Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

5 minuten leestijd

Heere, ga uit van mij, want ik hen een zondig mens.

Het was wel een wonderlijke opdracht, die de Heere Jezus aan Petrus gaf, toen Hij tot hem zei: “Steek af naar de diepte en werp uw netten uit om te vangen”.

Want vissen, dat kun je alleen als het donker is. Dat doe je, althans als ervaren visser, niet als de zon schijnt. Overdag vist niemand. En we kunnen dan ook goed begrijpen, dat Petrus, als beroepsvisser, verwonderd opmerkt: “Meester, wij hebben de gehele nacht doorgearbeid en niets gevangen”. Maar zo voegt hij er aan toe: “Op Uw woord zal ik het net uitwerpen”.

Nee, Petrus wil niet ongehoorzaam zijn. Hij heeft ontzag voor zijn Meester. Omdat Jezus het is, Die het zegt, zal hij het net uitwerpen. Maar hij doet het met de gedachte: het zal toch wel niets worden.

Op Uw woord zal ik het net uitwerpen! Ja, dat is geloven. Het net uitwerpen, enkel, omdat Jezus het zegt. Dat doet Petrus. Maar het is met twijfel gemengd. Of liever, met ongeloof. Dat blijkt straks wel overduidelijk uit zijn sprakeloze verwondering en oneindige beschaamdheid over de vangst. Want de vangst is buitengewoon groot. Het net scheurt van de menigte van vissen. Twee scheepjes worden er mee gevuld tot zinkens toe.

En, Simon Petrus, wat zegt ge ervan? Wat Simon er van zegt? Och niet veel. Hij heeft niet veel te zeggen. Hij weet niet, waar hij blijven moet. Hij wil wel wegkruipen van beschaamdheid. Hij had helemaal geen vangst verwacht. En nu dit! Ja, dit is van de Heere geschied. En het is een een wonder in zijn ogen. En, neervallende aan de voeten van Jezus, roept hij uit: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens”.

Met andere woorden: Heere, ik ben Uw gemeenschap niet waard. Het kan niet. Gij, zo oneindig goed. En ik zo vreselijk verkeerd. Gij zo almachtig en al-wijs. En ik zo onmachtig en eigen-wijs. Gij zo vlekkeloos rein. En ik zo zwart-zondig. Nee Heere, wij behoren niet bij elkaar. Ik niet bij U en Gij niet bij mij. En daarom: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens”!

Heerlijke verlegenheid. Verlegenheid, beschaamdheid. Ja, maar toch ook heerlijk.

Nee, Petrus had het hier niet slecht. Want hij ligt aan Jezus’ voeten. En dat is altijd een goede plaats. Als een gans onwaardige in zichzelf, wegkrimpend van schaamte en verlegenheid, maar dan toch aan Jezus’ voeten. Wegsmeltend van verwondering en aanbidding en liefde. Want Jezus is hier alleen groot voor hem. Al wat aan Hem is is gans begeerlijk. Zijn hart ziet Jezus, de ware, de levende Jezus in Zijn grootheid en schoonheid. En dat is zalig.

Jezus zien in Zijn noodzakelijkheid en gepastheid, in Zijn Middelaars-schoonheid en heerlijkheid, dat kunnen wij alleen maar aan Jezus’ voeten, als wij, gebroken in onze eigengerechtigheid en eigen wijsheid en hoogmoed, geen plaats om te staan overhielden. Als wij alleen nog maar kunnen buigen, knielen. Daar, in de diepte van zelfveroordeling en verootmoediging, kan het geloof opbloeien, waar wij overgeschakeld worden van het leven uit eigen kennen en kunnen en vroomheid, op het leven uit Hem, uit Wie Hij is, als de algenoegzame Jezus, Die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden.

Daar in de diepte, aan Jezus’ voeten, daar is ook alleen plaats voor de verwondering, voor de aanbidding, voor de ware blijdschap, voor de dankbaarheid.

Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Heere, het is veel te groot. Gij zijt veel te groot voor mij, arme, onwaardige al-bederver!

Arm, ja dood is het geloof, dat niets verstaat van deze heerlijke verlegenheid.

Arm, ja dood is het geloof, waar het wonder uit is, en de verwondering.

Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Heere, wij passen niet bij elkaar.

Ja Simon, toch wel. Juist wel. Voor “zondige mensen” is Hij gekomen. Voor “zondige mensen” kan en wil en zal Hij alles zijn. Simon, kunt gij alleen nog buigen in schaamte over uw verkeerdheid, uw geloof, uw verdorvenheid? Blijf dan maar liggen aan Jezus’ voeten. Er is geen betere plaats. Daar wordt de rust geschonken!

Lezer, wie deze plaats door genade leert vinden, die is voor eeuwig gebonden. Naast Petrus aan Jezus’ voeten. Daar ben ik niets meer. Daar is Hij alleen alles. Ja gewis ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus.

Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Nee Heere, blijf toch bij mij, want ik kan U niet missen. Zonder U is mijn leven zin-loos.

Heerlijke verlegenheid. Van mij is niets goeds, alles verkeerds te zeggen. Maar spreek toch geen kwaad van de Heere Jezus.

Hij is enkel goed. Oneindig goed.

Aan Jezus’ voeten. Daar, op die plaats, diep in ’t stof gebogen, ruist uit de diepte van een verbroken hart, in zalige verlegenheid de Psalm omhoog:


Loof, loof de Heer’, mijn ziel, met alle krachten;
Verhef Zijn Naam, zo groot, zo heilig t’ achten;
Och, of nu al wat in mij is, Hem,
Hem, Och, of nu al wat in mij is, Hèm prees!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken