.

Nog een ander facet van de ware blijdschap wordt hier aangewezen. Deze is gegrond in Christus. We kunnen dat zien als rondom dit gedeelte de vraag gesteld zal worden: hoe is het mogelijk, dat Gods getuigenissen zijns harten vrolijkheid zijn?

Getuigenissen... het gaat hier duidelijk om bevelen, de geboden Gods. Voor ons besef staan vrolijkheid en geboden tegenover elkaar. In de regel zijn geboden ons niet tot vreugde. Het is geen oorzaak van blijdschap als we voor een stoplicht moeten wachten. Het verblijdt in de regel niet als we een belastingbrief krijgen, die we naar de wet moeten betalen. En zeker in Góds geboden zien we van nature geen reden tot blijdschap. Ons volk acht ze geen blijdschap, gaat liever in de wegen van God en Zijn geboden af. In het godsdienstige leven worden ze door velen als een last ervaren in plaats van dat ze een lust zijn. Uiteraard is het waar, dat dit niet aan de geboden ligt, maar aan ons natuurlijk bestaan, maar tóch voor de natuurlijke mens liggen blijdschap en de geboden Gods mijlenver uit elkaar.

Maar deze dichter kán het zeggen: zij zijn mijns harten vrolijkheid. Hij weet ervan door Gods genade dat ze tegen hem getuigen. Tegen al de geboden Gods heeft hij telkens opnieuw gezondigd. Maar door een waar geloof kent hij die God, Die in Zijn getuigenissen tot Hem spreekt. Hij kent Hem als de God, Die recht heeft op Zijn eer. Maar ook als die God, Die genade schenkt aan arme zondaren. De God, Die genadebeloften heeft. In het licht van die beloften spreken die getuigenissen niet tegen hem, maar zijn ze vol van Gods gunst en verblijden het hart.

We kunnen het ook op een andere manier zeggen: de grond van zijn blijdschap ligt in Christus. Psalm 119 roept om Hem. De getuigenissen Gods zouden leeg zijn, zelfs tegen de Zijnen getuigen, als die Naam hier niet voor het levend geloof werkelijkheid is. In Hem alleen is de eis van Gods Wet vervuld, in Hem alleen zijn de beloften Gods waar geworden. Om en in Hem is er genade voor schuldigen, vergeving voor die naar recht moeten omkomen. Hij is de “verdienende oorzaak” van de vrolijkheid des harten.

Hoe heeft de ware blijdschap een zekere grond in Christus. We kunnen hier in dit verband denken aan Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus. In die Zondag van de waarachtige bekering tot God wordt ook over de vreugde in God gesproken “Wat is de opstanding des nieuwen mensen? Het is een hartelijke vreugde in God door Christus... “Sprekend is hier altijd de wijze van uitdrukken: een vreugde, die in God is maar dóór Christus. Ursinus tekent daarbij aan in het Schatboek”... wij kunnen ons niet verblijden in God tenzij dat Hij verzoend zij. En Hij wordt niet verzoend dan alleen door Christus”.

Zonder Hem is er geen blijdschap mogelijk. Prof. Wisse schreef eens: “De zonde de fontein van alle droefheid en tranen, Christus de fontein van alle vreugde en blijdschappen” Hij is tot zo’n fontein geworden door Zijn schuldverzoenende arbeid. Wat heeft het Hem gekost, dat de tranen van een verbroken zondaar gedroogd zouden worden. In Zijn reinigend Middelaarsbloed heeft Hij oorzaak gegeven om in God verblijd te zijn. Hoe noodzakelijk is het in dit verband dat deze grond tot blijdschap ‘Christus’ recht gepredikt wordt. Er is een prediking, waarin veel over Jezus gesproken wordt, terwijl de schuld verzwegen wordt en de noodzaak van Zijn Borgtocht niet uitkomt. Het brengt een oppervlakkige blijdschap. Men is blij, een kind van Jezus... maar wat betekent het? Het kan anderzijds zijn, dat wél de schuld gepredikt wordt, maar dat Christus verborgen blijft. Eigenlijk is dat een onmogelijkheid voor die God vreest. Die kan niet blijven staan bij de schuld en onmogelijkheid van eigen zijde, maar mag Hem verkondigen, de van God geschonken Middelaar.

Voor het leven der genade is die Christus zo onmisbaar ook tot de blijdschap, de vrolijkheid des hartenn. Er is onderscheid in dat leven. De Heilige Geest schenkt die blijdschap in het hart uit Christus langs de weg des geloofs. Hij maakt in een ontdekkende weg plaats voor Hem en doet uitgaan naar Hem. In die uitgangen is er de blijdschap des harte. Het wonder, dat er in Hem een mogelijkheid is voor rechteloze zondaren in zichzelf is al zo nameloos groot. De Heilige Geest werkt in dat leven der genade langs rechte wegen maar ook langs verschillende wegen naar de kennis en de troost van deze enige grond. Het gaat hier niet om een kil systeem maar om het leven der genade. Dat houdt geen grond in zichzelf over en leert onder God en Zijn recht buigen maar ontdekt in Christus door Woord en Geest de enige grond. En hoe meer die Christus wordt gekend als Profeet, Priester en Koning, des te meer wordt hij de fontein der vreugde en des te voller de vreugde des harten in God.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Vrolijkheid in Gods getuigenissen 1.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken