Bekijk het origineel

Johannes de Doper 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes de Doper 4.

8 minuten leestijd

Dan, in de derde plaats, vraagt het Getuigenis binnen in Johannes nog een moment onze aandacht.

Van Johannes meldt de Schrift zonder twijfel dat hij z’n tweede geboorte al ontvangen had, toen z’n eerste geboorte nog plaatshebben moest. Dit is het ook wat de engel Gabriël aangekondigd had. Immers, als hij aan Zacharias de boodschap gebracht had dat Johannes met de Heilige Geest vervuld zou worden, dan geeft hij dadelijk er de tijd bij op wanneer die weldaad verwacht mocht worden. Dit zou een werkelijkheid zijn, zegt hij, “ook van zijner moeders lijf aan.” (Luc. 1 : 15). Als wij vervolgens vragen, wanneer de vrucht van de wedergeboorte bij Johannes zich begon te openbaren, dan neemt de Schrift ons mee naar dat woninkje in Judea’s gebergte, op het moment dat daar twee vrouwen elkaar ontmoeten die beiden zich in een gezegende staat bevinden. Als Maria, Jozefs ondertrouwde vrouw, op aanwijzing van dezelfde engel Gabriël, de genoemde woning binnentredt, dan horen wij Elizabeth, vervuld met de Heilige geest, uitroepen: “Vanwaar komt mij dit dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeke van vreugde op in mijn buik.” (Luc. 1 : 42, 44). Op een wijze die wij niet begrijpen, maar waar ons de werken Gods te meer aanbiddelijk door worden, valt de ongeboren vrucht een vreugde te beurt die het in beweging brengt tot opspringens toe. Wat kan het ons vandaag de dag veel te zeggen hebben dat God er, met voorbijgaan van wereldwijzen, een ongeborene toe verwaardigt de eerste te zijn die zijn Zaligmaker - eveneens ongeboren - begroet! “Waar is” -zeggen wij het ook hier - “de wijze? Waar de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid der wereld niet dwaas gemaakt?” (1 Cor. 1 : 20).

Zo is dus de gekomen Zaligmaker al vòòr Zijn geboorte begonnen vreugde te verspreiden, een vreugde waarin Hij - wie kan Gods wijs beleid doorgronden? - een ongeborene het eerst doet delen!

Het Getuigenis binnenin Johannes, zo luidde ons thema.

Als het waar is dat de wedergeboorte zich uit in de vrucht van ootmoed en geringe gedachten te hebben van zichzelf, dan is het niet moeilijk deze vrucht in het leven van Johannes aan te wijzen. Zo oneindig groot is voor Johannes de majesteit van de Zoon van God, dat hij eigen diepe onwaardigheid belijdt met de woorden: “Wien ik niet waardig ben ook Zijn schoenriem te ontbinden.” (Matth. 3:11; Luc. 3 : 16; Joh. 1 : 27). Zelfs de plaats van de nederigste slaaf keurt de Doper zich niet waardig, waarmee hij erkent de oneindige hoogheid van de Heere Jezus. Het is te betwijfelen of de discipelen van Jezus aanvankelijk zulke gedachten hadden van zichzelf als Johannes hier verwoordt.

Ik zou hier de vraag willen stellen: Kan de prediking er vandaag voor een deel oorzaak van zijn dat er hier en daar tamelijk familiair over de Heere Jezus gedacht, gesproken en geschreven wordt, waarbij het besef van Zijn majesteit en oneindige verhevenheid zoek is?

Dan, als het waar is dat de wedergeboorte zich eveneens uit in de vrucht van zelfmishagen vanwege de zonde, dan opnieuw is het niet moeilijk deze vrucht in het leven van Johannes terug te vinden. Als de Heere tot hem komt en begeert van hem gedoopt te worden, dan lezen we: “Doch hij weigerde hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?” (Matth. 3 : 14). Deze woorden van de Doper geven aan dat voor Johannes’ besef Jezus’ doop op belijdenis van zonden op dezelfde wijze waarop velen die doop reeds ontvangen hadden, op geen enkele wijze past. Veeleer staat Johannes als een onreine zondaar voor Hém, de Heere! Als er met nadruk staat: “Hij weigerde Hem zeer”, dan zullen we stellig niet aan een ‘beleefdheid’ van Johannes hebben te denken. Het kón niet, het was niet bestaanbaar. Staande tegenover de Heere Christus gevoelt hij diep dat hijzelf het is die afwassing, reiniging en bevrijding van zondeschuld behoeft.

Hier weer spreekt het Getuigenis binnen in Johannes.

Hoe meer nabij Christus, anders: hoe meer Christus ons nabij komt, hoe meer en hoe groter zondaar wij ons weten.

Een andere vrucht van de wedergeboorte, die wij ook weer aangeduid vinden in de tekening die de Schrift ons van de Doper geeft, is het zichzelf geheel en al over te hebben voor de Naam en de zaak des Heeren. Die gestalte is de gestalte van Johannes waar hij belijdt: “Hij moet wassen, ik moet minder worden.” (Joh. 3 :30). Dit is taal die vreemd is aan de mondbelijder. Deze Getuigenis binnen in hem is vrucht van de vereniging met Christus, gewerkt door de Geest des Heeren. Johannes was met grote gaven bedeeld. Veel was er dat hem onderscheidde van de andere mensen. Gods genade blonk zeer rijk in hem. “Deze zal groot zijn voor den Heere” (Luc. 1: 15), was het woord van Gabriël destijds. En zijn leven, voorzover ons de Schrift daarvan verhaalt, bevestigt het: Johannes was groot voor den Heere. Maar in het genadeleven bestaat de ware grootheid juist in niet anders dan zichzelf klein te weten voor de Heere. Het hoogmoedig, zelfverheffend eigen-ik wordt in de wedergeboorte geknakt. “Hij moet wassen.” Hij is de Zon, ik slechts de morgenster, zegt iemand bij deze plaats. En hoe kunnen we de opwas van het nieuwe leven treffender onder woorden brengen dan dat wij het met Johannes zo uitdrukken: “Maar ik moet minder worden”? De godsdienst zonder God waar onze tijd vol van is, verstaat dit niet, kan het ook niet verstaan, maar de Getuigenis binnen in ons - de inwendige Leermeester die al Gods kinderen gegeven is en die al Gods kinderen leidt, doet het ze ook allen verstaan: Christus kan niet wassen en toenemen in ons dan in de weg van het minder worden in onszelf.

En dan zijn we gekomen bij het laatste. Johannes in de gevangenis: “Zijt Gij degene die komen zou, of verwachten wij een Ander?” (Matth. 11:3; Luc. 7 : 19). Evenals Elia na een Karmel beleefd te hebben, troosteloos neergezeten is onder zijn jeneverstruik, zo zit de tweede Elia, die eikenboom, die ontzagwekkende Christusprediker, nu ook onder zijn jeneverboom. Wat een les! Waar zijn de geloofshelden, als ze ook maar een ogenblik aan zichzelf zouden worden overgelaten? Als satan ze op de zeef tracht te nemen? Moeten we de twijfel van Johannes reduceren tot een schijnbare twijfel? Ik meen dat Jezus’ antwoord aan Johannes in de gevangenis duidelijk maakt hoezeer de Doper het juiste licht miste en in een toestand vol verwarring verkeerde. Immers, het antwoord van de Heere, tevens het afscheidswoord aan Zijn heraut, hield een stellige waarschuwing in: “Zalig is hij die aan Mij niet geërgerd wordt.” (Matth. 11 : 6; Luc. 7 : 23). Rijk is het anderzijds ook weer als we erop letten dat het laatste woord van Jezus aan de aanstaande bloedgetuige een zaligspreking is. De gevangenis van Johannes was niet zozeer zijn cel tussen vier bakstenen muren, maar het waren veelmeer de banden van ongeloof en onkunde waarvan de Heere Jezus hem moest verlossen. En als de discipelen van Johannes dan het antwoord van Jezus hebben overgebracht, dan staat het niet in de bijbel, maar dan mogen wij het er m.i. zeker voor houden dat het weer licht werd in zijn kerker, want waar Christus komt daar is de hemel ook al is het midden in de gevangenis.

“Hij moet wassen, ik minder worden”, had hij getuigd. Welnu, die wens gaat nu in vervulling, Johannes. Het volle licht moet nu op de gekomen Zaligmaker vallen, de taak van de Voorloper en Wegbereider is nu ten einde. Gaat de gevangenis van Johannes dan niet meer open? Jawel, die gaat al heel gauw open, met een uitgang rechtstreeks naar boven. Die uitgang naar boven voor Johannes heeft hij niet door zijn ambt en door de trouwe bediening daarvan verworven, ook was daarvoor zijn eigen bloed niet de prijs. “Mij is nodig van U gedoopt te worden”. Een ander Bloed moest er nog vloeien. Golgotha is niet verre meer. En als de verheerlijkte Christus dan niet lang na Johannes uit deze wereld overgaat tot de Vader, dan zou het best kunnen zijn dat Johannes, bij het weerzien van Jezus in glorie, voor de tweede maal geroepen heeft: “Zie het Lam Gods.” Maar nu, “staande als geslacht” (Openb. 5 : 6). En waar hij zelf, nog zijnde op aarde, getuigd heeft van zijn blijdschap als vriend van de bruidegom, daar heft hij in de plaats der volmaakten nog veel meer mogen getuigen: “Nu is mijn blijdschap vervuld geworden, want nu mag ik met de Kerk mij, na kortstondig ongeneugt, eindeloos gaan verblijden in de stem des Bruidegoms.” (Joh. 3 : 29).

Ik heb gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Johannes de Doper 4.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken